Hoofdtekst
Westerschouwen, Westerschouwen, het zal u berouwen
Lang geleden was Westerschouwen op Walcheren [lees; Schouwen-Duiveland] een groote visschershaven,welks schepen trotsch de Noordzee bevoeren; zij brachten rijke lading mede, iederen keer, dat ze de haven hadden verlaten, en de visschers werden overmoedig door hun welvaart, wreed en spotziek van nature. Zij meenden, dat geen haven aan de hunne gelijk was, en ze gevoelden zich als trotsche heerschers, die met harde voetstappen over de aarde schrijden.
"Wie is er gelijk aan de visschers van Westerschouwen?" dachten ze.
Eens waren ze er weder uitgegaan, en hun netten deden zij in zee
zinken. Het duurde niet lang, of men haalde een der netten op, en
men vond een mooie zeemeermin, die smeekte, dat men haar weer zou
loslaten. Doch de hoogmoedige schippers lachten slechts en ze togen
naar Westerschouwen terug, om hun vangst te toonen. Nimmer, naar hun heugenis, hadden visschers zulk een wonderlijke buit medegevoerd,
en hun dronken hoogmoed deed hen lachen om de smart der blanke vrouw.
"Laat me gaan," zoo riep zij in vertwijfeling, "visschers van
Westerschouwen, en ge zult gezegend zijn."
Een andere stem kwam uit de zee, en hoewel ze zwaarder was van toon,
klonk ze als de echo van haar schaamte en haar leed. Men zag buiten
boord, en weder lachte men, gelijk sterke mannen kunnen lachen,
die zwakken mishandelen.
"Het is de zeemeerman," riep men elkaar van de schepen toe, "hij
zwemt met zijn kind in de armen."Groen zijn de haren van de zeemeerman, en gelijk golven, opgeslagendoor den Westwind (als er geen zonlicht is over de zee), vloeienze groen over zijn schuimwitten rug. Het gelaat is bruin van kleur,als een stuk hout, dat veel dagen in zee heeft gedreven, en de baard
warrelt er in groene striemen omheen en over.
Het kindje, dat hij in zijn armen droeg, was blank van kopje, rug en
beentjes, en het spartelde al aardig mede. Naar haar beide liefsten
strekte de zeemeervrouw haar armen uit."O!" riep hij weenend, "geef me haar terug, want we waren gelukkig,booze visschers. Wat moet zij bij u doen? Ze zal zeker bij u sterven."
Geen der wreede menschen antwoordde, en men zeilde de haven
tegemoet. De zeemeerman vroeg niets meer, telkens dook hij naar boven,
en hij zag alleen maar naar het wijfje, dat bijkans stervende was,
en dat hem met haar oogen, reeds omfloerst door den nevel des Doods,
trachtte te onderscheiden van zeeschuim en golven.
Dat was een groot gejuich, waarmede de Visschers aan wal sprongen! Een
hunner tilde het net hoog, waarin het zeemeerwijfje gevangen was,
en hij liet het beschouwen door de dwaas-gierende vrouwen en de
verwonderde kinderen. De zeemeerman echter, die nu zeker wist, dat
men haar niet uit kortswijl hield, zwom tot dicht bij het strand,
en zijn armen strekte hij naar uit, verlangende en vertwijfelende.
"In 't riet is ons huis, van schelpen gebouwd, die wij hebben verzameld
schelp voor schelp. Haar laatste gedachte zal aan 't huis zijn, en
wilt gij haar doen sterven dichtbij uw donkere aarde? Hebt erbarmen."
De vrouwen en de mannen lachten, en ze gevoelden hun macht. Voor
teederheid was geen plaats in Westerschouwen, en men bond het net
aan den watertoren.
Men zag, hoe de meerman tot vlak bij de haven kwam, en zich zoo hoog
oprichtte, als hij kon. Men hoopte, dat hij nog eens zou smeeken om
't leven zijner vrouw. Doch hij zweeg en leed haar doodsstrijd mede,
en 't was voor hem, wat voor een mensch het stroomen van bloed uit
een slagader is. Voor haar werd de lucht nevel, en die nevel naderde
snel. Ten laatste moest ze er de oogen gansch voor sluiten, en ze
stierf met de gedachte aan 't schelpenhuis in het riet. Hij zag haar
sterven, en strekte zijn armen naar haar uit. Zijn leed was zijn toorn,
en zijn toorn zijn leed; één waren ze in zijn ziel.
Nog verder zwom hij in de haven, tot vlak bij de kust. Alle inwoners
der machtige stad waren tezamen aan het strand, want allen wilden
hun lachlust aan zijn smart verzadigen.
Welke wapens droeg de zeemeerman in zijn handen? Vuur om te verdelgen, golven om te verzwelgen? Zwaard om te houwen, spies om te schieten, bijl om te hakken?
Arme, arme zeemeerman! De menschen konden vrij uit met hem spotten. Ze hadden hem niet te vreezen. Ze wezen naar hem met hun vingers, en schaterden.
Hij stoorde zich niet aan hun hoon. Hij had wapens in de hand, welks
macht en geweld de menschen van Westerschouwen nog niet kenden. Even was hij in zee gedoken, en boven gekomen met wier en met zand, dat de wegen naar de zee afsluit. Waar gisteren nog schepen konden varen, keert morgen het zachte zand en het vleiend wier iedere boot.
De zeemeerman tilde zijn handen in de hoogte, en deed het zand en
het wier vallen in geulen en ondiepten. Daarbij zong hij:
"Westerschouwen, Westerschouwen,
Het zal u berouwen,
dat ge genomen hebt mijne vrouwe ....
Westerschouwen zal daarom vergaan,
de toren alleen zal blijven staan."
Langzaam zwom hij weg, om alleen te treuren in zijn schelpenhuisje,
en niet keerde hij naar Westerschouwen terug. Maar het zand en het
wier deden hun stillen en onstuitbaren intocht, winden en stormen en
golven dreven het op, tot het de schepen omsloot met worgend geweld.
Toen vloden de menschen uit hun huizen, en het zand stoof op het
strand. Het drong op, millioenen van korrelen, het omwoei, het omstoof
de woningen, het legde zich in de straten terneder. Als door den
storm een dak inviel, boog het zand zich hoog, en stortte door de
opening naar beneden. Zoo een drempel vermolmde, een deur uit zijn
scharnieren werd gedraaid, warrelde het in de kamers en keukens, en
het dekte den vloer. Het werd hooger en hooger, het klom op tegen
de wanden, het drong zich in de spleten, 't maakte hout en ijzer
zwak. Als eindelijk een huis instortte, viel dit in een hoop mullen
grond, en het verzonk als een lichte last.
Het zand kwam niet, waar de toren stond. De toren werd gespaard,
terwijl de stad dieper en dieper daalde. Wel woei het stof even om
zijn steenen, doch deze schenen het terug te kaatsen tot daar, waar
de huizen begonnen.
Lang geleden was Westerschouwen op Walcheren [lees; Schouwen-Duiveland] een groote visschershaven,welks schepen trotsch de Noordzee bevoeren; zij brachten rijke lading mede, iederen keer, dat ze de haven hadden verlaten, en de visschers werden overmoedig door hun welvaart, wreed en spotziek van nature. Zij meenden, dat geen haven aan de hunne gelijk was, en ze gevoelden zich als trotsche heerschers, die met harde voetstappen over de aarde schrijden.
"Wie is er gelijk aan de visschers van Westerschouwen?" dachten ze.
Eens waren ze er weder uitgegaan, en hun netten deden zij in zee
zinken. Het duurde niet lang, of men haalde een der netten op, en
men vond een mooie zeemeermin, die smeekte, dat men haar weer zou
loslaten. Doch de hoogmoedige schippers lachten slechts en ze togen
naar Westerschouwen terug, om hun vangst te toonen. Nimmer, naar hun heugenis, hadden visschers zulk een wonderlijke buit medegevoerd,
en hun dronken hoogmoed deed hen lachen om de smart der blanke vrouw.
"Laat me gaan," zoo riep zij in vertwijfeling, "visschers van
Westerschouwen, en ge zult gezegend zijn."
Een andere stem kwam uit de zee, en hoewel ze zwaarder was van toon,
klonk ze als de echo van haar schaamte en haar leed. Men zag buiten
boord, en weder lachte men, gelijk sterke mannen kunnen lachen,
die zwakken mishandelen.
"Het is de zeemeerman," riep men elkaar van de schepen toe, "hij
zwemt met zijn kind in de armen."Groen zijn de haren van de zeemeerman, en gelijk golven, opgeslagendoor den Westwind (als er geen zonlicht is over de zee), vloeienze groen over zijn schuimwitten rug. Het gelaat is bruin van kleur,als een stuk hout, dat veel dagen in zee heeft gedreven, en de baard
warrelt er in groene striemen omheen en over.
Het kindje, dat hij in zijn armen droeg, was blank van kopje, rug en
beentjes, en het spartelde al aardig mede. Naar haar beide liefsten
strekte de zeemeervrouw haar armen uit."O!" riep hij weenend, "geef me haar terug, want we waren gelukkig,booze visschers. Wat moet zij bij u doen? Ze zal zeker bij u sterven."
Geen der wreede menschen antwoordde, en men zeilde de haven
tegemoet. De zeemeerman vroeg niets meer, telkens dook hij naar boven,
en hij zag alleen maar naar het wijfje, dat bijkans stervende was,
en dat hem met haar oogen, reeds omfloerst door den nevel des Doods,
trachtte te onderscheiden van zeeschuim en golven.
Dat was een groot gejuich, waarmede de Visschers aan wal sprongen! Een
hunner tilde het net hoog, waarin het zeemeerwijfje gevangen was,
en hij liet het beschouwen door de dwaas-gierende vrouwen en de
verwonderde kinderen. De zeemeerman echter, die nu zeker wist, dat
men haar niet uit kortswijl hield, zwom tot dicht bij het strand,
en zijn armen strekte hij naar uit, verlangende en vertwijfelende.
"In 't riet is ons huis, van schelpen gebouwd, die wij hebben verzameld
schelp voor schelp. Haar laatste gedachte zal aan 't huis zijn, en
wilt gij haar doen sterven dichtbij uw donkere aarde? Hebt erbarmen."
De vrouwen en de mannen lachten, en ze gevoelden hun macht. Voor
teederheid was geen plaats in Westerschouwen, en men bond het net
aan den watertoren.
Men zag, hoe de meerman tot vlak bij de haven kwam, en zich zoo hoog
oprichtte, als hij kon. Men hoopte, dat hij nog eens zou smeeken om
't leven zijner vrouw. Doch hij zweeg en leed haar doodsstrijd mede,
en 't was voor hem, wat voor een mensch het stroomen van bloed uit
een slagader is. Voor haar werd de lucht nevel, en die nevel naderde
snel. Ten laatste moest ze er de oogen gansch voor sluiten, en ze
stierf met de gedachte aan 't schelpenhuis in het riet. Hij zag haar
sterven, en strekte zijn armen naar haar uit. Zijn leed was zijn toorn,
en zijn toorn zijn leed; één waren ze in zijn ziel.
Nog verder zwom hij in de haven, tot vlak bij de kust. Alle inwoners
der machtige stad waren tezamen aan het strand, want allen wilden
hun lachlust aan zijn smart verzadigen.
Welke wapens droeg de zeemeerman in zijn handen? Vuur om te verdelgen, golven om te verzwelgen? Zwaard om te houwen, spies om te schieten, bijl om te hakken?
Arme, arme zeemeerman! De menschen konden vrij uit met hem spotten. Ze hadden hem niet te vreezen. Ze wezen naar hem met hun vingers, en schaterden.
Hij stoorde zich niet aan hun hoon. Hij had wapens in de hand, welks
macht en geweld de menschen van Westerschouwen nog niet kenden. Even was hij in zee gedoken, en boven gekomen met wier en met zand, dat de wegen naar de zee afsluit. Waar gisteren nog schepen konden varen, keert morgen het zachte zand en het vleiend wier iedere boot.
De zeemeerman tilde zijn handen in de hoogte, en deed het zand en
het wier vallen in geulen en ondiepten. Daarbij zong hij:
"Westerschouwen, Westerschouwen,
Het zal u berouwen,
dat ge genomen hebt mijne vrouwe ....
Westerschouwen zal daarom vergaan,
de toren alleen zal blijven staan."
Langzaam zwom hij weg, om alleen te treuren in zijn schelpenhuisje,
en niet keerde hij naar Westerschouwen terug. Maar het zand en het
wier deden hun stillen en onstuitbaren intocht, winden en stormen en
golven dreven het op, tot het de schepen omsloot met worgend geweld.
Toen vloden de menschen uit hun huizen, en het zand stoof op het
strand. Het drong op, millioenen van korrelen, het omwoei, het omstoof
de woningen, het legde zich in de straten terneder. Als door den
storm een dak inviel, boog het zand zich hoog, en stortte door de
opening naar beneden. Zoo een drempel vermolmde, een deur uit zijn
scharnieren werd gedraaid, warrelde het in de kamers en keukens, en
het dekte den vloer. Het werd hooger en hooger, het klom op tegen
de wanden, het drong zich in de spleten, 't maakte hout en ijzer
zwak. Als eindelijk een huis instortte, viel dit in een hoop mullen
grond, en het verzonk als een lichte last.
Het zand kwam niet, waar de toren stond. De toren werd gespaard,
terwijl de stad dieper en dieper daalde. Wel woei het stof even om
zijn steenen, doch deze schenen het terug te kaatsen tot daar, waar
de huizen begonnen.
Onderwerp
SINSAG 0031 - Die Prophezeiung des Meerweibes   
Beschrijving
Vissers vangen een zeemeermin, ze smeekt hen haar terug te werpen in zee, maar zij geven hieraan geen gehoor. Daarna smeekt haar zeemeerman, met een kindje op zijn arm om het leven van zijn vrouwe, maar ook naar zijn smeekbede luisteren zij niet.
Bron
Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p.67
Commentaar
Cohen vergist zich in de locatie van Westenschouwen; dit lag niet op Walcheren maar op Schouwen-Duiveland.
WESTERSCHOUWEN, WESTERSCHOUWEN, HET ZAL U BEROUWEN (blz. 67-71). Wordt
in vele sagenboeken aangetroffen. De overlevering is zóó algemeen
bekend, dat men niet kan nagaan, of ze inderdaad nog "leeft" of niet.
Merkwaardig is het, dat hier zoowel een zeemeerman als een zeemeermin
een rol in spelen. De wijze, waarop de verzanding van Westerschouwen
verklaard wordt, is zuiver-legendarisch.
Schrijnen zegt: "de watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen
en meerminnen. Zij bezitten de proteusnatuur en de gave der
voorspelling. Want men 's avonds langs het water, dan hoort men veelal
haar stem. Vaak ook weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille
van den nacht en trachten zij de menschen in 't verderf te storten."
In 1892 heeft men nog volgens mededeeling van visschers te Southside,
Deernes, op het Schotsche eiland Orkney een meermin gezien, 6 à 7
voeten lang, met zwart hoofd, overigens wit.
Dit is een der zeemeerminnen van den modernen tijd. Of ze nog in het
Nederlandsch volksgeloof bestaan, heb ik niet kunnen constateeren. Het
schijnt mij onwaarschijnlijk.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
in vele sagenboeken aangetroffen. De overlevering is zóó algemeen
bekend, dat men niet kan nagaan, of ze inderdaad nog "leeft" of niet.
Merkwaardig is het, dat hier zoowel een zeemeerman als een zeemeermin
een rol in spelen. De wijze, waarop de verzanding van Westerschouwen
verklaard wordt, is zuiver-legendarisch.
Schrijnen zegt: "de watergeesten bij uitstek zijn wel de nixen
en meerminnen. Zij bezitten de proteusnatuur en de gave der
voorspelling. Want men 's avonds langs het water, dan hoort men veelal
haar stem. Vaak ook weerklinkt haar verlokkend gezang in het stille
van den nacht en trachten zij de menschen in 't verderf te storten."
In 1892 heeft men nog volgens mededeeling van visschers te Southside,
Deernes, op het Schotsche eiland Orkney een meermin gezien, 6 à 7
voeten lang, met zwart hoofd, overigens wit.
Dit is een der zeemeerminnen van den modernen tijd. Of ze nog in het
Nederlandsch volksgeloof bestaan, heb ik niet kunnen constateeren. Het
schijnt mij onwaarschijnlijk.
Opmerkingen overgenomen uit: Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918.
Naam Overig in Tekst
Westwind   
Naam Locatie in Tekst
Westerschouwen   
Walcheren   
Noordzee   
Schouwen-Duiveland   
Plaats van Handelen
Westenschouwen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
