Hoofdtekst
Het witte en het zwarte paard.
In Middelstum woonde een jonge, naar geluk strevende
vrouw, en 't leven lag voor haar als van een muur
bezien een bloeiende tuin: wat behoefde zij aan den
dood te denken? Iedere dag was haar een verassing des
levens, en ze genoot iederen druppel van den tijd, gelijk
een kind een zoeten drank. Ze dacht het niet, maar zij
meende het te weten.
"Eeuwig zal ik jong zijn."
Dichterbij haar leefde een man, die de gave van den voor-
loop in zijn geest voelde brandden. het is vreeselijk, als
men er zich van bewust is, wie sterven zal. Hij ging daarom
stil zijns weegs, zonder veel op de menschen te letten.
Eens liep hij op den weg, toen hij een zwart koets
met rijtuigen zag naderen. zooals altijd, wanneer hij een
begrafenisstoet bemerkte, trad hij eerbiedig terzijde, want
zóó duidelijk onderscheidde hij alles, dat hij niet wist, of
het beeld in zijn oogen de voorloop of de werkelijkheid
voorstelde. Hij dacht:
"Laat ik blijven staan, en zien, waar het naar toe-gaat!"
De wagen hield stil voor het huis der jonge vrouw. De
man bekeek de paarden, en begon plots tegen zichzelf
te lachen. "Dat is grappig', mompelde hij, "een wit en
een zwart paard voor den lijkwagen. Zóó hebben ze er
nog nooit begraven. 't Zal ditmaal wel verbeelding
van me zijn."
Mannen droegen een kist met rouwfloers omhuld de
straat op. Hoewel de deksel vasr sloot, kon de man zien, wie
er in de kist lag. De jonge vrouw, die het leven zoo minde....
De beide paarden bleven nog even roerloos staan.
Toen waren ze verdwenen.
De man ging naar het huis en hij zag door de ruiten
naar binne. De jonge vrouw zat aan het venster, over
haar naaiwerk gebogen. Telkens glimlachte ze. Ze keek
op en bemerkte, hoe ze werd aangestaard. Ze knikte den
man vriendelijk toe. Met alle macht dwong hij zich, om
haar te wenken. Ze wees op zichzelf, eenigzins verwonderd.
"Wil je me spreken?" zoo vroeg ze. "Ja", knikte hij.
Ze trad naar buiten. Hij vroeg langzaam:
"Heb je hier een lijkkoets gezien?"
"Neen.....", zeide ze, en ze werd bleek.
"Vrouw!" riep hij met groote stem, 'bereid je voor
op den dood!"
Ze wist, dat ze van dit leven — schoon en vol ver-
wachting als een jonge bruidegon — moest scheiden, en
ze ging in tot haar kamer, weenende om den wreeden
dood. In het dorp echter bestonden er velen, die met de
voorspelling spotte.
Dezen zeiden:
"Iemand met een wit en een zwart paard begraven?!
Eerder loopt er een rivier van klare jenever door middel-
stum, of wordt het kasteel van Ewsum weer opgebouwd.
De man droomt!"
De jonge vrouw echter begreep wel, dat ze sterven
moest. Ze ging afscheid nemen van haar vrienden en
vriendinnen, als iemand, die voor altijd zijn geboortegrond
gaat verlaten. Zwijgend drukte ze een ieder de hand. Op
den drempel van elk huis bleef ze even staan, en ze zag
om zich heen. Met gebroken stem zeide ze:
"Denk goed van mij, als ik onder de aarde lig. de
dooden hebben me noodig, dat men aan ze denkt. O! dat
in mijn huis een ander zal zitten. Denk aan mij, als ge de
ander ziet." Meermalen vroeg men haar, daar men den
invloed der spotterij wel ondervond, daar de spot scherpe
tanden heeft, die tot diep in het bloed bijten:
"Weet ge wel zeker, dat ge sterven zult?" Dan schreide
ze, omdat zij zelf nog even twijfelde:
"Heeft hij zich ooit vergist? Waar de lijkkoets stil-
hield, was een doode, voorwaar!"
"Niet hier misschien. En nog dit —" zoo prak haar beste
vriend. "Mocht het wezen. dat gij zult sterven, dat zal ik
ervoor zorgen, dat gij goed wordt begraven, en uw koets
door twee zwart paarden zal worden getrokken!"
"Ach, dat kunt ge niet, ik ben gevonnist en veroor-
deeld! Vaarwel!"
Eenige dagen later werd ze ziek, en men spotte niet
meer in het dorp, Nooit eerder had ze krank te bed
gelegen. Men moest toeggeven, dat het eerste teeken
onheilspellend mocht heeten. Ook de dokter schudde
't hoofd. Tegen deze ziekte was geeb kruid gewassen. de
jonge vrouw moest sterven.
haar hoofd lag heel stil en berustend tegen het witrte
kussen, Ze had zichzleve reeds de handen gevouwen, en
zóó wachtte ze den dood, vroom en vertrouwend ten laatste.
Haar gedachten gingen naar en Dood uit, als tijdens haar
leven naar spel en dans. Al beidende werd ze moede van dit
bestaan, en 't leek haar, of de wereld een enge kluis was
geweest, met haar ziel daarin gevangen. Ze bad.
"Kom, o goede dood, daar gij komen moet, en voer me
binnen de waarlijke gelukzaligheid, die wij hier in onzen
bijd en strijd niet kennen. Ik roep u, als jong meisje
haar minnaar uit haar venster roept. Gij, mijn verlosser,
wil niet langer marren!"
Zij streed niet met haar wilskracht, die wellicht sterker dan
het geweld haars vijands ware gebleken.
Maar haar gezond-heid, die ze jaar op jaar had bewaard,
zonder dat ze dit wist, de tinteling harer spieren, de lenigheid
harer leden, de warmet van haar bloed, verzetten zich tegen de al-
verdooving, al-stremming, al-verkilling van den Dood, die
haar met te ruwer pijnen sloeg. ze glimlachte in haar leed,
zooals ze in haar vreugde had geglimlacht.
In den nacht sloeg de Dood zijn laasten slag, en zij lag
terneder. toen herinnerde zich de vriend de belofte, die
hij haar had gegeven: dat zij als ieder mensch zou worden
begraven. Men vroeg hem, waarom hij niet schreide. Hij
antwoordde:
"Ik heb wel wat beters te doen. Als ze goed onder de
aarde ligt, zal ze worden beweend!"
Dit waren zijn woorden, en men dacht er langen tijd
over na, of er een geheime beteekenis achter school. Zij
was gestorven....goed. Niemand had het verwacht.
Toch geschiedde het. Al moest men dit gelooven, men kon
het andere niet annnemen: het sprak vanzelf, dat twee
zwarte paarden den wagen zouden trekken.
De man, die de voorloop-gave bezat, liep rusteloos
over den weg. Ook hij hoopte, dat niet zou gebeuren,
wat gebeuren moest. Altijd kwam het uit. Wie houdt den
stroom eener rivier tegen?
Wanner het ditmaal eens anders zou zijn, werd hij
bevrijd van al dien angst, gedurende jaren geleden. Hoe
vreemd het mag schijnen, hij voelde het niet-uitkomen
van den voorloop ditmaal als zijn eenige redding. Altijd
waren het gewone begrafenissen geweest, die hij van te
voren had gezien. Thans herinnerde hij zich het wonderlijk
beeld van een wit en zwart paard vóór de koets, en hij
lachte heel zachtjes.
"'t Zal nu niet uitkomen", zoo troostte hij zichzlef.
Hoewel hij zichzlewf dit trachtte in te praten, stond hij
op het oogenblik, toen de jonge vrouw begraven werd,
vóór het huis. Hij hing naarr hèm toe, die de vriend van
haar leven was geweest, en zei geheimzinnig:
"Het zijn twee zwarte paarden, die ik zie....?"
"Twee zwarte paarden!"
"Gelukkig — dan heb ik mij vergist! Ga je in een
rijtuig zitten!"
"Neen, ik loop naast de koets. We zijn nog niet op
't kerkhof.
"O.....o....daar heb je gelijk in. We zijn nog niet op
't kerkhof. Ik wou, dat de paarden er al waren!"
"Ze zullen er komen." Hij zette de tanden vast opéén.
"Ik heb 't haar beloofd."
De paarden gingen stap op stap. De rouwkoets kwam in beweging.
alles geschiedde, gelijk bij een gewone
begrafenis.
De menschen in het volg-rijtuig zeiden tot elkander:
"Het is niet zooals in den voorloop. Er staat geen
schimmel voor den wagen."
De vriend der jonge vrouw slenterde langzaam mede.
Toen schoot er iest voorbij, dat de paarden verschrikte.
het was nog nooit gebeurd, zoolang er een rouwkoets in
Middelstum had bestaan. Ze sloegen aan den hol, en in
hun wildheid renden ze eenm greppel in. men liep zoo snel
men kon de dieren achterna. Een stond nog, trillende
over zijn lichaam. Het andere lag ter aarde, een poot
gebroken.
Juist teon kwam er een boer voorbij, die en schimmel
leidde.
"Wat is er hier gebeurd?" vroeg hij. De koetsier maakte
de touwen van het gewonde dier los.
"We zullen het witte paard voor den wagen spannen,
inplaats van het zwarte."
Dit geschiedde.
In Middelstum woonde een jonge, naar geluk strevende
vrouw, en 't leven lag voor haar als van een muur
bezien een bloeiende tuin: wat behoefde zij aan den
dood te denken? Iedere dag was haar een verassing des
levens, en ze genoot iederen druppel van den tijd, gelijk
een kind een zoeten drank. Ze dacht het niet, maar zij
meende het te weten.
"Eeuwig zal ik jong zijn."
Dichterbij haar leefde een man, die de gave van den voor-
loop in zijn geest voelde brandden. het is vreeselijk, als
men er zich van bewust is, wie sterven zal. Hij ging daarom
stil zijns weegs, zonder veel op de menschen te letten.
Eens liep hij op den weg, toen hij een zwart koets
met rijtuigen zag naderen. zooals altijd, wanneer hij een
begrafenisstoet bemerkte, trad hij eerbiedig terzijde, want
zóó duidelijk onderscheidde hij alles, dat hij niet wist, of
het beeld in zijn oogen de voorloop of de werkelijkheid
voorstelde. Hij dacht:
"Laat ik blijven staan, en zien, waar het naar toe-gaat!"
De wagen hield stil voor het huis der jonge vrouw. De
man bekeek de paarden, en begon plots tegen zichzelf
te lachen. "Dat is grappig', mompelde hij, "een wit en
een zwart paard voor den lijkwagen. Zóó hebben ze er
nog nooit begraven. 't Zal ditmaal wel verbeelding
van me zijn."
Mannen droegen een kist met rouwfloers omhuld de
straat op. Hoewel de deksel vasr sloot, kon de man zien, wie
er in de kist lag. De jonge vrouw, die het leven zoo minde....
De beide paarden bleven nog even roerloos staan.
Toen waren ze verdwenen.
De man ging naar het huis en hij zag door de ruiten
naar binne. De jonge vrouw zat aan het venster, over
haar naaiwerk gebogen. Telkens glimlachte ze. Ze keek
op en bemerkte, hoe ze werd aangestaard. Ze knikte den
man vriendelijk toe. Met alle macht dwong hij zich, om
haar te wenken. Ze wees op zichzelf, eenigzins verwonderd.
"Wil je me spreken?" zoo vroeg ze. "Ja", knikte hij.
Ze trad naar buiten. Hij vroeg langzaam:
"Heb je hier een lijkkoets gezien?"
"Neen.....", zeide ze, en ze werd bleek.
"Vrouw!" riep hij met groote stem, 'bereid je voor
op den dood!"
Ze wist, dat ze van dit leven — schoon en vol ver-
wachting als een jonge bruidegon — moest scheiden, en
ze ging in tot haar kamer, weenende om den wreeden
dood. In het dorp echter bestonden er velen, die met de
voorspelling spotte.
Dezen zeiden:
"Iemand met een wit en een zwart paard begraven?!
Eerder loopt er een rivier van klare jenever door middel-
stum, of wordt het kasteel van Ewsum weer opgebouwd.
De man droomt!"
De jonge vrouw echter begreep wel, dat ze sterven
moest. Ze ging afscheid nemen van haar vrienden en
vriendinnen, als iemand, die voor altijd zijn geboortegrond
gaat verlaten. Zwijgend drukte ze een ieder de hand. Op
den drempel van elk huis bleef ze even staan, en ze zag
om zich heen. Met gebroken stem zeide ze:
"Denk goed van mij, als ik onder de aarde lig. de
dooden hebben me noodig, dat men aan ze denkt. O! dat
in mijn huis een ander zal zitten. Denk aan mij, als ge de
ander ziet." Meermalen vroeg men haar, daar men den
invloed der spotterij wel ondervond, daar de spot scherpe
tanden heeft, die tot diep in het bloed bijten:
"Weet ge wel zeker, dat ge sterven zult?" Dan schreide
ze, omdat zij zelf nog even twijfelde:
"Heeft hij zich ooit vergist? Waar de lijkkoets stil-
hield, was een doode, voorwaar!"
"Niet hier misschien. En nog dit —" zoo prak haar beste
vriend. "Mocht het wezen. dat gij zult sterven, dat zal ik
ervoor zorgen, dat gij goed wordt begraven, en uw koets
door twee zwart paarden zal worden getrokken!"
"Ach, dat kunt ge niet, ik ben gevonnist en veroor-
deeld! Vaarwel!"
Eenige dagen later werd ze ziek, en men spotte niet
meer in het dorp, Nooit eerder had ze krank te bed
gelegen. Men moest toeggeven, dat het eerste teeken
onheilspellend mocht heeten. Ook de dokter schudde
't hoofd. Tegen deze ziekte was geeb kruid gewassen. de
jonge vrouw moest sterven.
haar hoofd lag heel stil en berustend tegen het witrte
kussen, Ze had zichzleve reeds de handen gevouwen, en
zóó wachtte ze den dood, vroom en vertrouwend ten laatste.
Haar gedachten gingen naar en Dood uit, als tijdens haar
leven naar spel en dans. Al beidende werd ze moede van dit
bestaan, en 't leek haar, of de wereld een enge kluis was
geweest, met haar ziel daarin gevangen. Ze bad.
"Kom, o goede dood, daar gij komen moet, en voer me
binnen de waarlijke gelukzaligheid, die wij hier in onzen
bijd en strijd niet kennen. Ik roep u, als jong meisje
haar minnaar uit haar venster roept. Gij, mijn verlosser,
wil niet langer marren!"
Zij streed niet met haar wilskracht, die wellicht sterker dan
het geweld haars vijands ware gebleken.
Maar haar gezond-heid, die ze jaar op jaar had bewaard,
zonder dat ze dit wist, de tinteling harer spieren, de lenigheid
harer leden, de warmet van haar bloed, verzetten zich tegen de al-
verdooving, al-stremming, al-verkilling van den Dood, die
haar met te ruwer pijnen sloeg. ze glimlachte in haar leed,
zooals ze in haar vreugde had geglimlacht.
In den nacht sloeg de Dood zijn laasten slag, en zij lag
terneder. toen herinnerde zich de vriend de belofte, die
hij haar had gegeven: dat zij als ieder mensch zou worden
begraven. Men vroeg hem, waarom hij niet schreide. Hij
antwoordde:
"Ik heb wel wat beters te doen. Als ze goed onder de
aarde ligt, zal ze worden beweend!"
Dit waren zijn woorden, en men dacht er langen tijd
over na, of er een geheime beteekenis achter school. Zij
was gestorven....goed. Niemand had het verwacht.
Toch geschiedde het. Al moest men dit gelooven, men kon
het andere niet annnemen: het sprak vanzelf, dat twee
zwarte paarden den wagen zouden trekken.
De man, die de voorloop-gave bezat, liep rusteloos
over den weg. Ook hij hoopte, dat niet zou gebeuren,
wat gebeuren moest. Altijd kwam het uit. Wie houdt den
stroom eener rivier tegen?
Wanner het ditmaal eens anders zou zijn, werd hij
bevrijd van al dien angst, gedurende jaren geleden. Hoe
vreemd het mag schijnen, hij voelde het niet-uitkomen
van den voorloop ditmaal als zijn eenige redding. Altijd
waren het gewone begrafenissen geweest, die hij van te
voren had gezien. Thans herinnerde hij zich het wonderlijk
beeld van een wit en zwart paard vóór de koets, en hij
lachte heel zachtjes.
"'t Zal nu niet uitkomen", zoo troostte hij zichzlef.
Hoewel hij zichzlewf dit trachtte in te praten, stond hij
op het oogenblik, toen de jonge vrouw begraven werd,
vóór het huis. Hij hing naarr hèm toe, die de vriend van
haar leven was geweest, en zei geheimzinnig:
"Het zijn twee zwarte paarden, die ik zie....?"
"Twee zwarte paarden!"
"Gelukkig — dan heb ik mij vergist! Ga je in een
rijtuig zitten!"
"Neen, ik loop naast de koets. We zijn nog niet op
't kerkhof.
"O.....o....daar heb je gelijk in. We zijn nog niet op
't kerkhof. Ik wou, dat de paarden er al waren!"
"Ze zullen er komen." Hij zette de tanden vast opéén.
"Ik heb 't haar beloofd."
De paarden gingen stap op stap. De rouwkoets kwam in beweging.
alles geschiedde, gelijk bij een gewone
begrafenis.
De menschen in het volg-rijtuig zeiden tot elkander:
"Het is niet zooals in den voorloop. Er staat geen
schimmel voor den wagen."
De vriend der jonge vrouw slenterde langzaam mede.
Toen schoot er iest voorbij, dat de paarden verschrikte.
het was nog nooit gebeurd, zoolang er een rouwkoets in
Middelstum had bestaan. Ze sloegen aan den hol, en in
hun wildheid renden ze eenm greppel in. men liep zoo snel
men kon de dieren achterna. Een stond nog, trillende
over zijn lichaam. Het andere lag ter aarde, een poot
gebroken.
Juist teon kwam er een boer voorbij, die en schimmel
leidde.
"Wat is er hier gebeurd?" vroeg hij. De koetsier maakte
de touwen van het gewonde dier los.
"We zullen het witte paard voor den wagen spannen,
inplaats van het zwarte."
Dit geschiedde.
Onderwerp
SINSAG 0482 - Das weisse Pferd vor dem Leichenwagen gesehen
  
Beschrijving
In Middelstum woonde een jonge vrouw waarvan het leven voor haar lag als een bloeiende tuin. Vlakbij haar leefde een man met het tweede gezicht. op een dag liep hij op de weg toen hij een lijkkoets zag rijden. Hij wist niet zeker of het een visioen of de werkelijkheid was. De wagen hield stil voor het huis van de jonge vrouw. Voor de wagen waren een wit en een zwart paard gespannen. nadat het lijk ingeladen was, verdween de koets. De man ging langs bij de jonge vrouw. Hij vertelde haar van zijn visioen. de vrouw geloofde de man meteen, maar de rest van het dorp twijfelde aan zijn voorspelling.Totdat de vrouw plotseling ziek werd en stierf. Een vriend van de vrouw had har verloofd om de voorspelling niet uit te laten komen dat de koets getrokken werd door een wit en zwart paard. Echter het lot kan men niet keren. Op de dag van de begrafenis breekt een van de zwarte paarden een been. Een boer komt op dat moment langs met een witte schimmel die men voor de koets spant. En zo kwam de voorspelling toch uit.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 152-156
Commentaar
1919
Das weisse Pferd vor dem Leichenwagen gesehen
Naam Overig in Tekst
Ewsum   
Naam Locatie in Tekst
Middelstum   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
