Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

COHEN039 - Van eenen ridder.

Een legende (boek), 1918

Hoofdtekst

Van eenen ridder

Er was eens een ridder, die woonde aan den heirweg, ineen
grootkasteel. Allen, die zijn slot voorbijreden, beroofde hij en deed
hij lijden, zonder barmhartigheid, maar alle dagen groette hij Maria,
de moeder Gods, met een oratie, die begint aldus:

"O! intemerata et in eternum."

Het was iederen dag, dat hij deze oratie zeide, om te loven Maria,
de moeder Gods.

"O! intemerata et in eternum."

Eens reed een heilig man het kasteel voorbij. De knechten kwamen,
om hem te berooven.

De heilige man wendde zijn gelaat tot hem en smeekte:

"Och! breng mij bij uwen heer--want ik heb iets met hem te bespreken,
dat hij nog niet weet."

De knechten beraadslaagden onder elkander, en driftige woorden spraken
zij wederzijdsch, het eene deel schreeuwend, dat zij den gevangene
zouden dooden, het andere, dat zij hem zouden voeren tot den ridder,
hunnen heer. Ten slotte werden zij, die den moord eischten, angstig,
want wat zou de ridder zeggen, als zij den heiligen man niet alle
dingen deden belijden, welke hij wist? Ze dreven hem voor hun heer,
en die vroeg, wat de heilige man verlangde.

"Doet allen, die in dit huis wonen, tezamen komen, want ik wil u iets
verkonden, dat u tot heil zal zijn."

De ridder peinsde, langen tijd. Hij strekte eindelijk zijne handen
uit, en beval, dat zij allen zouden komen, oud en jong, voornaam
en arm, ze zouden allen komen, vrouw en maagd en man en jongeling,
ze zouden allen komen, de minstreel, die juist op het kasteel was,
en de zwijnenhoeder, ze zouden allen komen, onmiddellijk, zooals zij
gekleed waren, midden-uit hun doening.

Ze kwamen, en ze stelden zich om den ridder en den heiligen man.

De monnik zag hen aan, één voor één, als wilde hij ieders gedachten
weten. Toen riep hij met vreeselijke stem:

"Één van allen ontbreekt. Doet hen allen komen, heb ik gezegd."

Verwonderd antwoordde de ridder:

"Zij zijn hier allen, allen."

De heilige man echter ging voort:

"Beziet het wel! Iemand uwer ontbreekt."

Één der knechten peinsde; en zeide plotseling:

"Heer! uw kamerheer is niet hier."

De ridder was verwonderd, keek om zich heen, en sprak vervolgens
toornig:

"Voorwaar, ik wist niet, dat hij zoo ongehoorzaam was. Gaat heen,
en doet hem komen."

De kamerheer trad in de zaal, doch niet als een gewoon mensch. Zijn
gelaat was vertrokken als van een gek, en hij schreide en schreeuwde.

De monnik ging naar hem toe.

"Ik bezweer u bij onzen Heer, Jezus Christus," zoo zeide hij, "dat
gij hier zegt, wie gij zijt."

De man sloeg zijne oogen neer, wrong zijne handen, en hij antwoordde:

"Ik moet de waarheid zeggen, tegen mijnen wil, ik ben geen mensch, maar
ik ben de duivel. De gedaante van een mensch heb ik aangenomen. Ik
heb hier dertien jaar gewoond, want mijn vorst heeft mij hierheen
gezonden, opdat ik met ijver zou wachten den dag, dat deze ridder
Maria niet zou groeten:

"O! intemerata et in eternum."

Want dan zou ik--als hij zijn oratie niet zou hebben gesproken--de
macht hebben gehad, om hem te dooden, en ter helle zou ik hem hebben
gevoerd--"

Hij zweeg. Met boosaardige stem vervolgde hij toen:

"Maar nooit heeft hij dat verzuimd, om te zeggen:

"O! intemerata et in eternum,"

en wijl hij dit nimmer verzuimde, had ik geen macht over hem, en ik
mocht hem niet dooden, en niet ter helle doen varen."

Nadat de ridder dit had gehoord, werd hij angstig, daar een zoo groot
gevaar had gedreigd. Hij viel op zijn knieën neer voor den heiligen
man en hij smeekte hem om genade. Hij verlangde zijn leven te beteren.

De monnik richtte zich recht en strekte zijn hand uit. Hij beval
den duivel:

"In naam van onzen Heer Jezus Christus, ga van hier. Doet nimmer meer
een mensch kwaad, die Maria, de Moeder Gods dient."

Toen scheidde de duivel, en van hem bleef niets dan stank.

Onderwerp

TM 5001 - Heilige (Maria) brengt redding of genezing (na religieuze belofte)    TM 5001 - Heilige (Maria) brengt redding of genezing (na religieuze belofte)   

Beschrijving

Er was eens een ridder die woonde in een groot kasteel. De ridder beroofde iedereen die zijn kasteel passeerden. Maar hij bad ook elke dag tot Maria. Op een dag passeert een heilige het kasteel. Als de knechten van de heer hem willen doden, gebiedt hij hen hem mee te nemen naar hun heer. Bij de heer aangekomen vraagt hij de heer al zijn dienaren bijeen te roepen. Allen kwamen en stelden zich op rond de ridder en de geestelijke. Echter een der dienaren ontbreekt, de kamerheer. Als deze wordt gehaald, blijkt dat hij geen mens is maar een dienaar van de duivel. Hij bekent dat hij naar de ridder is gezonden om deze mee te nemen naar de hel, op de dag dat hij zijn oratie aan Maria vergeet. De ridder die besefte in welk gevaar hij verkeerde smeekt om genade en wil zijn leven beteren. De dienaar van de duivel werd weggestuurd en van hem bleef niets over dan stank.

Bron

Cohen, Josef. Nederlandsche Sagen en Legenden. Zutphen, 1918. p. 252

Commentaar

1918
Heilige (Maria) brengt redding of genezing (na religieuze belofte)

Naam Overig in Tekst

Maria    Maria   

God    God   

Duivel    Duivel   

Jezus Christus    Jezus Christus   

moeder Gods    moeder Gods   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20