Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

OVER0973

Een mop (boek), derde kwart 17e eeuw

Hoofdtekst

Eenige geesten gingen in een herberge daer de waert de reputatie hadde van water in sijn wijn te gieten. Sij eysschen een kanne wijn van de beste. Die bekomende stroyden sij wat kroos, die sij expres mede genomen [hadden], in de kan en riepen de waert om eens te schencken. Soo haest hij begon quam dit kroos oock in 't glas. 'Hoe', seyden sij, 'hospes, die blaederkens hebben wij wel in 't waeter, maer niet in de wijn sien groeyen.' De waert ging beschaemt ter kamer uyt. Sij volgden hem soetjes achterna en hoorde dat hij tegen sijn meyt begost te kijven en seijde onder anderen: 'Jou hoer, heb ik u niet altoos scharp belast dat ghij wel voor u souwt sien en schoon water op de wijn gieten.'

Beschrijving

Een paar kerels gaan naar een herberg. De waard van de herberg heeft de naam water bij zijn wijn te doen. De mannen vragen aan de waard een kan van zijn beste wijn. Als ze die hebben gekregen, strooien ze wat kroos - wat ze speciaal voor dit doel meegenomen hebben - in de kan. Dan roepen ze de waard om nog eens in te schenken en zodra hij dat doet, glijdt er kroos mee de bekers in. Meteen reageren de mannen en zeggen dat ze deze 'bladerkens' wel op het water, maar nooit op wijn hebben zien groeien. Gegeneerd gaat de waard de kamer uit, waarbij hij gevolgd wordt door de vrienden. Zij horen dan dat hij tegen zijn meid uitvaart en haar uitscheldt. Ze vangen onder meer het volgende op: 'Heb ik je niet altijd op het hart gedrukt dat je goed op moet letten en schoon water bij de wijn moet gieten?'

Bron

Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.

Commentaar

Derde kwart zeventiende eeuw

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20