Hoofdtekst
Joost hadde wat sijne handen gebesicht onder een anders penningen. R. 'Foey, schaemt u, Joost, te steelen. 't Is een duyvels gebreck.' R. 'Ghij segt de waerheyt en kijft met recht, ick steeck vol gebreecken, maer het grootste gebreck van allen dat ick hebbe, daer spreeckt gij noyt van en nochtans is het de moeder van alle mijne andere gebrecken.' R. 'Wat hebt gij dan voor een gebreck?' R. 'Ick heb geldgebreck.'
Beschrijving
Joost heeft zich te goed gedaan aan het geld van iemand anders. Hij krijgt een vermaning: het is een duivels gebrek, aldus degene die hem aanpakt. Joost geeft het toe en hij vindt het ook terecht dat hij wordt vermaand en vindt zelf dat hij vol gebreken zit. Hij merkt echter ook op dat degene die hem vermaant, hem nooit aanspreekt op het grootste gebrek dat hij heeft en dat de moeder is van al zijn andere gebreken. Op de vraag van de ander wat dat dan is, antwoordt Joost: 'Geldgebrek.'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Joost   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
