Hoofdtekst
De heer Adriaen Rosa quam met mij ende de luytenant Ajhggdpgdp (die men seyde nae eenige extorsiën aen boeren in Westphalen gepleegt door braeden, de boerebraeder gedoopt te zijn) van het Hof. Onderweegs quelden wij malkander om te gast te gaen. Ick seyde niet geschaft te hebben. Rosa seyde: 'Ick heb niet als een capoentjen aen ' t spit. ' R. 'Daer is genoeg, noodt ons maer. ' R. 'Wat kan een capoentjen helpen? Hadd'ick een boer aen 't spit, ick liet je niet gaen.'
Beschrijving
Een luitenant had na enige gewelddadigheden de bijnaam boerenbrader gekregen. Met twee andere heren kwam hij van het Hof. Zij spraken met elkaar over eten. Een van de heren zei, dat hij niet meer had dan een kapoentje aan het spit. Als hij nou een boer aan het spit had, zou hij de anderen wel te eten uitnodigen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Ajhggdpgdp staat mogelijk voor Amerongen.
Naam Overig in Tekst
Adriaen Rosa   
Ajhggdpgdp   
Westphalen   
Westfalen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
