Hoofdtekst
Soo als Saqua met sijn ondertroude bruyt 3 dagen vor de bruyloft ging wandelen, seyde hij: 'Ik heb noch yets op mijn hart, dat ik u noyt geopenbaert hebbe en omdattet u naderhant niet vreemt soude voorkomen en eenige onlusten veroorsaecken, hebbe ik goet gevonden u hetselve te kennen te geven. Ik heb in mijn jeugt soo hier en daer wat gepopt, datter eyndelijck een jonge soon is voor den dagh gekomen, die nu ontrent 7 jaer out is en tot mijne kosten wort groot gemaeckt. Ik bidde, dat gij u daer niet over vertoornt, etc.?' R. 'Mij daerover vertoornen? Ter contrary, ick verheuge mij ten hoogsten, want nu isser gelegentheyt om dubbelde vrientschap te maken, alsoo ik een soet dogtertje hebbe, dat nu in haar 5e jaer gaet. Soo gij het goet vind, kan dat te sijner tijt een soet paertje worden.'
Beschrijving
Saqua gaat met zijn aanstaande vrouw uit wandelen en doet haar dan een bekentenis. Uit zijn wilde jaren heeft hij een nu zevenjarige zoon overgehouden die nu op zijn kosten wordt opgevoed. Hij smeekt haar niet boos te worden, maar de reactie van de vrouw is nogal onverwacht: zij is juist verheugd. Zij blijkt een schattig dochtertje te hebben van een jaar of vijf. Als haar aanstaande man ermee instemt, kunnen ze te zijner tijd een prachtig paartje vormen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Saqua   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
