Hoofdtekst
Wie de oude 'Peet der Das', zoals hij algemeen voor de bevolking van het dorpje Cadier en Keer genaamd werd, bij daglicht de opdracht gaf om zich zo snel mogelijk naar Eckelrade te begeven, om 'den ekspär' d.i. de veearts te gaan roepen, wanneer een 'mär niet kon veulenen' of een 'viärsj niet kon kauven', vond altijd een bereidwillig gehoor.
Peet der Das was een arme dagloner, die algemeen als het factotum der dorpsboeren bekend stond en tegen een kleine beloning, welker hoe-grootheid ad libitum aan de opdrachtgever overgelaten werd, in moeilijke gevallen te hulp geroepen werd, en zich steeds met de meeste nauwgezetheid van zijn opdracht kweet.
Zoals gezegd, overdag, weer of geen weer, vond men hem altijd bereid. Hij moest van de boeren leven. En dit was dan ook de reden dat hij zich in een dringend geval in 't zweet liep, alsof het zijn eigen aangelegenheid betrof.
Maar als iemand hem tegen het middernachtelijk uur kwam opkloppen om de 'ekspär' of de 'wijsvrouw' te halen, kon men zeker zijn dat hij pertinent zou weigeren om zich alleen op het
pad te begeven.
'Allein 'n gaon iech neet, noch neet veur ein miljaar,' was dan het bescheid. Naar de reden van een dergelijke weigering behoefde niemand te gissen; zij was genoegzaam onder de boerenbevolking bekend.
Peet heeft mij de geschiedenis, jaren geleden, persoonlijk verteld, zoals ik haar thans op mijn beurt aan de lezers van 'De Nedermaas' zal meedelen.
Op een donkere herfstnacht was hij laat van Gronsveld, 'Groesjelt' zoals men in die omgeving dit dorp noemt, langs de donkere binnenweg, die door kloven en kreupelbos leidt, en de lugubere naam van 'De Hèl' draagt, over het 'Gruuselt', het Kruisveld, naar huis gekomen.
Het was zo donker dat zijn anders scherpe ogen zelfs niet de rand van de weg konden onderscheiden. Alle ogenblikken raakte hij van het pad af en alleen aan de oneffenheden van de belen-dende akkers voelde hij dat hij het rechte spoor kwijt was.
In zichzelf brommend en nu en dan met een basterdvloek van 'sakker de miljaar' voorttaffelend, was hij, naar hij meende, midden op het Gruuselt aangeland, daar, waar twee wegen el-kander in de vorm van een kruis snijden. Daar was Peet zijn tramontanen totaal kwijtgeraakt. Hij wist niet of hij links of rechts moest inslaan, zo hels donker was het.
Op goed valuit strompelde hij voort in een richting, in welke hij dacht dat hij zijn woning het best zou kunnen bereiken.
Maar wie schetst zijn verbazing, toen hij plotseling weer aan 'Holsboom' uitkwam. 'Holsboom' is een eik, die zich ook thans nog aan de afrit bevindt, die naar de holle weg 'de Hel' voert.
Daar was hij een groot halfuur geleden ook naar boven gekomen. Onderscheiden kon hij niets, maar hij voelde het aan de daling van de grond onder zijn voeten en hij hoorde aan het wild heen en weer zwiepen van de takken, dat hij weer onder 'Holsboom' stond.
'Sä miljaar de miljaar,' schreeuwde Peet van colère, 'bin iech noe zaet of is d'r duivel ien 't sjpiel.'
Na lang tasten en scharrelen kreeg hij eindelijk de eikestam te pakken. Hij tuurde en tuurde en zag eindelijk door het dichte kreupelhout de lichten van Maastricht in de verre diepte flikkeren.
Dat was voor Peet een aanwijzing. Met de rug plaatste hij zich tegen de boom en redeneerde: 'Noe lik Mesjtreech achter miech, rech veur miech oet moot d'r toeën (toren) van Keer sjtoeë. Nog mer ins geprobeerd of iech d'r sjtieweeg neet kan vinde.'
'D'r sjtieweeg' is de grote heirbaan van Maastricht naar Aken. Als hij daar kon geraken, zou 't hem niet moeilijk vallen zijn huis aan de uitgang van het dorp te bereiken. Maar hij was er nog niet.
Na veel moeite en tobben voelde hij toch weer de veldweg onder de voeten. Doch hij schoot maar langzaam op.
Opeens hoorde hij geluid in de verte. Peet d'r Das bleef staan. Duidelijk meende hij te verstaan dat hem iets werd toegeroepen. Maar wat? Zijn oren spitsende, scheen hij te horen: 'Boe moot iech 'm leGGe? och, zek 't miech toch? Boe moot iech 'm leGGe?' – 'Wat leGGe?' brulde Peet, 'boe zit ste, wat mooste, wä bèste?' – 'Der sjtieen, boe moot iech 'm leGGe?' hoorde Peet zich als antwoord toeroepen.
'Sä miljaar de miljaar,' baljoende Peet, terwijl hem de haren te berge rezen. 'Lèk 'm boe's t'm gekriëge höbs!'
Toen hoorde hij niets meer. Vlak voor hem uit sloeg de kerkklok van Keer met doffe slag één uur.
Afgaande op het geluid, bereikte hij nu spoedig 'd'r sjtieweeg' en een kwartier later klopte hij aan de deur van zijn woning. 'De Trine', z'n vrouw, deed hem open.
In het spaarzaam verlichte vertrek zag zij dat haar Peet iets overkomen was. En toen hij haar zijn avontuur vertelde, was zij met haar man overtuigd, dat deze een ontmoeting gehad had met de geest van het Gruuselt, met de dwaalgeest van de oneerlijke boer, die tijdens zijn leven de reinstenen van zijn akker verlegd had om zich ten koste van zijn reingenoot te bevoordelen.
Van die tijd aan was Peet niet meer te bewegen om 's avonds of bij ontijd alleen over het Gruuselt te gaan om 'd'n ekspär' te gaan roepen, of de 'wijsvrouw' te halen.
Onderwerp
SINSAG 0404 - Wo soll ich ihn hinsetzen?
  
Beschrijving
Bron
Motief
E345.1.a   
F402.1.1 - Spirit leads person astray.   
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Peet der Das   
Cadier en Keer   
De Nedermaas   
De Hel   
Holsboom   
Naam Locatie in Tekst
Eckelrade   
Gronsveld   
Kruisveld   
Maastricht   
Aken   
Trine   
