Hoofdtekst
Sekere vreck hadde een kalis van goed verstand bijster in een saeck van doen, daer sijn leven en welvaeren aen hing. Maer alsoo hij hem voordesen schandelijck uijtgesoopen hadde en van rijck, arm en bijster gemaeckt, was er geen kans om sijn hart te vermurwen als door ongemeene groote schenckagiën en niet minder beloften, die den man weer te paerd hielpen. R. 'Siet ghij nu wel, gierigen beest, wat ghij gedaen hebt? Ghij hebt met dien man gehandelt als men met de kaememelck doet, daer men eerst de boter tot een droppel toe uytkaernt en daernae als men se weer nuttigen wil, wel blij is dat men een goede klomp boter daer in smackt en noch valt se dan soo niet, als se ongekaemt in haer geheel was.'
Beschrijving
Een vrek had een onverstandige man kaalgeplukt. Omdat hij hem nodig had, moest hij hem weer omkopen met grote giften. Een ander sprak hem daarop aan. De vrek was met die man omgegaan als met karnemelk. Eerst karnt men de boter tot de laatste druppel uit, en als men daarna de karnemelk gaat drinken wil men er weer een klont boter in hebben.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20