Hoofdtekst
Een droogscheerder in het hartje van de winter, 's ogtens ten 5 uijren na sijn werck gaende, kreeg grooten achterlast. Hij retireerde sigh op een gemeen sekreet en in den duyster nae een schoon plaetsjen voelende, sloeg hij sijn hant in een half gedroogden dreck. Hij wilde dit afslingeren, maer sloeg sijn kneuckels soo jammerlijck tegens de plancken, dat hij se onversiens, om dat tintelen te doen vergaen in sijn mont te warmen bragt.
Beschrijving
Een arbeider in de wolindustrie gaat midden in de winter rond 05.00 uur naar zijn werk. Hij krijgt opeens aandrang om zijn behoefte te doen en zoekt een openbare gelegenheid op. In het donker voelt hij naar een schoon plekje waar hij zijn gang kan gaan, maar daarbij veegt hij zijn hand door een daar al aanwezige en half opgedroogde drol. Hij wil zich daar met een handzwaai van ontdoen, maar daarbij slaat hij zijn hand tegen de muur. Om het tintelen te doen verminderen en zijn hand weer op te warmen, stopt hij in een reflex zijn hand in zijn mond.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Droogscheerder: een arbeider in de wolindustrie. Deze arbeider scheert de ruwe haren van het laken op gelijke hoogte. [Zie ook Woordenboek der Nederlandsche Taal, s.v. droogscheeren en droogscheerder.]
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20