Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

OVER0894

Een mop (boek), derde kwart 17e eeuw

Hoofdtekst

Robbert, een droncke schilder, eens op een avond thuys komende, vond sijn wijf naer uyterlijcken schijn seer sieck van het colyck. Sij badt hem dat hij doch al sijn best nae een doctor soude gaen, maer hij, droncke en de straet wyt van sijn huys en een half uyr lang daer de doctor woonde, en daerenboven een stortregen sijnde, excuseerde sich dapper. Maer de vrouw insisteerde noch harder, seggende dat dit misschien haer laeste bede sonde sijn, ende dat sij sich niet konde inbeelden, dat hij haer dit weygeren soude, dat hij maer vrij soude uytgaen, dat haer nichjen haer ondertusschen wat handreycking soude doen en soo het was na de eene of d'andere hoer te gaen, dat hij dan geen uytstel soude soecken etc. Hij sich overtuygt vindende, trock heen met een slonsjen in sijn handt en een swaermoedigen regenmantel om sijn ooren, maer als hij na lang lopens in de rechte straet quam, kost hij nergens terechtraecken, alsoo het nacht was ende alle de huysen geslooten, de straet groot en lang, en de doctor, aen die hem noch open deden, onbekent. Hij hadde 3 uyren lang gesogt als hij tot de huyt toe doorregent, weder nae sijn huys toekeerende met sijn kaersjen in de pijp brandende voor sijn stoep komende, alwaer hij soo groeten verandering vond dat hij sich inbeelde te droomen, want daer was een nieuwe deur gekomen, een fortuyn voor een uythangbort, een krans, het huys vol volck en musikanten etc. Hij resolveert evenwel aen te kloppen. Men doet op, maer men seyt datter geen plaets voor hem is. R. 'In mijn eygen huys niet?' R. 'Schijt jouw eygen huys. Gaet hier vandaen, je bent droncken.' Hij klopte weer aen. Doe wierden hem besemstocken belooft. Hij meende dol te worden, maer wat raedt, hij moest marcheeren. Hij klopte sijn buyren op, die oock seyden hem niet te kennen, maer dat men in dat huys, 'twelck hij het sijne noemde, wel ses jaer hadde herberg gehouden. Hij ging ongetroost om sich te droogen, ergens onder dack en ochtens voor dach en voor douw nae sijn wijfs twee ooms aen dewelcke hij de historie vertelde en nam haer mede om haer alles te laeten sien. Maer aen sijn huys komende vond hij alles in sijn oude ploy. De ooms waeren seer hiervan verbaest. Soo dede oock Robbert. Men klopte. Men raeckte in huys daer de vrouw sich geliet dootsieck te sijn en begon Robbert wacker uyt te funssen, seggende dat hij met sijn droncke gadt bij sijn hoeren nootsaeckelijck moeste geweest sijn, hoe anders sijn kleeren soo droog souden komen etc. Hij seyde dat hij se in een kroegje gedroogt hadt, doordien hij uyt sijn eygen huys geslooten wierde en het regende of het met backen gegoten wiert. Maer sijn praetjes hielpen niet. Hij haelde de buyren, maer die vielen hem oock tegen en seyden hem dien nacht niet gesien te hebben, maer dat sij sijn krancke vrouw in haer uyterste noot bewaeckt hadden. In somma, hij hadde ongelijck. Hij viel op sijn kniën, badt om vergiffenis, ende beloofde sich noyt droncken te drincken.

Beschrijving

Robbert, een dronken schilder, komt op een avond thuis en vindt zijn vrouw in een schijnbare doodzieke toestand vanwege koliek. Zij smeekt hem zo snel mogelijk een dokter te gaan halen, maar daar heeft hij niet zoveel zin in. Hij is dronken, moet een half uur lopen voor die dokter en het regent dat het giet. Zijn vrouw blijft echter aandringen, wellicht is dit haar laatste verzoek aan hem. Zij kan zich niet voorstellen dat hij haar dit weigeren zal; als het in zijn eigen kraam te pas zou komen zou hij wel de deur uitgaan etc. Robbert laat zich vermurwen en gaat op pad. Na lang lopen vindt hij inderdaad de straat waar hij zijn moet, maar hij heeft geen idee waar hij precies moet zijn. Alle huizen zijn donker en de dokter is bij de mensen die opendoen, niet bekend. Hij zoekt drie uren lang, als hij uiteindelijk onverrichter zake naar huis keert. Als hij op de stoep staat van zijn huis, bemerkt hij plots grote veranderingen. Er zit een nieuwe voordeur in, er hangt een groot uithangbord en het huis zit vol muzikanten en ander volk. Als hij aanklopt, krijgt hij te horen dat er geen plaats meer is. Robbert reageert verbaasd: in zijn eigen huis niet? Hij wordt weggejaagd, men denkt dat hij dronken is. Desalniettemin klopt Robbert nog een keer aan en dan krijgt hij dreigementen naar zijn hoofd. Hij wekt zijn buren, maar die kennen hem ook niet. Die geven bovendien aan dat in het huis dat hij voor het zijne houdt, al zes jaar een herberg zit. Hij zet het maar op een lopen en zoekt onderdak. 's Ochtens begeeft hij zich naar twee ooms van zijn vrouw die hij de hele geschiedenis uitlegt en meeneemt om alles te laten zien. Eenmaal bij zijn huis aangekomen vindt hij alles bij het oude. Dat verbaast Robbert, maar ook de twee ooms. Eenmaal in huis blijkt de vrouw aan de beterende hand en zij laat haar man in niet mis te verstane bewoordingen weten wat zij van hem vindt; hij zal wel bij de hoeren gezeten hebben. Als hij aangeeft dat hij ze in een kroegje gedroogd heeft omdat hij zijn eigen huis is uitgezet terwijl het regende dat het goot. Van dat verhaal gelooft de vrouw helemaal niets. Als Robbert zijn buren als getuigen wil opvoeren, blijken die van het hele geval ook niets te weten, sterker nog, die hebben bij zijn doodzieke vrouw gezeten. Uiteindelijk heeft hij dus ongelijk. Hij valt dan op zijn knieën, smeekt om vergeving en zweert zich nooit meer te bezatten.

Bron

Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.

Commentaar

Derde kwart zeventiende eeuw

Naam Overig in Tekst

Robbert    Robbert   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20