Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

ZEEUW270 - De menschen en de zee

Een sage (boek), 1859 - 1868

Hoofdtekst

De menschen en de zee

Er is een volksgedicht bewaard gebleven "op de inundatie, voorgevallen anno 1682", bij den vloed van 26 Januari, toen in den Westkappelschen dijk een gat van twintig roeden ontstond.

Als men schreef sestien hondert tachentig twee,
8oo wasser in Zeelandt groot jammer en wee,

Op Paulus bekeeringe, en maendag daar aan,
Sach men Zeelandt op veele plaetsen besouten 1) staen.

Daer verdroncken veel menschen, beesten en honden.
Wilt u bekeeren en aflaeten van sonden.

Weest aendagtig en hoort verder mijn bediet
Wat datter in yder eilandt is geschiet.

In Walcheren was den Westkappelschen dijk groot
Op dry steden door, waer mede wij waren in noot.

Tot Vlissingen was het water gevloeyt seer hoogh,
Maar 't eerste is berent 2), en Vlissinghen is nu droogh.

In Zuit-bevelant, wil wel aanmercken,
Volgens den brief aen dhr. de Coninck, vloeyden huyzen en kerken,

Twee prochien en negentien polders daar bij
Liepen allen in, waar door zij waren in lij.

't Lant van Schouwen met Oosterland vloeyde,
Bommenede, Bloys en Bruinisse daar men door roeyde,

Sirjansland, Brouwershaven waren in verdriet,
Soo dat het een nog drijft, en 't ander bijna tot niet.

Nog vele Polders, die wij met berouwen,
Tot twintig toe sagen drijven tot groot benouwen,

Twelk een yder certain moet zijn bekent,
Om alzoo te kennen ons grooter elendt.

Philippilandt tot allen stonden
Is van alle kanten door 't water verslonden,

Soo dat menschen op boomen en daken
Met menige saten; wie con se genaken?

En vele door 't water verslonden minsoot 3),
Soo dat die toen leeffden en vele zijn doot.

Tot Tholen, wilt mercken ons groot verdriet,
Vosmaer was deur en Schakerloo tot niet.

De stad die was seer sober en desolaet;
Men voerde met schuyten, 't was goed of quaet,

Deur straten, markten; daer wel op let
De wall viel aff; 't geen yder verset.

De kerk die dreeff; de menschen en santen
Spoelden uit 't graff, de Predicanten

Verschrikken en angsten van soo een vloet,
Soo dat men kon hooren nog bitter nog soet. .4)

't Was alles elent: men damde noch dijckte;
Men gaf er geen geld, nog broot; men beswijckte.

Hoe het aff sal lopen is niemant bekent.
Daarom swijg stille en hoore nae het ent.

Alle menschen herte, alwaerse van steenen
Die 't wel inziet, die moet het beweenen,

Dat Zeelandt heeft gedragen sodanig een smert:
Die 't niet aengaet en trekt niet ter hert.

Laet ons dan seggen, en doen besluijt,
Dat hier de plagen nu mogen zijn uijt.

1. Door het zoute water bedolven. .2. Toegedamd. 3. Minnelijk. 4. Er werd niet gepreekt.


Onderwerp

TM 2604 - Watersnood    TM 2604 - Watersnood   

Beschrijving

Volksgedicht over de overstroming van 26 januari 1682, toen er een gat van 20 roeden ontstond in de Westkappelschen dijk. Hierbij zijn veel mensen, beesten en honden verdronken.

Bron

J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 260-262

Commentaar

voor 1869
Nog dagelijks onstaat er in Zeeland zulke "epische poezie", want elke gebeurtenis wordt door een dorpsdichter op rijm weergegeven.
besouten; Door het zoute water bedolven
berent: Toegedamd
minsoot: Minnelijk
nog bitter nog soet horen: Er werd niet gepreekt
Watersnood
Afgedrukt in: De oude Tijd, 1869, blz. 384

Naam Overig in Tekst

Zeelandt    Zeelandt   

Vlissinghen    Vlissinghen   

Zuid-Beveland    Zuid-Beveland   

dhr de Coninck    dhr de Coninck   

't Lant van Schouwen    't Lant van Schouwen   

Oosterland    Oosterland   

Boys    Boys   

Philippilandt    Philippilandt   

Vosmaer    Vosmaer   

Schakerloo    Schakerloo   

Naam Locatie in Tekst

Walcheren    Walcheren   

Vlissingen    Vlissingen   

Bommenede    Bommenede   

Bruinisse    Bruinisse   

sirjansland    sirjansland   

Brouwershaven    Brouwershaven   

Tholen    Tholen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20