Hoofdtekst
Musch en Ripperda raeckten in dispuyt over een werp in 't verkeeren. Ripperda seyde op het lest: 'Jouw verbruyde vischkooperssoon.' 'Ghij Westfaelschen boer', seyde Musch. 'Ick een boer?' seyde Ripperda, 'ick ben een edelman sonder dispuyt. Mijn vader heeft 's jaers meer als 300 varckens geslagen.' 'Dat geloove ick wel', seyde Musch, 'maer met de swiep'.
Beschrijving
Musch en Ripperda krijgen ruzie over een worp tijdens het dobbelen. Ripperda scheldt zijn opponent uit voor zoon van een visboer. Daarop noemt Musch Ripperda een Westfaalse boer. Ripperda geeft aan dat hij een edelman is: zijn vader heeft per jaar meer dan 300 varkens geslagen (geslacht, wat zou betekenen dat hij een grootgrondbezitter is). Daar twijfelt Musch niet aan, maar dan is het wel met de zweep gebeurd (waardoor hij de vader van Ripperda dus een varkenshoeder maakt).
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Musch   
Ripperda   
Westfaals   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
