Hoofdtekst
Koning Radboud.
Koning Radboud was een machtig koning, die
langen tijd tegen den God der Christenen streed,
maar de God der Christenen had flinke soldaten,
en een generaal, die Carolus Martellus heette. Koning
Radboud kon zich wel in allerlei bochten wringen, hij
werd gedwongen, om zich tot het Christendom te belijden.
Niemand minder dan Willebrord, de bisschop van
Utrecht, zou hem doopen.
De beenen van den koning Radboud waren allebeide
bloot, en reeds zette hij één der voeten in de vont, maar hij
wachtte nog, vóór hij den tweeden bij den eersten gezelde.
„Waarop wacht ge, heer koning?" vroeg Willebrord.
„Wel, ik denk na," alzoo zeide de koning, „waar mijn
voorouders zijn".
„Uw voorouders?" antwoordde de bisschop. „Die zijn
in de hel, aangezien zij het doopsel niet hebben ontvangen".
„En waarheen zal ik dan gaan?"
„Gij zult met de Christenen in 't Hemelrijk komen,
zoodra ge uw tweeden voet naast den eersten hebt gezet.."
„En zal ik dus, als ik gedoopt ben, naast de Christenen
zitten, die ik niet ken, en als ik me niet laat doopen, zal
ik dan met mijn voorouders branden in de hel, dan wil
ik liever bij mijn voorouders in de hel, hoe de duivelen
ook stoken, dan bij de arme Christenen in den Hemel." —
Hij trok hierop zij voet uit de vont, en langzaam
ging hij heen, zonder nog om te zien.
Koning Radboud was een machtig koning, die
langen tijd tegen den God der Christenen streed,
maar de God der Christenen had flinke soldaten,
en een generaal, die Carolus Martellus heette. Koning
Radboud kon zich wel in allerlei bochten wringen, hij
werd gedwongen, om zich tot het Christendom te belijden.
Niemand minder dan Willebrord, de bisschop van
Utrecht, zou hem doopen.
De beenen van den koning Radboud waren allebeide
bloot, en reeds zette hij één der voeten in de vont, maar hij
wachtte nog, vóór hij den tweeden bij den eersten gezelde.
„Waarop wacht ge, heer koning?" vroeg Willebrord.
„Wel, ik denk na," alzoo zeide de koning, „waar mijn
voorouders zijn".
„Uw voorouders?" antwoordde de bisschop. „Die zijn
in de hel, aangezien zij het doopsel niet hebben ontvangen".
„En waarheen zal ik dan gaan?"
„Gij zult met de Christenen in 't Hemelrijk komen,
zoodra ge uw tweeden voet naast den eersten hebt gezet.."
„En zal ik dus, als ik gedoopt ben, naast de Christenen
zitten, die ik niet ken, en als ik me niet laat doopen, zal
ik dan met mijn voorouders branden in de hel, dan wil
ik liever bij mijn voorouders in de hel, hoe de duivelen
ook stoken, dan bij de arme Christenen in den Hemel." —
Hij trok hierop zij voet uit de vont, en langzaam
ging hij heen, zonder nog om te zien.
Beschrijving
Koning Radbout wordt gedwongen om zich te laten dopen door de bisschop Willebrord. Radbout weigert zich te laten dopen omdat hij dan eenzaam in de hemel komt, omdat zijn voorouders die niet gedoopt zijn, in de hel zitten.
Bron
Cohen,J. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.1
Commentaar
1919
Naam Overig in Tekst
Radbout   
God   
Carolus Martellus   
Willibrord   
Redbad   
Naam Locatie in Tekst
Willebrord   
Utrecht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
