Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN09 - Wild-Prot of het Bisschops-kerkhof

Een sage (boek), 1919

Hoofdtekst

Wild-Prot of de Bisschops-kerkhof.

De zoon van Anton Günther Prot en Hibernia Scholes was
een wilde knaap, belust op avonturen, en hij
trok uit, waar men hem hebben wilde, gelijk een
jonge raaf, door den wind gedreven. Maar in den jare
zestienhonderd vijfenzestig werd hij kapitein der Staten
van Groningen en Ommelanden, en het scheen, als nam
Wild-Prot genoegen in de nauwe kooi. En zowaar....
zie hem lachen, zie hem buigen, zie hem smachten om der
wille van Albertina Lucretia. Hij reed in den vroegen
ochtend uit, zonder op zijn weg te letten, en als hij haar
ontmoet had, was hij een dolleman, en hij bleef dit uren
achtereen. Ten laatste kon hij zijn ongeduld niet langer
bedwingen, en gelijk een dobbelaar wierp hij zijn steenen;
erop of eronder. Hij zeide zijn liefde niet in sierlijke taal,
maar zij luisterde naar hem, want Berend Johan Prot was
een man, de liefde van vrouwen waardig. Hij hoorde tot
zijn verwondering, dat ze sprak:
„Ik heb ook altijd veel van u gehouden!"
„Had ik dat maar eerder geweten!" Wild-Prot zag er
mager uit, en ze lachter om zijn ellendig en wasbleek aangezicht.
„Wacht maar ....als we getrouwd zijn...wordt het wel beter met u!"
Wild-Prot sloeg zijn hand tegen zijn borst.
„Moet ik nog langer wachten?"
„Tot het voorjaar".
„Neen, dezen winter al wil ik....wil ik".
„Ge spreekt al anders dan zooeven", antwoordde ze
schalksch. „De krijslieden worden moedig, als het hun
een oogenblik voor den wind gaat, geloof ik!". Toen
begreep hij eindelijk, hoe ze hem lief had en in den winter
van het haar zestienhonderd acht en zestig trouwden ze.
En in den volgende tijd spotten vrienden en vreemden dikwijls.
„Wild-Prot? Een huismusch is hij geworden, etend uit een
vrouwenhand!"
Zoo liep de roemruchtige krijsman, die aan vele hoven
had gediend, gevaar, om zijn naam te verliezen. Die hem
voorheen had gekend, vroeg zich verwonderd af, hoe een
mensch zoo veranderden kan. Tot de bisschop van Munster,
Berend van Galen, de rustige gewesten dezer provinciën
binnenviel, en de machtige steden met gemak nam, zooals
een boer rijpe vruchten van den boom plukt: Lochem,
Groenloo en Deventer, Zwolle, Kampen, Hasselt, en
ook de sterke Steenwijk. Toen werd Wild-Prot benoemd
tot bevelhebber der vesting Bourtange, en hij zeide tot
zijn vrouw, die bij hem wilde blijven:
"Ge moet heengaan, en ik heb een onderdak voor u gevonden"
„Waar wilt ge dan, dat ik heenga?" vroeg ze ganschelijk
verschrikt. Hare lippen waren wit, en haar gelaat was geel van kleur, gelijk bij een onmachtig mensch.

Hij zag haar met woesten blik aan. „Wilt ge niet doen, wat ik zeg?"
Ze viel voor hem op de knieën neder.
„Prot, Wild-Prot, doe me bij u blijven. Ik heb niets anders
dan u, sinds mijn kindje gestorven is. Als ge me lief hebt, laat me
dan niet bij vreemden!" Ze kreunde, en de herinnering aan het kleine
meisje, dat had gelachen, tot de Dood den laatsten glimlach van haar
lippen had gevraagd, liet haar plots opschreeuwen van smart. Hij
klemde haar polsen vast.
„Albertina", zeide hij, „zoo maakt ge ons beiden ongelukkig. Ik wil
dat niet. Ge zult me niet weerstreven. Ik heb alles voor u gereedgemaakt.
Ge weet wel, waar ge u te wenden hebt. Tammen zal goed voor u zorgen."
Ze huiverde. „Ik ben daar even veilig als hier!" Hij liep vloekend heen
en weer. En ze boog deemoedig 't hoofd.
„Laten we van elkaar afscheid nemen, Wild-Prot, maar we zien elkander
niet terug!" Hij lachte. „Zien we elkaar niet terug? Over enkele maanden
zijn de Munsterschen verdwenen...en ik kom u halen aan de
Pelsterstraat....dan rijden we samen in een karos naar IJlst....naar 't
graf van't kleine meisje..."
Was dit Wild-prot, die zoo teder sprak?
„Ja", zeide ze blijde, „samen....bij het graf...'
Ze reed met goed gevolg naar de stad Groningen, en Tammen begroette
haar in zijn woning. Toen rukte de bisschop op naar Rabenhaupt's veste,
maar de Munstersche veldheer Martel belegerde den Bourtangerschans:
echter hij schoot niet met kogelen, doch zond een bode naar Prot.
„Geef over uw vesting, en tweehonderdduizend gulden geef ik er voor."
Prot lachte. „Kent Martel Wild-Prot niet? Wat doe ik met geld,
als ik mijn eer heb verloren?"
„Dat hebben we wel geweten", zeide de bode schamper.
„Maar ik zie daar kapiteins op de wal staan. Hun wordt ieder
vijfduizend gulden aangeboden, zoo zij de schans overgeven aan de
bisschop van Munster."
De kapiteins stelden zich naast Wild-Prot, en hun
zwijgen was hun antwoord. Doch de bode wachtte.
„Zeg Martel, dat hij de schands met looden en niet met
zilveren kogels moet innemen", schreeuwde Wild-Prot.
Zoo legerde zich de Munsterschen voor Bourtange,
gelijk een kat voor een muizehol, gereed tot den sprong.
Wild-Prot vreesde echter niet voor zijn leven, hij wist, dat zijn vrouw in Groningen welbewaard was. Het duurde niet
lang, of Martel's soldaten vielen aan, doch ze werden met
looden kogels ontvangen, en ze lieten van Bourtange af.
Dit werd tot groot gejuich in de Nederlanden, dat deze
schans behouden was...maar zoodra de Munsterschen
geweken waren, rende een bode van Rabenhaupt Bourtange
binnen en vroeg den bevelhebber te spreken, Wild-Prot.
„Hier ben ik", zo zeide deze.
„Wild-Prot, de luitenant-generaal en gouveneur Rabenhaupt,
Baron de Sucha, Erfheer in Lichtenberg en Fremesnich..."
„Spaar me zijn titels, man", schreeuwde Wild-Prot.
„Wat draagt hij mij op, voor den hel en duivel!"
„Hij draagt u niets op, hij wil u zeggen, dat u vrouw..."
„Mijn God, man, zeg 't me ineens!"
„Zij is dood, Wild-Prot. Een Munschersche kogel..."
Wild-Prot vloog in de hoogte, als een woest beest, dat wordt aangevallen; zijn vingers waren als klauwen gekromd.
„Je liegt", schreewde hij. De bode haalde de schouders op.
„Het is een hoog huis, van den secretaris Tammen, en
de Munsterschen schoten er wel op, omdat ze het uit de
verte zagen. Uw vrouw zat in een kamer onder de zolder,
en de kogel drong het dak binnen."
„Heb ik haar daarom naar Groningen laten gaan?"
klaagde Wild-Prot. De bode zeide: „Men heeft haar al begraven."
„Zonder mij — en we zouden samen naar IJlst zijn gereden!"
„Hebt ge nog een tijding voor mijneer Rabenhaupt?"
„Met moeite zijt ge hier gekomen", sprak een der kapiteins.
„Gaat mede, we drinken een glas Hamburgsch bier!"
Wild-Prot ging naar de kamer, waar hij sliep, en hij zette
zich bij de bedstede, de handen tot vuisten gebald.
„Zoo, zoo, zoo..." peinsde hij, „wordt mij het geluk
onmogelijk gemaakt, en was het een Munsterschen kogel,
die haar gedood heeft? Dan zullen ze leeren, wie Wild-Prot is."
onmiddellijk deed hij zijn ros zadelen, en hij
reed aan, tot hij in de verte de Munsterschen ontdekte.
Daarna wendde hij zijn paard.
„Wie heeft lust tot avonturen?"
„Waarheen....waarheen?....
„Naar Jipsinghuizen. Daar liggen zij, de geweren in
grotten en op den Spinberg staat de schildwacht!"
„Hoe overrompelen we dien?"
„ Dat zal mijn werk zijn!' Ze reden tezamen uit,
tot ze den Spinberg waren genaderd. Wild-Prot verkleede zich,
en hij werd een gewone boerenjongen, zoals er zoovelen
in deze streek wonen. Van den kant van Wollinghuizen
naderde hij, achteloos-loopend, dwars over de heide.
De schildwacht vond het niet de moeite waard naar hem
te zien. Hij was zoo'n gewone knaap.
Met moeite hield Wild-Prot zich rustig. Daar stond een
Munsteraar. Wie kon zeggen, of het niet door hem was
geschied, dat het huis in de Pelsterstraat...? En anders
een vriend of een broer...Wild-Prot beet zich op de
lippen, en hij bedwong zijn vloeken. Hij kwam tot aan
de post en zonder dat zijn vingers beefden, haalde hij zijn
tondeldoos voor den dag, en stak zijn pijp aan. Glimlachend
bekeek hij daarna den schildwacht.
„ Allang op post?"
„Ja, ja..." bromde de schildwacht.
„Een vervelend baantje!"
„Is het!"
„Wordt je nou niet gauw afgelost,"
„Nee —nee —anderen rusten. Ik moet op schildwacht staan."
Wild-Prot tuurde de rookwolkjes na, die zachtjes uit
zijn pijp kringelden.
„Slapen ze dan op klaarlichten dag?!"
„Ja...al dat marcheeren....marcheeren.....maakt moe...."
„Kameraad, ik ben blij, dat ik geen soldaat ben."
„Kun je blij om wezen! Marcheeren...marcheeren...,
slechte soldij...,slechts eten..."
„En geen tabak rooken?"
De schildknaap grijnste, en hij zag naar den boeren-
jongen, die zoo gezellig uit zijn pijp stond te puffen.
„Rooken..., 't liefste, wat ik doe, ..." verklaarde hij.
„Goed eten...,goed..., geen pijp..., niet goed!"
„Wil je eens opsteken? Ik heb een beetje tabak!"
„Jawel, maar..."
„Nou, hoever liggen de anderen hier wel vandaan,
denk je?"
„Ze liggen hier vlak-bij, maar ze zullen me niet snappen!"
De schildwacht haalde zijn pijp te voorschijn, en de
boerenjongen bediende hem van tabak.
„Vuur?' vroeg hij beleefd. De schilwacht bukte zich.
Toen nam Wild-Prot het scherpe mes, dat hij in zijn
laars bij zich had gedragen, en snel sneed hij den Munste-
raar de keel af. Het lichaam kronkelede nog even,
gelijk een aal, die wordt gekerfd. Het bloed vloeide over
de heide.
De boerenjongen holde naar zijn makkers terug, die
gewapend stonden. En ze reden over de ongebaande vlakte
naar Jipingshuizen, waar van Galen's mannen ronkten. Ze
hadden niets gehoord, en hun slapende geest was gerust:
op den Spinberg stond immers de schildwacht?
Wild-Pot en de zijnen vielen hen aan, en bij de Munsterschen
vloeiden droom en dood inéén: ze werden zich niet
meer van het leven bewust. Bij de brug over de Ruiten spitte
men de aarde om, en men begroef hen haarstig in één graf.
De plekke gronds heet nog altijd het Bisschopskerkhof.
Doch nadat de Munsterschen van Groningen, en hij
liet zich de plaats wijzen, waar zijn vrouw te ruste lag.
van zijn wildheid was niets overgebleven: hij stond stil
en zijn handen lagen hem wijd-uitgestrekt langs zijn
zijden. Zachtkens schreide hij: „Wat is mij overgebleven?"

Onderwerp

TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, straat, een plek of het stuk land) aan z'n naam is gekomen    TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, straat, een plek of het stuk land) aan z'n naam is gekomen   

Beschrijving

Op een dag valt de bisschop van Munster, Berend van Galen, de rustige gewesten dezer provinciën binnen. De veldheer Wild-Prot wordt benoemd tot bevelhebber van de vesting van Bourtange. Wild-Prot stuurt vervolgens zijn vrouw naar Groningen om haar tegen het geweld te beschermen. Hoewel ze eerst weigert, vertrekt de vrouw naar Groningen. De Munstersche veldheer Martel viel de vesting van Bourtange aan, maar ze worden verdreven door Wild-Prot en zijn mannen. Als het gevaar is geweken, komt het bericht dat de vrouwe van Wild-Prot door een Munstersche kogel is gedood. Wild-Prot is woedend en snelt zijn vijanden achterna. Als boer weet hij de schildwacht van het vijandelijk kamp te overmeesteren en daarna vermoordt hij samen met zijn soldaten de rest van het vijandelijk kamp. De plek waar de lijken zijn begraven heet nog steeds Bisschopskerkhof. Wild-Prot blijft eenzaam en vol verdriet achter.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 39

Commentaar

1919
Hoe het dorp (de stad, heuvel, het stuk land) aan z'n naam is gekomen

Naam Overig in Tekst

Wild-Prot    Wild-Prot   

Anton Günther Prot    Anton Günther Prot   

Hibernia Scholes    Hibernia Scholes   

Ommelanden    Ommelanden   

Albertina Lucretia    Albertina Lucretia   

Berend Johan Prot    Berend Johan Prot   

Berend van Galen    Berend van Galen   

Groenloo    Groenloo   

Tammen    Tammen   

Munsterschen    Munsterschen   

Rabenhaupt    Rabenhaupt   

Martel    Martel   

Bourtangerschans    Bourtangerschans   

Fremesnich    Fremesnich   

Hamburgs    Hamburgs   

Spinberg    Spinberg   

Ruiten    Ruiten   

Bisschopskerkhof [Bommenberend]    Bisschopskerkhof [Bommenberend]   

Naam Locatie in Tekst

Groningen    Groningen   

Munster    Munster   

Lochem    Lochem   

Deventer    Deventer   

Zwolle    Zwolle   

Kampen    Kampen   

Hasselt    Hasselt   

Steenwijk    Steenwijk   

Bourtange    Bourtange   

Pelsterstraat    Pelsterstraat   

IJlst    IJlst   

Nederlanden    Nederlanden   

Sucha    Sucha   

Lichtenberg    Lichtenberg   

Jipsinghuizen    Jipsinghuizen   

Wollinghuizen    Wollinghuizen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20