Hoofdtekst
Een student, die seer gaerne geback at, quam in een gaerkeucken en vroeg na wat eeten. De kock sette hem gestooft en gebraden voor. R. 'Ick vraeg niet veel na die kost, hospes, hebt gij niet wat gebackens?' R. 'Wat bruyt mijn dese vent, ghij komt wel te pas, flus is mijn hembd aen mijn gat gebacken.'
Beschrijving
Een student die graag gebak eet (lekkernijen als pastijen en banket), komt in een gaarkeuken en vraagt daar om wat eten. De kok geeft hem gestoofd en gebraden voedsel voor. De student geeft aan dat hij daar eigenlijk niet zo op gesteld is en vraagt of de gastheer niet wat aan gebakken eten voor hem heeft. De kok is verbaasd en vraagt zich af wat dit voor snuiter is. Hij laat weten dat de student precies op tijd is: zojuist is het hemd van de kok aan zijn achterwerk gebakken.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20