Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN27 - Het spookhuis

Een sage (boek), 1919

Hoofdtekst

Het spookhuis.

Het is niet zoo heel lang geleden, dat er ergens
bij Dokkum een spookhuis stond. Tegen twaalven
's nachts was er in een der kamers altijd een woest
kabaal, en daarom had men er alle meubels weggehaald,
omdat niemand daar wonen wilde. Alleen stond er nog
een oud bed, waarvoor men inde weoning geen plaats vond.
eens kwam er een oude, arme vrouw, die gedurende
weken had gezworven, aan 't huis. de stormwind had
velen tijd gewaaid, en de donkere hemel, als een onuit-
puttelijke fontein, had stroomen regen over akker en weg
gegoten, zoodat de aarde buiten de steden en dorpen een
groote plas was geworden met slechts enkele eilanden
van kleine belten of klinkersteenen. Door de bladeren
kletterde de regen gemakkelijk naar beneden, daar zij
sinds lang geen hindernis meer waren tusschen grond en
hemel. Het water was in de schoenen der arme vrouw gesijpeld,
en druppel na druppel had het een gleufje tusschen de
poriën gedrongen; de straaltjes volgden den weg der drup-
pelen, golfjes de straaltjes. deze kwamen van de plassen
op het veld: wat nog wreeder bleek, was de gietende regen
zèlve. In 't begin had de oude vrouw haar rok over
't hoofd geslagen, en ze hoopte onder deze eigengemaakte
prapluie den voortdurende stroom te keeren. waar drong
deze lawine niet door? Een poovere bescherming
was dit flardige katoen! Ineens gutste haar het water op
haar bloote hoofd, en vandaarsprong het als een vloed
naar beneden, langs heel haar uitgeteerde lijf, tot op de
schoenen, welke zolen reeds doorweekt waren. Toen ze
ten laatste over veld en weg liep, had de regen vrij spel
over haar gekregen, en evenmin als de bladeen vormde
ze meer een noemenswaardige hindernis, waardoor de
stroom ook maar even gestuit werd. het water kletste,
kletterde van haar hoofd en schouders op den grond. Zij
regende al even erg als de donkere lucht!
Men kan begrijpen, hoe blijde ze was, toen ze eindelijk
een huis had bereikt. Wat ze anders nooit had gedurfd,
durfde ze nu. Ze belde aan.
"Ze kunnen me weg-jagen, wanneer ze dit willen",
dacht ze, " maar anders dan wegjagen kunnen ze me niet,
en er bestaan ergere dingen op de wereld".
Tot haar verwondering vroeg men —nadat ze had
verteld, waarom ze kwam — heel beleefd, of ze niet
binnen wilde komen. Men liet haar in de gang staan,
zoo druipnat als ze was. Een paar kinderen aan 't eind der
gang stonden bedremmeld te kijken, of ze een oud vrouwtje
uit een sprookje ware. Ze moest erom lachen,
want ze hield van kinderen, en ze knikte ze toe,
al kwam daardoor weer water uit haar verwarde haren stroomen.
Een mannestem klonk even.
Er kwam een oude heer naar haar toe.
"Wou je hier overnachten, vrouwtje?"
"Als mijnheer belieft!"
"En ben je bang?"
" Waarom zou ik bang wezen?"
"zou je in een spookkamer durven slapen?"
"In iedere kamer, als mijnheer belieft, al waren er
duizend spoken!"
"Ga maar mee, dan zal ik je de kamer wijzen!"
Ze liep gedwee met hem mede.
"Zonde van de mooie gang", fluisterde ze en ze keek
naar de stralen water, die haar volgden.
"Daar hoef je niet naar te kijken", zei de heer, "als
jij vannacht in de spookkamer slaapt, ben ik wel-tevreden.
Dan kan er misscien een einde aan komen."
Aan de kamer was niets bijzonders te zien, behalve
natuurlijk, dat er geen meubels in stonden, uitgezonderd
het oude bed. Bij het raam was een groote vensterbank
gebouwd: aarop ging de heer zitten en hij keek het
oude, regende vrouwtje verwonderd aan.
"Ben je heusch niet bang?"
"Als mijnheer zoo lang in den regen had geloopen als
ik het deed, zou hij niet bang wezen! Ik ben veel te moe,
om bang te zijn."
"Dus je wilt maar dadelijk gaan slapen?"
"Als mijnheer een handdoek heeft, om me af te drogen.
Want ik ben zoo nat van bonnen en van buiten als een
regenton! dan zal ik slapen in dat lekkere bed."
"Één handdoek! riep de oude heer verrukt. " Wil je
er tien hebben?"
"Zooveel als mijnheer te missen heeft. 't Komt er op
een meer niet aan. Brrr!"
toen kwam er een keurig dienstmeisje aan-trippelen
met een stapel handdoeken, en nog was het oude vrouwtje
nat. Maar het meeste water had ze toch afgewreven, en
daarom stapte ze in het bed; ze droomde van den regen,
die buiten op den grond donderde, en ze sliep door, terwijl
de klok acht sloeg, negen, tien, elf, twaalf, en het spook
reeds vluchtte, Ja, het was reeds laat in den ochtend, toen
ze wakker schrok. De deur piepte, en een klein meisje,
het kleindochtertje van den oude mijnheer, keek nieuws-
gierig om de deur. Daar was niest raars in, want 't oude
vrouwtje lag heel propertjes in haar bed, de hagelwitte,
gestrookte nachtpon tot aan den hals en een pas-gestreken
kantjes-muts om de kin gebonden.
"Kom maar binnen, schatje!:
"Ben jij 't regenvrouwtje?" vroeg 't kleine meisje.
"Ja, wat heb je een mooien naam voor me bedacht! En
hoe heet je, schat?"
"Webkje". "En hoe oud ben je dan?"
"Vier jaar, en de volgende week ben ik jarig!"
Het regenvrouwtje was recht in haar bed gaan zitten.
Het kleine meisje keek haar peinzend aan.
"Hoe komt 't, dat je nou niet meer regent?"
"Ik heb lekker tusschen droge dekens geslapen."
Op de gang klonk een streneg stem. 't Kleine meisje
liep verschrikt weg.
"Grootvader! Hij heeft gezegd, dat ik hier niet mocht
komen!"
Het regenvrouwtje had heelemaal niet meer aan het
spook gedacht. Ze was beleedigd, dat men het meisje had
verboden, haar te bezoeken, en daarom wilde ze zonder
ontbijt vertrekken, al stroomde, stroomde. stroomde het
water uit de lucht. Ze kleedde zich haarstig aan, en sloop
de gang door, de trap af.....Ineens bedacht ze zich. Ze
meost nog voor de verleende gastvrijheid bedanken.
Voor de verschillende deuren bleef ze aarzelen, omdat
zij niet wist, waar ze aan moest kloppen. Eindelijk haalde
zij zichzelf over, en ze tikte maar ergens. Een dikke
gezonde keukenmeid stak haar hoofd buiten de deur. Ze
sloeg de handen ineen, toen ze het oude vrouwtje zag.
"Mevrouw! Mevrouw! Heeren! Kom eens kijken!"
De heele familie kwam aanrennen. Voorop liep de oude
mijnheer, die daar den dag tevoren had geholpen. Hij
schudde 't hoofd, en zei:
"Waarom zou je weggaan, zonder ons te vertellen, wat er
vannacht gebeurd is?!"
"Gebeurd? Er is niets gebeurd! Ik heb geslapen!"
"Is er da geen spook geweest? En ik heb ik je kamer
gestommel gehoord!"
Het oude vrouwtje schudde op haar beurt het hoofd,
en ze zag den heer trouwhartig aan.
"Zal ik vannacht nog eens op den kamer slapen,
en beter oppassen, of het spook komt?"
"Ja, als je dat doen wilt heel graag, en in de keuken
zullen ze voor je klaar maken wat je maar lust."
Den daaropvolgende nacht sliep het oude vrouwtje
dus weer in de spookkamer. Ze had goed gegeten en
gedronken, en ze voelde zich zoo welbehagelijk, als
had ze nooit in den regen gedwaald. Ze was heel
vroeg gaan liggen, om tegen twaalf uur wakker te zijn.
Eensklaps ontwaakte ze, en ze richtte zich onmiddelijk
op. Hoewel het buiten duister was, scheen er in de kamer
een blauw, gedemot licht. Ze wreef zich de oogen uit en
trachtte iets te onderscheiden. Waar kwam dat licht van-
daan? Zou ze roepen?
Dat leek onnoodig. Bij de vensterbank liep reeds iemand
heen en weer, ze hoorde, dat zijn voetstappen regelmatig
waren als van een schildwacht. Angst gevoelde ze niet.
Ze ging op haar knieën zitten, en boog zich over de
bedrand heen. De man, die op en neer marcheerde, hield
zijn schreden in.
"Wie ben je?" vroeg 't oude vrouwtje heel beleefd.
De kerel bij de vensterbank kwam dreigend op haar
toe en hield de knokels zijner handen voor haar gelaat.
"Wil je eens gaan slapen?" donderde hij. "Ik heb
vorigen nacht al last genoeg van je gehad!"
Het oude vrouwtje zuchtte, en zette toen haar slaap-
muts wat steviger op haar hoofd.
"Als je 't zegt, zal ik wel weer gaan slapen. Maar
maak je een beetje voort, alsjeblieft?"
"Nou!" mompelde het spook, "al te bang schijn je me
ook niet te wezen."
Het oude vrouwtje was aan den rand van het bed gaan
liggen, en ze had de oogen half geopend. Ze droeg er
zorg voor, om ze dadelijk te sluiten, zoodra de man naar
haar keek. Door het smalle kiertje tusschen de wimpers
kon ze telkens genoeg zien.
Het was een lange, magere kerel, met een vuile pet
op, en hij droeg gelapte laarzen aan zijn voeten. De broeks-
pijpen eindigden in lange rafels, en in de mouwen van
zijn jas waren groote gaten. Op zijn kraag lag een dikke
laag stof.
"Hij heeft ook niemand gehad, die eens naar hem om-
keek", dacht 't oude vrouwtje medelijdend.
Eensklaps slaakte hij een vreeselijke gil, en liep op
de vensterbank toe. Met zijn nagels sloeg hij in het hout
en blef hij huilend liggen. Weder richtte 't oude vrouwtje
zich op, echter wat voorzichtiger dan de eerste maal.
Gelukkig! Met één sprong was de gestalte weder bij haar,
en zij had net den tijd, om zich achterover te werpen.
Ze deed, of ze snurkte, maar ze voelde, dat deoogen
van het spook in haar vel brandden. De man schudde
woest zijn vuist, waarbij zijn vingers klapperden als
rinkeltrommen."Klapperdeklap klap".
toen geveolde het rgenvrouwtje plost vrees: ze
heeft er later vele malen van verteld, als ze door het land
zwierf. Ze wist ineens, dat haar bleod zwaar woog bij haar
hart, en 't leek haar, of zich buigzame knokels om haar
keel sloten. Ze dacht:
"Dat doet hij", en kleurige ballen, groen en paars en
diep-blauw, sprongen als vuurwerk om haar gesloten
oogen. Hij boog zich over haar heen; zijn adem maakte
haar zoo koud, als lag zij op bevroren grond. Ze kon zijn
nabijheid niet lanher dulden: Doodsnood verstarde den
klop van haar hart. Zij strekte met moeite haar handen
uit, terwijl ze rochelend ademhaalde. toen hoorde ze de
stem van het spook in haar ooren:
"Blijf liggen en zie niet, wat ik doe."
Dit behoefde hij haar niet te zeggen, zoolang hij dichtbij
haar was. Maar terwijl hij naar de vensterbank geleed,
herinnerde ze zich, dat ze hem had willen beloeren en ze
richtte zich iets op. Ze zag, dat hij timmermansgereedschap
uit zijn witte, wijde jas haalde, een hamer, een vijl, en zaag
, en deze op den grond smeet, dat het rinkelde.
Toen wendde hij zich dreigend om. Onmiddelijk liet het
regenvrouwtje zich achterover vallen, en ze sloot de oogen.
Hij sloop somber naat het bed — als een koude tocht
naderde hij — en boog zich over haar heen. Hij wilde
kijken, of zij werkelijk sliep en zoo dicht drong hij zijn gelaat
over 't hare, dat ze de kijkelucht van zijn adem rook, en
zich moest beheerschen, om niet op te springen van walging.
Oef! hij was verdwenen, gelukkig, en ze hoorde nu,
dat hij de vensterbank openbrak. ze kon het in haar bed
niet meer uithouden van nieuwsgierighied. Ze tilde de
beenen over den rand, zette de voeten geluidloos op den
grond, boog het kopje vooruit, gelijk een vogel, die voeder
verwacht, en keek met groote ogen. Op hetzelfde oogen-
blik bijna draaide het hoofd van den geest om zijn schouders
als as, en ternauwernood kon't oude vrouwtje nog gauw
haar beenen binnen bed slingeren, de dekens over zich
hee-trekkend en de oogen met alle geweld gesloten hield:
"Hij moet wel denken, dat ik slaap, maar straks zal ik
zien, wat hij doet."
Toch bleef hij langen tijd naar haar staren, zoodat ten
laaste een andere angst diep in haar geest gewonden
en gesnoerd: zoo hij eens daar bleef staan tot de klok
twaalven sloeg! dan zou ze niemand kunnen vertellen,
waarom hij eigenlijk rondspookte. Ze begreep, dat ze
sterker moest zijn dan haar vrees, en zóó wist ze zichzlef
te beheershen, dat haar adem zoo rustig geleek
als een diep-slapend kind. Haar handen, door 't maan-
licht beschenen, llagen bewegeingloos op 't kussen en het
model van haar mager lichaampje was stijf in de dekens
gegoten, zooals een gipsen beeld in zijn vorm. Het spook
besloot eindelijk heen te gaan. Ze hoorde zijn voetstap,
en zijn nevelige gedaante was ternauwernood bij de venster-
bank, of zij had zich weder opgericht en tuurde met
begeerigen blik naar zijn werk. De slagen van zijn bijl
dreunden dof tegen het hout, en ten laatste spalkte het
bovenstuk van het onderstuk af....:tegelijkertijd rolden
de dukaten, de gouden tientjes, de rijders en de rijks-
daalders rinkelende rinkinkende, vluchtende over elkaar,
jagende achter elkaar in witten en gelen kringloop, over
den vloer. Nu had hij geen aandacht meer voor 't bed en
't oude vrouwtje, want zijn oogen keken en zijn handen
grepen bijna in dezelfde seconde.


Hij ging op den grond zitten, en veramelde al het goud en het zilver,
dat nog in de vensterbank was gebleven en dat vliedde over den
vloer, tot zich. Toen legde hij al het geld op hoopen, en
hij telde, hij telde, hij hertelde, vreeselijk-zuchtende.
Het oude vrouwtje durfde niet te ademen. Ze hield zich
gereed, om dadelijk, bij 't eerste even-beweeg van zijn
hoofd naar haar richting, in het bed te duiken. Hij echter
keek alleen naar zijn geld, tot hij met een nog beklemmender
zucht dan een oogenblik tevoren, opstond, al het goud en
zilver nogmaals in de vensterbank stopte, het deksle erop
hamerde, en (met den laatsetn slag van twaalven) gillend
verdween.
Welk een nacht spande er tusschen dit uur en den
morgen! Welke vreemde gestalten met vurige oogen
zaten haar uit de hoeken van de kamer aan te staren! Waae
was het begin gebleven, en waar zou het einde nederkomen?
Zij kon niet meer slapen, het arme vrouwtje! Buiten ruischte
de regen, al maar voort, en ze moest eraan denken, hoe
den volgende ochtend — doch deze zou wellicht nooit
aanbreken — ze over de belden ging dwalen, terwijl de
hemel open stond van het water. Ze moest er telkens over
peinzen, hoewel de dag zoo verre en nevelig was.
Buiten, boven den donkeren, plassenden regen kleurden
de wolken zich grijs: het licht, mat en zwaar, drong uit
het Oosten over de wereld. Het oude vrouwtje werd zich
van den schemer bewust, en ze was er blijde om. Ze sprong
haar bed uit, ze kleedde zich met haar bevende handen
vlug aan, en — de deur piepte — ze ging naar beneden.
Niemand had haar gehoord. Rijkelui kunnen blijven slapen,
zoolang ze willen, en daarom hebben ze kussens van fijne
veeren, en peluwen van satijn en zwanedons.
Het oude vrouwtje wachtte geduldig in de mooie kamer.
Thans behoefde ze niets meer te vreezen. Er waren al
menschen in de plaats op: een wagen reed langzaam
voorbij, en ze hoorde, dat twee mannen met elkaar praten.
Eindelijk kwam er ook beweging in het huis, waar zij
zat. Een slaperig dienstmeisje keek om de deur, en schrok,
toen ze het vrouwtje bij de tafel zag.
"Is het spook geweest?"
"Ja! En maak je baas maar wakker. Er is heel veel
geld in de vensterbank boven!"
In een oogwenk was de dienstmeid verdwenen, en al
heel gauw was iedereen in de woning op. men vormde
een kring om het oude vrouwtje, dat vertelde van den
geleden nacht. Zij knikte, bij het zelf-herleven, herhaaldelijk
met het kopje.
Men wilde het niet gelooven. Had zij niet gedroomd?
Ze glimlachte. Neen! Ze wist het zeker. Ze hoorde in
haar ooren de slagen terug.

"Ga maar kijken. Dan zal de rijkdom jullie in den
schoot vallen."
Men geloofde naar nog niet, toen men de vensterbank
openbrak. Daarna moest men haar echter wel gelooven!
Want het geld sprong, met als in den vorigen nacht, over
den vloer. Hu! wat hadden die gouden tientjes een haast,
om uit hun gevangenschap te geraken. Ze wisten wel, dat
ze niet in de nege cel thuis behoorden, ze moesten op de
wijde wereld zijn, en daar veel kwaads en goed doen.
Ze moesten de misdaad wekken en de misdaad bestraffen,
en ze moesten de spieren der menschen sterk maken. En
de rijksdaalders en de guldens, ja de kwartjes en de
dubbeltjes volgende onverdroten, zooals na een zachte bui
een plasregen valt. wat hadden ze een haast, om de
woorden van het oude vrouwtje waar te maken. De kinderen
gristen en grabbelden.
Toen begon men elkaar te vragen, wat er toch wel
geschied kon zijn, en men dacht langen tijd na over het
vreemde geval. Eindelijk zeide de oude heeer, dat in dit
huis eenigen tijd geleden een gierigaard had gewoond,
die niet om God of gebod gaf, geen liefde en barmhartigheid
kende, en daarom den armen man van zijn woning had
gejaagd. Hij had het geld lief, als een bloem het licht:
hij kon er niet zonder leven. Ieder dubbeltje, dat hij moest
uitgeven, scheen hem aan de handen te kleven, en met
moeite schudde hij 't af.
Wie zóó denkt en doet, zal, op welke wijze ook, een
misdadiger worden. Wie des daags aldus over het geld
waakt, droom er des nachts over, en dan sluipen in deze
droomen de sluwe gedcahten, welke des morgens vast
zijn geweven met het wezen des gierigaards. Heeft hij
drank gedronken, dat zijn vingers beven? De een leent
geld tegen woekerrente, de ander heelt off bedriegt, of
doet anderen voor hem smokkelen. Maar niet allen gaan
de gevangenis in! Neen, velen eert men zelfs tijdens hun
leven, want geld heeft een zwarte macht....
Ook deze gieraard was een slecht mensch geweest:
men wist niet veel van hem, doch dit wel. Men mompelde
hierover en daarover. Men vertelde, hoe hij zonder erbarmen
het huis van een schuldenaar had verkocht, alleen om der
wille van het geld.
Welk een vloek!
Hij stierf, zonder dat iemand zich om hem bekommerde.
Hij werd van de armen begraven, omdat men geen cent
vond in het groote huis, hoeveel geld hij daarvoor ook
had opgenomen. waar wqas het gebleven? In de kasten
vond men slechts afgedragen kleeren.



Men heeft niet aan de vensterbank gedacht. Wie zal
vermoeden, dat men in een vensterbank geld kan ver-
stoppen? Daarom keerde hij naar deze kamer terug, zoo-
lang men de schat niet had gevonden. Iederen nacht
moest hij tot zijn straf het geld tellen, gelijk hij het tijdens
zijn leven had geteld, tot het weder onder de menschen zou
rollen. "Nu komt hij niet terug", zeide de oude heer. "Wat
zou hij bij ons nog moeten doen? Op 't kerkhof is zijn
plaats en zijn geraamte blijft in de doodskist geklemd."
"Is het waar? vroeg het oude vrouwtje verrukt. "Dan
heb ik hem verlost."
"Ja, en daarvoor mag je bij ons blijven!"
"En wat moet ik dan hier doen? Neen, neen, over den
weg moet ik gaan, onder de boomen staan, derven,
zwerven en sterven."
Ze legde de versleten rok over haar hoofd, en ze kke
niet eenmaal om. De regen sloeg over de wegen, gestriemd
door de wind. De kinderen riepen haar wat na, woorden
van kinderen, welke alleen oude menschen begrijpen, die
veel hebben gezien, en ze glimlachte, terwijl het water al
weder in haar schoenen drong.....

Beschrijving

Het is niet zo heel lang geleden, dat er ergens bij Dokkum een spookhuis stond. Tegen twaalven 's nachts was er in een der kamers altijd een woest kabaal. Eens kwam er een oude arme vrouw, die weken door de regen had gezworven, aan 't huis. Ze wilde graag in het huis overnachten. De bewoners van het huis vertelde van de spookkamer en vroegen haar of ze daar wilde overnachten. Misschien zou zij het spook kunnen verjagen. De vrouw stemt toe. De eerste nacht is de vrouw zo uitgeput, dat ze niets van het spook heeft gemerkt. De tweede nacht spreekt ze het het spook aan, die haar opdraagt te gaan slapen. De oude vrouw is echter erg nieuwsgierig wat het spook allemaal uitspookt en blijft stiekem naar het spook kijken. Het spook bemerkt het en springt op het oude vrouwtje af en waarschuwt de vrouw ten tweede male. Daarna ging hij weer door met zijn werkzaamheden. Nog voorzichtiger kijkt ze toe. Ze ziet hoe hij de vensterbank aan stukken slaat. Uit de vensterbank rolden vervolgens dukaten, rijksdaalders etc. over de vloer. Toen ging het spook op de grond zitten en zijn geld tellen. De volgende dag verteld het vrouwtje wat ze heeft gezien. De bewoners geloven haar niet. Nadat ze de vensterbank open hadden gebroken, moesten ze haar wel geloven. Want het geld sprong, net als de vorige nacht over de vloer. Men vroeg zich af wat de geschiedenis was van het spook. Na een tijd vertelde de oude heer dat er vroeger een gierigaard in het huis had gewoond. Toen hij stierf had men geen penning in het huis kunnen vinden, terwijl hij toch heel rijk was geweest. Niemand dacht aan de vensterbank. Na zijn dood was de man vervloekt. Iedere nacht moest hij zijn geld tellen, gelijk hij tijdens zijn leven had geteld, tot het geld weder onder de mensen zou rollen. Nu had de oude vrouw hem eindelijk verlost.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 141-151

Commentaar

1919

Naam Overig in Tekst

God    God   

Webkje    Webkje   

Naam Locatie in Tekst

Dokkum    Dokkum   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20