Hoofdtekst
Drie vrouwtjes, niet vies, discoureerden metten anderen. 'Ick heb nu soo dickwels', sey de eerste, 'de mans na haer voorhooft gekeecken, maer ick verklaer u dat ick er mijn leven geen hoornen gesien hebbe.' R. 'Dat geloof ick wel, malloote, daer komen se niet uyt, men moet se in de neck soecken.' R. 'Daer heb ick mijn man noch noyt bevoelt, noch bekeecken.' R. 'Ick bij mijn onderziel oock niet, maer ick wist niet hoe duyvel dat het quam dat sijn beffen altoos achter soo gesleeten waeren.'
Beschrijving
Drie vrouwen, die geen been zien in overspel, zijn met elkaar in gesprek. Een van de vrouwen zegt, dat ze nu al heel regelmatig naar het voorhoofd van haar man heeft gekeken, maar dat ze daar nog nooit hoornen gezien heeft. Een ander corrigeert haar: 'Malloot, je moet ze ook in de nek zoeken.' Daar heeft de vrouw gevoeld noch bekeken. De vrouw die het zo goed weet ook niet, maar zij heeft geen andere verklaring: 'Ik weet niet waarom voor de duivel zijn beffen juist daar altijd zo versleten zijn.'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Als de vrouw overspel pleegde, werd er van de man gezegd dat hij een hoorndrager was, of dat hij de hoorns opgezet kreeg. (Zie verder Woordenboek der Nederlandsche Taal, s.v. hoorn (dl. VI, 1091).)
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20