Hoofdtekst
De menschen en de zee
De Ierseksche dichteres Maatje van Hoorn verhaalt van de zware storm van 9 November 1800.
Wat zag men in dien tijd,
Toen als men heeft geschreven,
Een duizend mij bekend,
Achthonderd daar en neven.
November was de maand,
De negende der dagen,
Toen als men hier te land,
Een zware storm en zagen.
't Was op een sabbatdag,
Wie zou daar niet van spreken,
Wie zou niet zijn ontsteld,
Wiens harte zou niet breken,
Van een zoo zware storm
In heel ons vaderland?
Een hooge watervloed
Zag men van alle kant.
Veel molens in het land,
En ook veel zware boomen,
Die werden door den wind,
A1 uit den grond genomen.
Veel huizen ingestort
A1 door den fellen wind,
De schuren omgereid,
En 't vee geheel verslind. 1)
De dijken braken ja,
Ook door de zware stroomen,
Die hebben in ons rijk
Veel polders ingenomen.
De schepen in de zee,
Die op de reede lagen,
Die werden door den wind
Van 't anker weggeslagen.
Wat is er menig mensch
Al in den plas gezonken,
Die in den hoogen vloed,
Ook mede zijn verdronken.
Mij dunkt 't is lang genoeg
Van overal geschreven,
'k Wil mij naar ons dorp
van Kruiningen begeven.
En ziet eens wat een ramp
Ons daar is overkomen,
Al door dien zwaren storm
En hoogen watervloed,
De schipper van Hansweert
Die was van hier gaan varen
Al naar de Waardsche kaai
Al door de woeste baren.
't Was niet voor zijn plezier,
Maar 't was voor zijn gezin,
Te werken voor zichzelf
En voor zijn huisgezin.
Maar ziet, het mocht niet zijn,
Het kon hem ook niet baten
Hij was daar op zijn schip,
Hij klom tot in de mast.
Hij riep daar nog om hulp,
Maar dat was hem ontnomen,
Want daar zal niemand meer
Tot zijne redding komen.
Hij riep ook nog tot God,
Maar dat kon hem niet baten:
"Och, ik ellendig mensch,
"Wil mij ter redding wezen."
"O, red mij van den dood.
"O God, wil mij bewaren
"Al in den storm
"En in de woeste baren."
Maar ziet, hij werd zijn macht
In dezen ook ontnomen.
Hij was daar op het Punt
En mocht niet verder komen.
Hij werd van den wind
Op met een slag,
Gerukt al van zijn schip,
En in de zee geplast.
Daar lag hij in de zee,
Tot spijs van al de visschen,
Zijn schip dat was hij kwijt,
Zijn leven moest hij missen.
Maar God door Zijn bestuur,
En door Zijn groote macht,
Die heeft hem uit den vloed,
Weer op het droog gebracht.
Daar lag hij aan den dijk,
Met zooveel wonden groot,
Daar lag die doode romp,
Die voormaals tot God riep,
Daar lag het lichaam ja,
Van Marinus Griep.
1. Bedolven.
De Ierseksche dichteres Maatje van Hoorn verhaalt van de zware storm van 9 November 1800.
Wat zag men in dien tijd,
Toen als men heeft geschreven,
Een duizend mij bekend,
Achthonderd daar en neven.
November was de maand,
De negende der dagen,
Toen als men hier te land,
Een zware storm en zagen.
't Was op een sabbatdag,
Wie zou daar niet van spreken,
Wie zou niet zijn ontsteld,
Wiens harte zou niet breken,
Van een zoo zware storm
In heel ons vaderland?
Een hooge watervloed
Zag men van alle kant.
Veel molens in het land,
En ook veel zware boomen,
Die werden door den wind,
A1 uit den grond genomen.
Veel huizen ingestort
A1 door den fellen wind,
De schuren omgereid,
En 't vee geheel verslind. 1)
De dijken braken ja,
Ook door de zware stroomen,
Die hebben in ons rijk
Veel polders ingenomen.
De schepen in de zee,
Die op de reede lagen,
Die werden door den wind
Van 't anker weggeslagen.
Wat is er menig mensch
Al in den plas gezonken,
Die in den hoogen vloed,
Ook mede zijn verdronken.
Mij dunkt 't is lang genoeg
Van overal geschreven,
'k Wil mij naar ons dorp
van Kruiningen begeven.
En ziet eens wat een ramp
Ons daar is overkomen,
Al door dien zwaren storm
En hoogen watervloed,
De schipper van Hansweert
Die was van hier gaan varen
Al naar de Waardsche kaai
Al door de woeste baren.
't Was niet voor zijn plezier,
Maar 't was voor zijn gezin,
Te werken voor zichzelf
En voor zijn huisgezin.
Maar ziet, het mocht niet zijn,
Het kon hem ook niet baten
Hij was daar op zijn schip,
Hij klom tot in de mast.
Hij riep daar nog om hulp,
Maar dat was hem ontnomen,
Want daar zal niemand meer
Tot zijne redding komen.
Hij riep ook nog tot God,
Maar dat kon hem niet baten:
"Och, ik ellendig mensch,
"Wil mij ter redding wezen."
"O, red mij van den dood.
"O God, wil mij bewaren
"Al in den storm
"En in de woeste baren."
Maar ziet, hij werd zijn macht
In dezen ook ontnomen.
Hij was daar op het Punt
En mocht niet verder komen.
Hij werd van den wind
Op met een slag,
Gerukt al van zijn schip,
En in de zee geplast.
Daar lag hij in de zee,
Tot spijs van al de visschen,
Zijn schip dat was hij kwijt,
Zijn leven moest hij missen.
Maar God door Zijn bestuur,
En door Zijn groote macht,
Die heeft hem uit den vloed,
Weer op het droog gebracht.
Daar lag hij aan den dijk,
Met zooveel wonden groot,
Daar lag die doode romp,
Die voormaals tot God riep,
Daar lag het lichaam ja,
Van Marinus Griep.
1. Bedolven.
Beschrijving
Een gedicht van de Ierseksche dichteres Maatje van Hoorn over de zware storm van 9 novermber 1800. Schipper Marinus Griep verdrinkt als hij toch de woeste baren opgaat om te vissen voor zijn huisgezin.
Bron
J.R.W. en M. Sinninghe: Zeeuwsch sagenboek. Zutphen 1933, p. 263-265
Commentaar
voor 1933
Mededeeling G. D. van Oosten
Naam Overig in Tekst
Waardsche kaai   
Naam Locatie in Tekst
Kruiningen   
Hansweert   
Punt   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
