Hoofdtekst
Dat groote exempel van gierigheyt, Floris Tin, smeerde een vent door haestigheyt wacker wat af, daervan hij haest berou had. Overdenckende de boete, doch moetende yets resolveren tot sijnen beste, liep [hij] regelrecht na de schout Lambert Reijnst, dien hij vroeg wat boete op sulcken feyt stont. R. ‘Ses gulden.’ Floris telden hem vier gulden en nam afscheyt. S. ‘Wel hola, Florisoom, hier moest f 6 aen boete zijn.’ R. ‘Wel, heer schout, komt daervan niet altoos een derden deel voor den aenbrenger?’
Beschrijving
Floris Tin, het toonbeeld van gierigheid, kan iemand die haast heeft wat geld ontfutselen. Later heeft hij daar toch spijt van en denkt hij na over hij dit kan oplossen, natuurlijk wel zodat hij er zelf ook nog beter van wordt. Hij gaat naar de schout, die hij de kwestie voorlegt. Hij vraagt wat de straf is voor zo'n vergrijp. Het blijkt zes gulden te zijn. Floris telt vier gulden uit en wil weer vertrekken. De schout: 'Hela maat, het moet zes gulden aan boete zijn.' Floris: 'Maar heer schout, is daarvan niet een derde altijd voor degene die het misdrijf komt melden?'
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991.
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Floris Tin   
Lambert Reijnst   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
