Hoofdtekst
Op 'n zonnige zondagmiddag in de maand mei van het jaar 1891 wandelde ik naar het dorpje Kessenich, gelegen op drie uur afstand van Roermond en 'n goed uur afstands van het stadje Maeseyck, in 't naburige Belgisch Limburg. Onder de beukenlaan van het majestueuze bronzen woud, toebehorende aan baron Willem Michiels van Kessenich, vertraagde ik gewoonlijk m'n schreden. Daar toch, was natuur in mijn ogen altijd groots, daar ook waren de herinneringen voor mij heilig. Daar poortten links en rechts hoogstammige eiken- en beukenalleeën. Daar wasemde Kasteels moestuin, die ontzaglijk groot was, kittelige aroma van malse gewassen en ontschubde knoppen, daar poeierdampten de groenende weiden en boomgaarden geuren uit van gouden en zilveren bloesems; daar lag 'n kloosterstille boerenhofstee bij 'n rustige, visrijke vijver. En al deze natuurtaferelen schaarden zich om 't bonkige, oude slot, dat daar dromerig vreedzaam troonde, massief, majestueus. O ja, ik weet 't nog zo goed. Ik zie nog voor mij al die rijen trotse beukelaars met hun zacht groene bladertooi, door elkaar geslingerd hun pracht van takken, die statig poortten in wondere luistering naar meiliederen van streellokkende vogelen. Ik hoor nog in stille herinnering daar het minnegevloei van zilveren zangers, overal uit de lucht, de geurende lucht. Dan bij zo'n schouwspel huiverde ik van genot. Dan ademde ik in lange teugen de vreemde, zoete, geheime, zachte geuren, die daar schenen te hangen of haast onzichtbaar te wiegen als ware het dampende mirre van grazige zoetheid. Dan stapte ik achteloos voort, zag niet eens de enkele passanten, die de reuzige stammen voorbijgleden, maar verviel in stille mijmering en keerde me om, naar m'n eenvoudig geboortedorpje Neeritter. Ik pijlde dan met m'n ogen over heestergewas en tussen boomstammen door, zó lang, tot ik had gevonden m'n ouderhuis, dat zich hoog op z'n nok verhief boven enkele lage dakglooiingen. Ik ontwaarde dan het aan herinnering zo rijke huis, waarin de onvergetelijk gezellige woonkamer. Nog duidelijk zag ik 't voor mij, met z'n stalling, z'n schuur, z'n uitgestrekte tuin. En dan . . . maar waartoe deze eindeloze fantasie? Neen, weg, o donkere weemoed, weg, gij tranen, die voor mij opdiepen 'n ganse kinderwereld. Wel zijt gij als zovele boden van dankbare liefde jegens mijn brave, onvergetelijke ouders, mijn broeders, maar. . .
'Wat baat het u, verlaten wezen!
Geen ouder, die uw wensen hoort!'
'Ah! Dag Perjan!' sprak ik tot de goedige grijsaard, die daar zat achter een ouderwetse haard, waarover 'n ronde, buikige water- ketel hing, in z'n lederen leuningstoel. 'Wat uitgerust?'
'Ja, beste jongen! Het doet me plezier dat je vandaag weer eens komt. Ik ben nu ook zo heel alleen. De jongens zijn beugelen' (een balspel in Limburg) 'en je weet 't ook wel, dan komen ze vóór avond niet terug.'
'O ja, dat begrijp ik. Maar daarom kunnen wij nu ook des te rustiger wat keuvelen, en hoorde ik gaarne van u eens die geschiedenis over uw betoverde vriend, waarvan u de laatste keer nog sprak.'
Toen hield de grijze man even de hand aan het voorhoofd. Perjan – verkorting van Peter Jan – was wel bij de negentig, maar nog krachtig en gezond. Alleen de benen weigerden zo zachtjes aan de dienst. Een zilverwitte baard, niet erg lang, omlijstte zijn gerimpeld gelaat. Even witte wenkbrauwen overschaduwden zwaar zijn glinsterende kastanjebruine ogen. Zijn lijnrechte neus, zijn goedige mond, die steeds tot glimlachen gereedstond, gaven hem 'n ietwat patriarchaal uiterlijk. Zijn geliefd kostuum bestond uit 'n bruinfluwelen broek en 'n wollen gilet, hier wambuis (wammes) geheten. In zijn laatste jaren droeg hij bovendien meestal de gehele dag 'n zwarte, wollen slaapmuts, welker lepkwastje langs het hoofd bengelde. Hij hield dol veel van uit 'n aarden pijpje te roken. Hij noemde dat pijpje z'n baardbranderke.
Voor dit eenvoudig genot bracht ik hem telkens 'n pakje Kreykamp's tabak merk A mede, dat hij dan ook steeds dankbaar van mij aannam.
Ook nu weer omkringelde ons 'n dichte tabakswalm. Ik nam 'n stoel, en ging zitten bij de ouderwetse, vierkante tafel. Niets verbrak overigens de stilte in deze primitieve huiskamer dan 't getik der oude, lange kastklok en 't gegons van vliegen, die op de tafel trosgewijze op broodkruimels aasden, en van tijd tot tijd door m'n handbeweeg als 'n zwerm uit elkaar zoemden. Toen ik even door het smalle raampje naar buiten keek, zag ik dat allengs de avond vallen ging. Tegenoverliggende huisjes met oudrode daken walmden bereids in uitstervende gloed, in wolkerig avondgoud. Laatste zonnestralen lichtbaanden in vervige vegen, bundelden zwakjes nog langs kleine huisjes, in de verte saamgekringd met geelbeokerde geveltjes. Na 'n ferme, smakkende trek aan 't korte pijpje, ging de oude man voort: 'O ja, dat is waar ook. Dat kunnen we nu hebben. Luister dan maar:
Toen ik 'n goede twintiger was, had ik als boezemvriend 'n jongeling van mijn leeftijd. We gingen veel met elkander om. Op zekere zaterdagavond gingen we samen naar de barbier te Neeritter. Dat was toen de Klepperman. Deze man werd zaterdags zeer druk bezocht, zodat het bijna middernacht was, toen we bij hem vandaan gingen. Die zomerdag had 'n zwoele hitte de lucht doen daveren, maar op onze terugweg speelde er 'n frisse zuidwestenwind door de bomen. Al voortkoutende, waren we gekomen tot aan het gehucht "de Hees", dat ligt aan de zoom van een bosschage, waarin meerdere groepjes hoogstammige reuzeneiken troonden. Alles was op dit moment huiverig stil, het landschap lag daar als in hemelse plechtigheid van rust en kalmte. Geruisloos wiekten enkele reuzenkruinen boven onze hoofden. Het was als 'n zachte tocht van vleugelenslag, die daar over ons heen ruiste. Enkele vage geruchten, ver, oneindig ver, als van eeuwigheid, suizelden onder schelpruisend luchtgewelf en aardeduister. Rust van bossluimer waarde rond, in zachte ademhaal, rond de aardestilte. We genoten heerlijk van dit verkwikkende luchtezoemen onder de ontzaglijke hemelkoepel, waaraan miljoenen lampjes pinkten en sputterden. Het was daar, in die nacht, het geheimzinnig betoverend gedoe van vrouw Natuur, dat de geest doet insluimeren, de ziel voor enkele momenten opneemt, wegdraagt, verre van de beslommeringen des levens... Zo konden wij daar wel samen 'n kwartier hebben gedroomd in stille zwijg, toen eensklaps m'n vriend Kobus me bij de arm vatte en met schrik in z'n stem tot mij sprak: "Zeg, Perjan, kijk eens daar!" Ik keek heel verwonderd op, maar bespeurde nergens iets. Ik lachte met z'n zenuwachtige angst, maar toen riep hij nog luider: "Jongen, Perjan, laat ons gauw weglopen! Kijk eens! Die twee vrouwen daar recht voor ons uit. Zij komen op ons af, en hebben 'n schrikwekkend uiterlijk. Och, och, wat ben ik bang!"
Toen zag ik dan ook werkelijk twee arme vrouwen uit het dorp, die nu wel niet als de braafste bekend stonden, maar toch ook geen aanleiding gaven om er bang voor te zijn. Ik deed daarom m'n best om hem gerust te stellen, en zeide:
"Maar Koob, wat ben je toch kinderachtig! Dat zijn Trui en Bet van 't hoekje! Wat scheelt je toch, kerel?!" Ondertussen passeerden beide vrouwen en wensten ons vriendelijk goedenavond. Kobus drong zich vast tegen mij aan. Ik lachte hartelijk met z'n dwaze schrik, en wilde mij gereedmaken om huiswaarts te keren. Ook Kobus wilde opstaan, maar viel kermend weer terug op de steen die hem tot zitplaats had gediend.
"Och Perjan, wat mag dat zijn? Ik kan onmogelijk rechtop staan. Mijn benen zijn heel stijf, en doen me bovendien ook nog erg pijn. Ja, ik heb 't u wel gezegd. Die vrouwen hebben ons betoverd. We zijn van de kwade hand geraakt, Perjan. Ik voel 't maar al te goed."
"Maar Kobus," zei ik, "dat is toch om te lachen. Hoe kun je zo flauw en zo dwaas zijn? Ik dan, ben ik dan ook behekst? Nonsens! De kille nachtwind zal je benen strammer gemaakt hebben! Maar een kwade hand? Jongen, jongen, wat 'n superstitie!"
Ik hielp Kobus toen staande, maar waarachtig, hij kon niet dan zeer lastig lopen, en ik was gedwongen hem die nacht, nog 'n goed kwartier ver, al stuttend en steunend naar z'n huis te bren-gen.
De gehele week die daarop volgde, zag ik Kobus niet meer.
's Zondags daarna kwam mijn moeder uit de hoogmis, en zeide tot mij:
"Zeg, Perjan, je moet je vriend Kobus eens gaan bezoeken. Men vertelt mij daar zoëven dat hij ernstig ziek moet zijn, en nu al acht dagen te bed ligt."
Ik antwoordde daarop weinig, maar begaf me die zondag naar Kobus' woning. En warempel, hij lag te bed met hoge koorts.
Niemand kende hij meer. Maar om mij riep hij aanhoudend, en sprak dan onverstaanbare, afgebroken zinnen, als:
"Ik ben van de kwade hand geraakt! 't Is de schuld van Per-jan... Ik had willen weglopen... maar daar zijn ze weer... vlucht, vlucht!"... En zo raaskalde de arme kerel maar altijd door, totdat hij afgemat in het bedkussen terugviel, en weer insliep. Opmerkelijk en typisch was 't echter, dat z'n armen en benen diepe inkervingen droegen, zoals men dat wel eens heeft bij gekloven handen. Hij had zelfs open wonden op zijn benen. Het was bepaald droevig om aan te zien. Die ellendige, nooit geziene kwaal perste mij de tranen uit de ogen.
Toen ging ik weer naar huis terug, alwaar men mij aanstonds over Kobus' toestand ondervroeg. Ik vertelde hun mijn bevinding en tevens ook wat op onze laatste wandeling vanaf Neerit-ter bij de kapel was voorgevallen. En allen vonden het geval buitengewoon vreemd.
Kobus bleef nog lange tijd aan z'n ziekbed gekluisterd, genas zelfs zeer langzaam, en bleef tenslotte gebrekkelijk als een melaatse. Zijn benen schenen verwrongen en misvormd. Hij kon nauwelijks en met veel moeite nog lopen, terwijl handen en vingers compleet scheefgegroeid waren...'
Aldus het verhaal, dat ik van de ooggetuige uit eigen mond heb vernomen. Aan de waarheid van het verhaal valt niet te twijfelen, wijl onze oude man de eerlijkheid en oprechtheid in persoon was, en zelf ook wars van alle bijgeloof.
'En toch waren er toen dwazen genoeg', voegde hij eraan toe, 'die het geval aan de zogenaamde kwade hand bleven toeschrijven. Want jaren nadien werd er nog steeds gesproken in het dorpje en in de buurt over deze duivelsgeschiedenis.'
Daar de nachtlucht, al was die nog zo koud, evenmin deze vreselijke uitwerking op Kobus' gestel kon gehad hebben, komt het mij niet gewaagd voor, te denken dat de nog al erg tere en zwakke jongen zo aangegrepen en overmand is geworden door valse inbeelding en dwaze vooringenomenheid, dat die plotselinge huiverschrik nadelig op zijn overigens toch al zwak gestel heeft gewerkt, en zijn beenderen ziekelijk gemaakt.
Bijgeloof zat bij de boeren vooral in die tijd diep geworteld. De vooruitgang, de beschaving en de verlichting hebben echter reeds veel daarvan omvergeworpen, en ofschoon heden ten dage nog wel hier of daar 'n bouwvallig overblijfsel van dit onzinnig vooroordeel staat, geloof ik toch dat de tijd ook dit treurig restant spoedig genoeg in puin zal doen storten. Zo worde het!
Onderwerp
TM 3117 - De kwade hand (het boze oog)   
Beschrijving
Bron
Motief
G269.11 - Witch causes deformity.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Belgisch   
Willem Michiels   
Peter Jan   
Kreykamp   
Koob (Kobus)   
Trui   
Bet   
Naam Locatie in Tekst
Kessenich   
Roermond   
Maeseyck   
Limburg   
Neeritter   
Perjan   
Hees   
