Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN03 - Het eenvoudige meisje van Hunsingoo

Een sage (boek), 1919

_d69d98db-d286-49fe-807c-f05a82d3f74b.jpeg

Hoofdtekst

Het eenvoudige meisje van Hunsingoo

Het wapen van Hunsingoo stelt voor en jong
ridder en een jong meisje beiden gezeten op één
bruin paard; achter hen straalt een ster, niet vóór
hen; en als ge in de Marne komt, kan men u eenzelfde
beeld toonen.
Wie zijn de jong ridder en het jong meisje, dat een
wapen gaf aan Hunsingoo en de Marne?

In de streek Hunsingoo woonde een jong, eenvoudig
meisje, zonder wensch naar rijkdom, gelijk anders bijkans
alle vrouwen. Voor haar oogen zag ze geen sieraden, als
ze aan haar toekomstigen man dacht. Ze behoefde slechts
te leven van zijn eerlijk werk. Ze vreesde nooit, dat zij
ongelukkig zou worden, want ze stelde zich het geluk
aldus voor; een man hebben, kinderen hebben, oud
te zijn en kleinkinderen te hebben, en te sterven. De
vrouw, die aldus denkt, kan gelukkig worden. Ze wist
zelfs niet, hoe mooi ze was. Juist haar eenvoud vormde
haar geheimzinnige schoonheid. Heur haar was koren-
halme-blond, en har oogen hadden de diep-blauwe kleur
van zandklokjes; haar neus was iets gebogen, want ze
stamde van oud boerengeslacht, dat zijn trots altijd be-
peinsde, bewust zoowel als onbewust. Haar handen hadden
de blankheid en slankheid van een lang-bestaand ras, dat
haar mannen sterke spieren en haar vrouwen fijne handen
geeft. Ze droeg den hals vrij; als een kloeke, witte zuil
rees hij uit den schouder. De mond was iets gewelfd, als
ware zij hoogmoedig. Het was echter niet de bewuste hoog-
moed van haarzelve, doch de hoogmoed van haar eigen-
geërfd geslacht, nooit geknecht.
Dicht bij haar hoeve woonde een rijke jonker, met vele
kwartieren op zijn wapen en vele ondeugden in zijn ziel.
Hij beschouwde de meisjes en vrouwen, als en hengelaar
de visschen; en zijn zonden waren zoo talrijk als het
onkruid in 't voorjaar. Hij gaf zich over aan genot, genot
alleen. Hij had een knecht, nog gemeener dan de heer.
En deze zeide hem:
„Ge kent het mooiste meisje uit Hunsingoo niet, jonker!"
Met verwondering bezag hem de edelman.
„Ziet ge me voor zulk een ezel aan?"
„Gisteren was ze nog een kind", zoo sprak de knecht,
„heden is ze een meisje geworden!"
„Hazoo!" schaterde de jonker, „de madelieven ont-
bloeien in één enkelen Meidag!"
„Wilt gij haar leeren kennen?"
„Met groot genoegen", zeide de edele heer.
Ze reden de volgende dag tot aan haar vader's huis
en daar stegen ze af. Ze klopten aan de deur.
„Ik heb dorst", zoo sprak de jonker. „Kan mij een
teug water worden gereikt?"
Wel wist men in de hoeve, welk een jager hij was
en naar welk wild hij speurde. Doch het gaat niet aan iemand
een koelen dronk uit de put te weigeren, en daarom ging
het jonge meisje uit, teneinde den emmer te vullen. De
heer volgde haar gedwee. Toen zij tesaam aan de put
waren gekomen, en zij den rinkelenden ketting deed
schieten, diep in de ruimte, boog hij zich over den steenen
rand en hij zeide:
„Heel ver zie ik uwe beeld in het water weerkaatst".
„Ge vergist u", antwoordde ze lachend, „daar diep in
de put is het duister".
„Dan komt het, omdat mijn oogen u zuiver hebben
behouden. Ik ben als een blinde, die altijd voor zich ziet,
wat hij het laatst op de wereld heeft aanschouwd".
„ge moogt zoo niet met me spreken", hernam ze,
doch geenzins toornig. „Ik ben maar een eenvoudig meisje,
en ge maakt me verlegen met te doen, of ik meer ben".
„Weet ge, hoe ik u noemen zal? Madelief! omdat ge
in éénen dag ontbloeid zijt!"
„Is het niet uw gewoonte, de kleine madelieven, die
éénen dag ontbloeid zijn, te plukken"
„hahaha—wat weten die meisjes van Hunsingoo
toch veel—"
„Hier is uw beker!" sprak ze. Ze had den emmer
opgetrokken, en ze liet hem drinken. Rustig ging ze naar
de hoeve terug.
De knecht zag haar met spottend gezicht aan, of hij
zeggen wilde: „Ge zult niet aan hem ontkomen!"
Ze leerde het begrijpen, hoe hij zoete woorden kende.
het scheen, als wist hij steeds, waar ze heen ging. Liep
ze naar de weide, om de koeien te melken, hij trad haar
tegemoet, en altijd wist hij de taal der geliefde te bespelen,
een snareninstrument met zachte klanken. Maar zij luis-
terde niet, want ze wist, wat hij bedoelde. Iedereen sprak
kwaad van den edelen jonker.
Eens, dat hij haar weder kwam, stelde hij zich
vlak voor haar. Hij zocht een middel, om haar te vangen,
zij om te ontkomen. hij werd, daar zij vlug en lenig was. zeer toornig.
„Hoelang moet dat nog duren? Geen meisje heeft me
zóó weerstreefd!"
„Laat me met vrede. heeft de havik geen andere prooi?"
Weder lachte hij uitbundig en zorgeloos. En terwijl hij
Zoo schaterde, kon ze voorbijgaan, zeer tot zijn spijt.
Weder was ze ontsnapt, het zoete, malsche duiveke, en
hij kon vloeken over zich zelven. Ze had vleugeltjes zoo
rap, daarmede ontweek ze hem, alwaar hij loerde, des
Zondags en in de dagen der week. Zijn vrienden spotten
met hem.
„ Wanneer zien we het malsche duifje op uw disch?" vroe-
gen ze. „Ge hebt al zoo lang achter de heggen gelegen, dat
'n ieder het weet en men verwonderd is, als ge u openlijk
toont".
„Wacht maar!" antwoordde hij somber, „wat niet
vrijwillig komt, zullen we buigen".
Ze was niet angstig voor deze bedreiging, ja, ze lachte
erom met hare vriendinnen. Hoe kon ook de jonker, hoe
machtige ridder ook, met haar zijn kwaad spel bedrijven?
Ze woonde wel beschut.
Ze wist niet, dat hij ook nacht aan nacht om haar hoeve
doolde, met zijn boozen knecht, gelijk satan met een
zijner trawanten. Ze sliep rustig, en de tijd vergleed. maar
De wreede jonker weende van verlangen.
Op een avond, dat hij eenzaam in de zaal zat — de
zoele Juni woei in de kamer en de droom der natuur deed
droefgeestig in hem trillen—trad zijn knecht bij
Hem binnen, tot vlak voor hem.
„Jonker!" zeide hij fluisterend, „nu is het tijd!"
„Wat meent ge?"
„haar vader en moeder, haar broers en zusters zijn
naar een feest, en zij alleen bleef thuis".
„Wilt ge zeggen?" vroeg de jonge man loom, „dat zij
niet mee is gegaan, waar dans is en spel?"
„Ge zegt het".
„En wat moet ik dan doen?"

„Een leer zetten tegen haar vader's huis
Ik zeg u, jonkheer, daar is niemand thuis."

„Ja, ja, dat is mij alles waard
Zadel maar ras mijn bruine paard".

De knecht, hij nam de leer op den schouder en de ridder
zat op zijn breed ros. zoo gingen ze tesaam op weg, en
De hoeve lag eenzaam, daaruit kwam geen geluid.
„Ge hebt de waarheid gesproken", zeide de ridder
wel voldaan. Doch de knecht zweeg, en hij zette geruischloos
de ladder tegen den muur. Hij besteeg de sporten der
ladder, zoo stil en gluipend als een marter, die des nachts
de duiventil belaagd. het venster was gesloten, maar hij
klopte zachtjes aan, en hij zei met veranderde stem:
„Het is uw broeder, die vroeger is thuis gekomen.
Laat me binnen. Alle anderen zijn nog op het feest". Ze
deed het venster open, en op hetzelfde ogenblik was de
booze knecht reeds in de kamer. Ze wilde zich verzetten,
doch hij greep haar vast, en hij droeg haar, al worstelende,
met groote behendigheid de ladder af, en daar stond
het eenvoudige meisje in haar wit nachtgoed tegen de
duisternis. Maar de knecht hief haar op het ros en
dadelijk begon de ridder te rijden. Wat draafde het paard
Klak-klak-klak klonken de hoeven op den weg. Het maan-
licht scheen schoon.
„Waarheen brengt ge me, heer ridder?" zoo vroeg het
meisje weder zonder vrees.
„Naar mijn kasteel, waar ik u zal doen wonen in de
mooiste kamer, en uw hals zal ik doen omhangen met
paarlen, wit en zuiver als pas gestegen dauw, die u goed
zal doen, mijn lieve madelief".
„ik vraag uw mooiste kamer niet —ik begeer uw
paarlen niet".
„En dienaressen zullen u omringen —ge behoeft maar
in uw handen te klappen, en ge hebt er zoovele als ge wilt.
Ge zult kunnen rusten in kussens van zijde en fluweel; om
uw armen zal ik spiralen van goud slingeren, met diaman-
ten bezet. Aan uw voeten zult ge satijnen muiltjes dragen."
„Dienaressen wil ik niet — kussens van zijde en fluweel
verlang ik niet — spiralen van goud met diamanten bezet
zoek ik niet — satijnen muiltjes passen mij niet."
Het paard reed in woeste vaart en weder vroeg zij:
„Waarheen voert ge mij?" En hij sprak:
„Zal ik u leiden diep, diep in het woud? ik weet een
plek bij beukestammen, waar wij in het bos wegzinken,
als in een veeren bed. Ik weet, dat er de eierzwammer nu
reeds ontbloeid zijn. Die zijn in het maanlicht zoo wit,
zoo wit...dat ze een nevel lijken over het donkere mos".
„Mijn hart dringt me, niet om te liggen in het weeke
mos, doch in mijn eigen bed van stroo, niet met nevelen
van de eierzwam om mij heen, maar met den nacht van
mijn kamer. Laat me gaan".
„Ik zou eeuwig berouw hebben, als ik u liet ontvlucht-
ten...".
„Eeuwig berouw zult ge hebben, zoo ge me niet laat
gaan.."
Toen lachte de jonge ridder weder lichtzinnig, en zijn
lach klonk wijd over het veld als de roep van een
overwinnaar. Doch terwijl hij lachte strekte zij haar voet
uit, en met alle geweld van haar jong en krachtig en
onvertroebeld leven lichtte ze hem uit het zadel, dat hij
tegen de grond smakte en verdoofd bleef liggen.

„Hij viel met harden plof te lande
En dit was eeuwig tot zijn schande."

Ze wendde het paard en spoorslag, zonder nog naar
de ridder om te zien, reed ze heen.

„Des morgens kwam ze huiswaarts aan
De vader vroeg: „waar kom jij vandaan?"

Men wilde haar niet gelooven. Zij, een teedere maagd,
Zou den stoute jonker uit den zadel hebben gelicht?
„Ga zelf zien", zoo zeide ze trotsch.„Onder de boomen,
in het begin van het bosch, vindt ge hem zeker. Hij heeft
een zwaren val gedaan, en ik hoop, dat hij van de liefde
is genezen". Allen, die rijden konden, ze dreven hun paar-
den tot aan de plek, alwaar het woud begint, en daar
lag hij, de trotsche, liederlijke man, midden in het mos.
Al zijn vrienden lachten, en ook zijn vijanden, die hij meer
bezat. Zijn knecht echter kwam toegeloopen, en die droeg
hem in zijn armen naar zijn kasteel.
De streek Hunsingoo had een wapen van noode, en
bekwame mannen kozen het beeld van het paard, dragend
een ridder en en een maagd. Doch de ster plaatste men
achter hen, ten bewijze, dat de nacht was gekomen, en
niet vóór, opdat niemand denken zou, dat er hoop bestond,
om haar te winnen. Heur haar hangt los, dit om te laten
zien, hoe zij tegen haar wil werd ontvoerd.
En de jonker, dit wapen beschouwende, ach! hij toog
niet meer op avonturen uit, vanwege den spot allerwege.
En de knecht vluchtte uit deze streek, waar de meisjes
zoo eenvoudig zijn.


Onderwerp

TM 2501 - Herkomst van het wapenschild (stadswapen, familiewapen etc.)    TM 2501 - Herkomst van het wapenschild (stadswapen, familiewapen etc.)   

Beschrijving

Een jonker probeert op aangeven van zijn knecht een jong, eenvoudig meisje te verleiden. Zij heeft echter geen interesse in de jonker, aangezien deze bekend staat als een verleider. De jonker waagt vele verschillende pogingen om het meisje te verleiden, maar alle pogingen mislukken. Dan wordt hij op een dag door zijn knecht erop attent gemaakt dat het meisje alleen thuis is. Samen rijden ze erop uit om het meisje te ontvoeren. Eenmaal aangekomen bij de hoeve van het meisje ontvoeren ze haar met een list. De jonker gaat er per paard met het meisje vandoor. Het meisje blijft rustig, en probeert de jonker ervan te overtuigen haar te laten gaan. Als haar pogingen mislukken, gebruikt ze geweld, en stoot ze de ridder uit het zadel. Daarna rijd ze snel terug naar het dorp. Daar aangekomen verteld ze haar verhaal. Niemand wil haar geloven. Ze verteld hen, waar ze de jonker heeft achtergelaten, en allen die rijden konden trokken erop uit. Op de aangegeven plek vinden ze inderdaad de jonker. Naar aanleiding van deze gebeurtenis heeft de streek Hunsingoo hun wapen gekozen; met het beeld van een paard, dragende een ridder en een maagd.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.4

Commentaar

1919
Herkomst van het wapenschild (stadswapen, familiewapen etc.)

Naam Overig in Tekst

Hunsingoo    Hunsingoo   

Naam Locatie in Tekst

Marne    Marne   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20