Hoofdtekst
Een metselaersknecht, die den ganschen dag in een gierigaerts huys hadde gewerckt, quam 's avonds van het heerschap voor sijn dagloon 4 stuyvers eysschen. R. 'Dat sult ghij noyt krijgen, vlegel, wat onfatsoenelijcker eysschen is dat, ghij zijt onbeschoft. ' R. 'Ick doe warachtig niet, Seigneur, ik hebbe vandaeg noch wel bescheydelijck vier moye schoften achtereen gewrocht.'
Beschrijving
Een metselaarsknecht kwam bij zijn gierige opdrachtgever vier stuivers vragen voor zijn dagloon. De gierigaard vond dat echter een onbeschofte eis. Maar de metselaarsknecht vond van niet: hij had die dag vier dagdelen achtereen gewerkt.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20