Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

VVUNL305 - De vuurman uit 't Echterbosch

Een sage (almanak), zaterdag 09 oktober 1920

Leonardo_Diffusion_XL_burning_spirit_running_through_forest_0.jpg

Hoofdtekst

De vuurman uit 't Echterbosch
De herfstvelden lagen stil van groei en bloei hun rijpheid te bieden aan de nijvere bewerker.
Met 't ganse volk van zijn gedoente werkte de grootboer in zijn bieten. De keuter had moeite op tijd zijn aardappels te rooien. 't Werkvolk, stoere mannen, wroette de grond om, de vrouwen of jongedochters lagen gebukt voort te kruipen, de dikke knollen vergarend in zakken en manden. Ze rustten even om een slok koffie te nemen uit de koperen kannen, of een hap uit de korf, vol boterhammen met spek, welke de kinderen brachten.
Aleer dezen naar huis gingen, stookten ze grote vuren van 't klamme aardappelloof, sprongen joelend er rond. De trage rook wolkte een eind op, sloeg dan neer, slierend in lange rookwijlen over de velden. Verrast zagen de kleuters de trekkende kroenekranen na, die krijsend naar 't zuiden ploegden, hoog door de lucht.
In noeste vlijt werkten de arbeiders voort, want eer de avond grauwde, wilden ze volle vrachten huiswaarts voeren.
De heerboer van Bosscherhof zag 't gedoe gade. Tevreden was hij over zijn volk, de flinke kerels en meiden, die al de anderen met hun arbeid voor waren. Vreemd volk wel, dat deed hem geen deugd, eigen man- en vrouwlui had hij gewild, maar God had 't niet anders beschikt.
Als d'avond daalde, doolde hij terug door de groen- en spurrievelden, waar een krocht patrijzen uit op torvelde voor zijn voeten.
Met enige huiskerenden sprak de heerboer een woord. Over de veldwegen kwamen ze aangetreuzeld, torsend de zware lasten.
De geladen karren dokkerden voort, 't leutig jongvolk erachter, met zijn vrijliederen opschallend over de stille velden ten avond.
De koeiheerd van de hof dreef 't traagloeiend vee stalwaarts door de holle weg, waarvan bezijds de oude knotwilgen in malle houdingen poosden.
Stil neergehurkt lag de oude hoeve, grauw in oudheid en avond, tussen 't geboomte in herfsttooi. De jonge peppels in gulden voornaamheid strooiden hun lovers op de landen rondom. In de hoge bongerd stond onder 'n pereboom in bronsrode tooi een koeibeest te blabberen. En bij de voorkant der hoeve, tussen de hoge ramen, stond 'n notelaar met donker blad laatdunkend in 't licht van westerhemel te staren. Alleen de berken aan de zuidkant, de laatste van hun soort, welke aan 't nabijgelegen gehucht de naam van Berkelaar gaven, stonden fier met hun schitterwitte stammen te pronken.
Op 't erf liep 't werkvolk rond in alle drukte en voederde 't vee af voor deze avond. Lantarens lichtten reeds uit de dompige stallen met trage schijn.
'De herfst nadert,' mompelde de oude boer. 'We moeten turf halen nu 't veldwerk af is. Morgenvroeg maar, een dobbele karre.'
Hij trad de ruime keuken binnen, 't werkvolk volgde en ging stomme aanzitten bij de dis, waar de tinnen schotel pap dam-pend noodde.
Na een brommend gebed aten ze hun bekomste aan brood, lebberden de schotel leeg. Dan baden ze de rozenkrans om hierna te kortavonden zolang de vrouwen koek bakten en bier gereedzetten voor de volgende morgen.
Het manvolk hing op de stoelen en rookte 'n pijp; de vrouwen sponnen nog een tijdje bij 't flakkerlicht van een tuitlamp. Ook sprak men druk over de vuurman uit turfbroek en plande wat men doen zou.
'Vrouwenkal,' grommelde de boer zijn knechts geruststellend als men slapen ging.
Voor de morgen in de dauw stond, was er leven en bedrijvigheid op 't erf en met de bungelende lantaarn onder 't voertuig gebonden, ging men de slingerende veldwegen in, op weg naar 't Broek achter 't klooster Lilbosch. Eer het morgenlicht in de lucht dazelde aan de oosterhemel, ver achter het Echterbosch, kon men er zijn.
Het voertuig holderde voort, dof klinkend in de stilte.
Een enkele haas kwam naar 't licht door de velden zien en deed bijwijlen 't paard schrikken.
Men treuzelde voort door 't struikhout der kleine Hei de Houtstraat in, waar de meeste huizen nog stil als de morgen lagen.
Hier en daar blafte een waakhond voor 't voertuig en rukte danig aan de ketting.
Weinig werd gesproken, veel gedacht, ieder met zijn eigen angstig gepeinzen op de vuurman. Een bangerik zei al eens: 'Begin maar,' waarmee de overigen moedig poogden te lachen. Eerst nabij de Pepinusbrug haalde de oudste de rozenkrans uit en begon prevelend ave's van de kralen in zijn bevende vingers te monkelen. Angstig grommelde de toon der nabidders, die schuw rondspiedden, in de duisterte van bos en ven. Een plotse angst en schuwheid sloeg bonzend op ieders hart, of neep even de keel dicht als men schuw terzijde keek en 't wijfelend licht der lantaren grillige schaduwen der spaken, lijk lange benen van vreemde gedrochten, op 't struikgewas schiep terzijde van de weg.
Met gebogen hoofd bad men hortend voort.
Dan plots een samenklodderen en angstig vastgrijpen, een stonde verstommend het gebed ... Een vurige gedaante naderde, liep sprakeloos naast 't voertuig – nam er plaats op ... de vuur.r.r.m.a.n...
De voerman rukte aan de teugel, maar tevergeefs. 't Paard bleef in d'eender kalme tred voortstappen. Angstig uitgestoten klanken moesten door zuchten tot een gebed worden aaneengerijd.
Zonder opzien, in angstzweet haperend doorbidden, afwachtend de gloeiende hand hun keel te voelen toenijpen door 't monster dat sprakeloos bij hen toeven bleef.
Tot eindelijk de sterren gingen bleken en 't morgenlicht achter de bossen de lucht in stoof: de dag ...
Een gesis ... men durfde schuw opzien en van vreugde verstomde 't gebed als men ijlings de gedaante het broekland zag invlieden, hun toeroepend: 'Nog één ave gebeden en ik zou verlost zijn...'
Men haalde ruimer adem en herkreeg de kracht voor de arbeid. In alle ijver nu voortgewrocht. Nauw werd de tijd gegund te eten, om vóór de vroege valavond terug te zijn op de hofstee. Als zij daar aankwamen, stond de boer hen reeds te wachten en sprak tevreden woorden over hun werk. 'Vanavond een pinte meibier is wel verdiend, mannen!'
Bij de oude vlier, die reeds onheuglijke jaren terzijde de mestvaalt in de poel stond te zien, werd de wintervoorraad opgestapeld en met stro bedekt. En na 't avondmaal sprak men danig het meibier aan, terwijl de knechts vertellingen deden over 't gebeurde met de vuurman. De vrouwlui zaten te luisteren met open monden en harten vol schrik. Ze stamelden van: 'Vaker gehoord'. Lachend echter hoorde de boer 't aan. 'Dom volk!' monkelde hij halfluide, en ledigde zijn kroes aldoor. En weder herhaalden de mannen 't gebeurde voor de luistergrage oren van 't vrouwvolk, dat aldoor instemmen bleef met de gebruikelijke knikjes en handgebaren van verbazing en angst tegelijk.
'Wijvenkal!' hield de boer vol en werd kwaad om dat gezeur als van kinderen. Driftig zette hij zijn kroes neer: 'Honderd keren die reis gedaan te nacht en te ontij; nooit iets gezien!' fezelde hij. 'Lummels alleen zien zo iets, onzin!'
De knechten hielden vol, 't meibier werkte op hun gemoederen en steeds griezeliger werd 't verhaal aangedikt en even gul geloofd door de vrouwen, nu de kerels volhielden, bijzonderheden vermeldden trots 't gemopper van de boer.
Overtuigen wilde hij allen, dat 't onzin was en met 't ledigen van de vele kroezen sprak hij steeds sterker woorden.
Tot hij opstond. 'Volg me,' sprak hij, 'ik zal 't u tonen, onzin.'
Hij waggelde naar de trap. De vrouwen trachtten hem te weerhouden. 'Ik wil!' driftigde hij, met zijn vuist zwaaiend. 'Tarten zal ik hem uit 't raam, jouw vuurman!'
Hij stommelde de trap op.
Er viel plots een stilte bij de hoge haard en zwijgend wachtte men wat er volgen ging. Maar geen had de moed de boer na te gaan.
Boven daverde de zoldering van de ploffende waggeltred naar 't raam. Werd 't geopend? Daar knersten de luiken op de verroeste hengsels.
De boer stond voor 't open raam en zag met troebele ogen in de donkere nacht. Hij voelde een wind om zijn slapen en 't verhitte voorhoofd. 't Friste hem op. Ginds moest hij 't broek vermoeden, waar de vuurman was.
Tartend zwaaide hij zijn vuisten. Een schelle gil: 'Hei!' gevolgd door een langgerekt gefluit, sneed door de stilte daarbuiten. Een rilling liep plotseling door zijn leden en angstig rukte de boer het luik toe, verloor zijn overmoed en wachtte ... Op 't eigen ogenblik een doffe stoot tegen het vensterluik. Een gesis volgde en zwavelreuk drong in de kamer.
Een gil! ... de boer viel neder.
De wachtenden bij 't vuur schrokken op, drongen dichter samen, spraakloos ...
Als de morgen aanrichtte over het schuurdak, murmelde 't man- en vrouwvolk bij de haard aldoor 't angstig en haperend gebed.
Eerst bij de volle klaarte met de hulp van nabuurs durfde men gaan zien.
Boven naast 't raam lag de boer ... dood ...
En in 't vensterluik stond 'n gloeiende hand gebrand.
't Was die van de vuurman uit 't Echterbroek.

Onderwerp

SINSAG 0212 - Spötter pfeift Feuermann heran    SINSAG 0212 - Spötter pfeift Feuermann heran   

Beschrijving

Werkvolk ontmoet al biddend de vuurman, die weer verdwijnt, terwijl hij zegt dat met nog één gebed meer hij verlost zou zijn. Boer spot met de angst voor de vuurman en daagt hem uit om te verschijnen. Hij kan nog het vensterluik sluiten, maar de zwavelgeur komt de kamer in. De boer wordt dood aangetroffen, in het luik zit de afdruk van de gloeiende hand van de vuurman.

Bron

Willem de Blécourt, Volksverhalen uit Nederlands Limburg, Utrecht (etc.], 1981, p. 142-145. Nr. 7.11

Motief

F491.3 - Will-o’-the-Wisp exorcised.    F491.3 - Will-o’-the-Wisp exorcised.   

E544 - Ghost leaves evidence of his appearance.    E544 - Ghost leaves evidence of his appearance.   

Commentaar

Bron: Frits Smeets (F.S.), in: Limburgs Leven I, 25 (9-10-1920) 7

Naam Overig in Tekst

God    God   

Naam Locatie in Tekst

Echterbosch    Echterbosch   

Broek    Broek   

Lilbosch    Lilbosch   

Hei    Hei   

Houtstraat    Houtstraat   

Pepinusbrug    Pepinusbrug   

Bosscherhof    Bosscherhof   

Echterbroek    Echterbroek   

Berkelaar    Berkelaar   

Plaats van Handelen

Echt    Echt   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22