Hoofdtekst
't Was nog in het begin van deze eeuw dat er bij Poels op de Gun in Swolgen een knecht woonde die als dolle vechtersbaas bekend stond. Had hij een glas bier te veel op, dan moest er gevochten worden en ontzag hij niets en niemand. Maar voor alles wat hij niet met zijn vuisten kon bewerken, had hij een afkeer die wel eens uitgroeide tot angst. Op een late namiddag zei de boer tegen hem: 'Math, jij gaat vanavond toch naar het dorp. Ga dan even bij de molenaar aan, en vraag hem of ik morgen een paar zakken rogge kan laten malen.'
'Goed', zei Math, 'dat zal ik doen.'
In de vroege avond liep hij over de weg naar Swolgen en floot een wijsje. Toen hij zelf zijn boodschap had gedaan, liep hij in de richting van de kerk, want de molenaar woonde daar dichtbij, bijna tegen het kerkhof aan. Naast de molenaar aan de weg woonde de koster, die tegelijkertijd timmerman was: Kersten Hannes. Tussen beide huizen door lag de oprit naar de pastorie, langs de kerkhofmuur die vastgebouwd was aan de kosterswoning.
Toen Math bij de molenaar was gekomen, liep hij langs de gevel de oprit naar de pastorie op en ging toen de achterdeur van de molenaarswoning binnen, de gewone ingang voor iedereen. Toen hij er binnentrad, keek hij nog even om naar de maan, die boven het kerkhof naar de hemel klom. Hij vond dat zo'n raar gezicht, die volle maan. Maar hij talmde niet en trad binnen. Ze waren er juist klaar met het bidden van de rozenkrans. Dat viel mee, want als hij vroeger gekomen was, had hij nog mee moeten bidden tot het einde.
De molenaar zei tegen hem: 'Ga zitten, Math, maak 't je gemakkelijk.' Wat Math deed. 'Waar kom je voor?' vroeg de molenaar. 'Of de baas morgen een paar zakken rogge kan laten malen,' zei Math. Na een bevestigend antwoord ontvangen te hebben, zei Math: 'Ik vind dat je hier toch maar raar woont, zo dicht bij het kerkhof, ik vind 't toch maar wat vreemd, zo dicht bij al die doden.'
De molenaar, die er echt van hield een ander een beetje op te jutten, zag hier zijn kans schoon. 'Och,' zei hij, 'dat went wel. 't Gaat er daar wel eens raar toe. Soms veel lawaai, soms gehuil als de duivels er de zielen komen halen. Maar je went eraan. En bovendien is 't er meestal erg stil en rustig. Och, dat went wel.' Ze praatten nog enige tijd door, tot Math zei: 'Ik moet gaan, anders wordt het te laat.' Ondertussen was een drietal opgeschoten jongens bezig geweest, tegenover het huis van de molenaar in de boomgaard van Beurskens kastanjes te stelen. Die waren bij de jongens erg in trek, omdat er in Swolgen weinig kastanjebomen stonden. Ze waren met hun zakken en hun petten vol naar het kerkhof gevlucht. Vlak voor de ingang was er nog een kastanje uit een van de petten gevallen, meer zij waren doorgelopen om zo gauw mogelijk van de weg af te zijn. Nu zaten ze binnen het kerkhof tegen de muur, juist in de hoek bij het kostershuis en ze waren bezig de buit te verdelen. De grootste van de drie zei zachtjes, maar toch nog hoorbaar buiten het kerkhof, aan de andere kant van de muur: 'Dat is de mijne, dat is de jouwe, dat is de zijne.' Zo gaf hij elk zijn portie. Toen Math bij de molenaar de deur uitkwam en de oprit opliep, hoorde hij achter de kerkhofmuur geritsel en zachtjes praten. Verschrikt bleef hij staan. Duidelijk hoorde hij nu: 'Dat is de mijne, dat is de jouwe, dat is de zijne.' 'De duivels,' dacht hij en zijn ogen trokken wijd open van schrik. 'De duivels... en ze verdelen de zielen!' Zijn mond sperde zich wijd open, maar geluid kwam er niet uit. De jongens waren klaar met het verdelen, maar er kwam er een te kort. 'Dat is niet erg,' zei hij, 'buiten de muur is er nog een, een dikke. Ik zal hem even halen.'
Math, die meende dat hij bedoeld werd, zette het met een schreeuw die door de avondstilte scheurde op een lopen als een heks die het gat verbrand heeft. Bij Beurskens de hoek om, langs 'Lamberdien en Klaoze Grad' de weg op naar de Gun. Bij het kruis halfweg viel hij neer en bad God hem te helpen tegen de duivels. Maar toen hij de weg afkeek, die er geel bij lag in het heldere maanlicht, zag hij niets meer. 'Dank U, God,' zei hij, meer kon hij er van blijdschap niet uit krijgen. Doodsbleek strompelde hij op huis aan, waar hij in zijn afgeschoten gedeelte van de paardestal waar zijn bed stond, diep onder de dekens kroop.
Onderwerp
AT 1676C - Voices from Graveyard   
ATU 1676C - Voices from the Graveyard.   
Beschrijving
Bron
Motief
X424 - The devil in the cemetery.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Poels   
Swolgen   
Kersten Hannes   
Beurskens   
Lamberdien   
Klaoze Grad   
God   
Naam Locatie in Tekst
Gun   
Math   
