Hoofdtekst
Doe het Statenleger voor Breda lag, was er dagelijcks sulcken disorder en geckscheeren als de geweldige Pels met sijn rackers aenquam, dat er continueel wierdt geroepen: 'Hap, hap', (quansuys Hapscheerers). Pels quam aen Sijn Hoocheyt prins Frederick Hendrick daerover klaegen, seggende dat hij op sulck fatsoen sijn ampt niet kost waernemen. Sijne Hoocheyt verbood sulck roepen op peene van de galg. Drie dagen nae 't verbodt wierdt het evenwel weer geroepen in het quartier van de heer Van Beverwaerdt. Sijn Hoogheyt wilde met gewelt de man gelevert hebben, maer alsoo sij malkander trouwe hielden, was er niet achter te komen. 'Daer sal evenwel recht op geschien', seyde Sijn Hoogheyt, 'of ick sal geen generael zijn.' Hij liet de schuldige compagnie voor hem komen en om de galg trecken. Het lot viel juyst op een Engelsman van grooten huyse, broeder van een der eerste lords en die de Staten met 15 paerden als voluntair was komen dienen, die het na alle apparentiën niet kon geroepen hebben, eerst omdat sulcx niet gepresumeert [wiert] in een man van sijn geboorte, ten tweeden omdat hij soo nieuw was dat hij noch niet één woordt Duytsch en verstond, daer moest evenwel gehangen sijn. Men vond dan goedt in 't leger te laten uytroepen, dat soo er yemand gevonden wiert, getroost om voor hem te hangen, dat hij soude genieten f l5.000,-. Daer guam één sich aenbieden. Sijne Hoocheyt liet hem versekeren en gaf hem tijt van bedencken, maer siende dat hij onverschrickt daerbij bleef, self doe hij de strop al om sijn hals hadt, gaf hij hem pardon, hem afvragende wat hem soo stout hadde gemaeckt. R. 'De armoe. Ick heb nu 15 jaer soldaet geweest, sonder eenige hoop van avancement. Mijn vrouw en kinderen, 5 in getal, vergaen van honger en ik heb selver niet een duyt, soodat mijn meening was mijself door dit quaet oogenblick uyt de ellende en mijn vrouw en de kinderen in de weelde te setten.' Sijne Hoocheyt, verwondert, seyde: 'Nu komt ghij mij toe, want ick hebbe u het leven gegeven.' Daer geschiede oock geen desperaete actie of hij wiert er na toe gecommandeert, daer hij altoos met sulcken lof vandaen quam, dat hij vendrich en korts daeraen capiteyn wierdt, 'twelck hij oock quaelijck een half jaer was of sijn vrouw met drie kinderen raeckte onder de kluyten, daer hij een rijck houwelijck mee quam te doen. Nu een man van staet sijnde, ging hij overal wel na toe daer hij gecommandeert wierdt, maer niet dat hij er à vive force nae solliciteerde. R. 'Hoe dat soo, capiteyn, ghij plagt een ander man te wesen?' R. 't Is soo, Sijne Hoocheyt, van tevooren was ik mijn leven sat en nu begin ick er eerst vermaeck in te krijgen.'
Beschrijving
Als het Statenleger voor Breda ligt, wordt er dagelijks rumoer gemaakt als Pels (zie opmerkingen) met zijn 'rakkers' (zijn helpers) verschijnt. Men roept dan 'Hap, hap' (van het woord 'Hapscheerders', wat een plagende naam is voor een lagere gerechtsdienaar). Pels onderhoudt zich over deze gang van zaken met Prins Frederik Hendrik, omdat hij meent dat hij zo zijn werk niet kan uitvoeren. Zijn gezag wordt zo ondermijnd. De prins laat aan zijn legers weten dat het verboden is de provoost-generaal nog langer te bespotten op straffe van de galg. Na enkele dagen gebeurt het toch weer en de prins wil de dader. De soldaten dekken elkaar, dus de prins komt er niet achter. Die zet echter door en verzamelt de troep soldaten en laat dan door middel van het lot een schudige aanwijzen. Het lot valt op een Engelsman van voorname afkomst die zich heeft aangemeld als vrijwilliger in het leger. Deze man kan het onmogelijk gedaan hebben, ten eerste omdat dat niet bij zijn voorname afkomst past en ten tweede omdat hij nog geen woord Nederlands kan. Frederik Hendrik vraagt dan om een vrijwilliger die zich wil laten ophangen en als troost f15.000 krijgt. Er biedt zich een man aan, die vastbesloten is zich te laten hangen. De prins vraagt zich af waarom de soldaat zo vastbesloten is. De man geeft aan dat de armoede hem ertoe geleid heeft. Hij heeft geen cent, hij gaat een weinig rooskleurige toekomst tegemoet en zijn vrouw en kinderen lijden honger. Dit vindt hij een prima oplossing: hij uit de ellende en zijn vrouw en kinderen een mooi geldbedrag. Frederik Hendrik is onder de indruk en schenkt hem pardon. In het vervolg van de oorlog is deze soldaat bij elke riskante operatie betrokken en daar vervult hij zijn werk zo goed, dat hij promotie krijgt. Een half jaar na zijn benoeming tot kapitein, verliest hij zijn vrouw en drie van zijn kinderen en trouwt hij opnieuw, met een rijke vrouw. Nu is de armoelijder van weleer plots een welgesteld en belangrijk man. Hij gaat ook nog steeds naar het slagveld als hij daar naartoe gecommandeerd wordt, maar dat gaat niet meer zo van harte. Frederik Hendrik spreekt hem erover aan en vraagt wat er aan de hand is. Hij leek toch uit ander hout gesneden. De tot kapitein gepromoveerde soldaat meldt dan dat hij voorheen het leven zat was, maar dat hij er nu eindelijk eens een beetje plezier in begint te krijgen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Pels: Johan Pels was provoost-generaal, naam voor den drager van een tot 1858 bestaan hebbend ambt, die (...) belast was met het tenuitvoerleggen van sententiën van het Hoog Millitair Gerechtshof. (Woordenboek der Nederlandsche Taal, s.v. provoost.) Deze persoon die deze functie had, zal weinig populair zijn geweest bij de soldaten.
Naam Overig in Tekst
Statenleger   
Johan Pels   
Frederik Hendrik   
Van Beverwaard (Van Beverwaerdt)   
Engelsman   
Duytsch (Nederlands)   
Naam Locatie in Tekst
Breda   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
