Hoofdtekst
Zuidwestelijk van Neeritter, vlak aan de Belgisch-Limburgse grenzen, ligt het aloude dorpje Kessenich. Bij het oude kerkje ligt een 'Kasteelsberg' en ten zuiden van het dorpje op vijf minuten afstand ligt het beruchte Vijverenbroek met zijn grote en diepe waterpoelen, eenmaal een reusachtig linden- en eikenwoud, met prachtige exemplaren en schone vijvers, waartussen een lief, klein stedeke, het 'Vijveren-Stadje'. Over beide, zowel de oude ruine als dit broek, gaan zeer vreemde verhalen. In dat dorpje bestaat een eigenaardig gebruik, nl. het begraven van Marlborough, een verkleed ventje van stro, op kermisdonderdag. Daartoe wordt vooraf een diepe put gegraven, waarin de alias vogelverschrikker onder gezang en getier ter aarde wordt besteld. Welnu, deze Marlborough zou verband hebben met een afstammeling der allereerste bewoners van de oude ruïne. Die ruïne op de berg vertoont, volgens het volk, in haar binnenste nog een diepe put of kelder, die van binnen van onder tot boven uitstekende mespunten zou vertonen en waarin, door de roofridders die het kasteel eenmaal bewoonden, de arme geplunderden en gevangenen op wreedaardige wijze naar beneden werden geworpen. Wat men daar nog kasteel noemt, is natuurlijk geen kasteel meer, maar een bouwval, waarvan ouden van dagen nog de toren gekend hebben. Het was een hoge, vierkante toren, slechts door een paar venstertjes verlicht. Tussen de bouwvallige resten van dat kasteel kronkelden zich voorheen dikke klimopranken in volle bloei als op kussens van weelderig mos. Hier en daar, en dat is ook nog zo, stonden wilde planten en donderkruid, als waren ze daar door mensenhanden geplant, en tal van kleine bloemkopjes lachten door de reten der puinhopen, als wilden zij spotten met de vergankelijkheid waarop zij nu haar troon geplaatst hadden, terwijl de vogelen, die in de toren en in de schietgaten woonden, een hymne zongen aan de zich steeds hernieuwende natuur. Van deze bouwvallen klommen vroeger de bezoekers de heuvel op, waar destijds enige zware populieren als een groep vrienden elkander van de schande en gruwelen schenen te vertellen, waarvan weer hun voorvaderen, de grijze populieren der middeleeuwen, waren getuigen geweest. Losbandig, liederlijk en onzedig in hoge mate moeten het gedrag en het leven zijn geweest der allereerste bewoners van deze roofridderburcht. Dagelijks bezochten zij, volgens de overlevering het reeds genoemde stadje, even buiten hun kasteel, waar nu het Vijverenbroek zijn zilte dampen uitwasemt. Door hun oneerbaar leven en het ongehoord verkwisten van veel geld zouden zij ook de inwoners van het Vijveren-Stadje zo laag hebben doen zinken, hun vrome zeden zo hebben aangetast, dat op een goede nacht de roofridders plotseling spoorloos waren verdwenen, en het stadje met man en muis naar de diepte zonk, om nooit weer te voorschijn te komen. Van deze gehele grootheid rest dus thans niets meer dan de berg met de 'messenkelder' te Kessenich, en wat grote, moerassige poelen, het 'Vijverenbroek' genaamd, tussen Kessenich en Neeritter.
Onderwerp
SINSAG 1145 - Die untergegangene Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner.   
Beschrijving
Bron
Motief
F944.1 - City sinks in sea or lake as punishment.   
Q220 - Impiety punished.   
Q552.2.1 - Land sinks and lake appears as punishment.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Belgisch   
Limburgs   
Kasteelsberg   
Vijverenbroek   
Vijveren-stadje   
Naam Locatie in Tekst
Neeritter   
Kessenich   
Marlborough   
