Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN32 - De begrafenis in de nacht

Een sage (boek), 1919

Hoofdtekst

De begrafenis in den nacht.

Er moet in Opende een herbergier hebben gewoond,
die de gave van den voorloop bezat. Maar hij wist dit
niet, want geen mensch had hem ooit verteld, dat hij met den
helm was geboren. Ja, niemand scheen het te weten: de moeder,
de tantes, de baker, die in zulke gevallen de wonderlijke tijding wel
ver in de rondte zaaien, zwegen.
Dit is niet goed, neen, dit is niet goed. De kinderen, die met den helm
geboren zijn, moeten — als de helm niet is verbrand — tijdig begrijpen,
hoeveel smart zij zullen lijden. Voor hen vloeit toekomst en verleden te
zaam. het wonderlijke was, dat de herbergier noch zijn omgeving ooit
iets van den voorloop hadden gemerkt.
Als knaap onderscheidde hij zich in niets van zijn vrienden.
Als jongeling vrijde en won hij een jong meisje. Als man
zette hij zijn zaak op, en achter de toonbank bepraatte hij de dingen van
den da met zijn klanten. over veilingen in de omtrek, over sterfgevallen,
en huwelijken, en den stand van het graan.
Het leek, of hij sterven zou, zooals hij geleefd had: zonder dat iemand
ter wereld bevroedde, welk een man hij was.
Dat hij meermalen, als er weinig menschen in de jachtweide zaten, droomerig
achter de toonbank stond, en soms met zijn hand langs zijn voorhoofd streek,
zooals zij doen, bij wie de gedachten fel in het brein branden, vond hij
niets bijzonders. dat zijn moeder, die bij het haardvuur in den winter breide,
dan opkeek, verwonderde hem niet. Eens vond er tusschen hen een gesprek
plaats, hem iets had moeten doen begrijpen. Hij leunde over de toonbank.
De gelagkamer was verlaten. Eensklaps dwong hem een macht, om zijn
vingers op 't hoofd te leggen. brandden zijn hersenen werkelijk?
"Wat heb je, jongen?" vroeg de moeder. "Jongen", zoo noemde ze hem altijd.
"Niets, moeder, niets! wat zou ik hebben? Ik denk maar zoo wat."
"denken is gevaarlijk. Er zijn menschen, die niet mogen denken!"
"Ik heb het wel meer!"
"Zie je dan wat, jongen?" Ze stond op. Hij klaagde.
"Wat zou ik zien? Ik wou, dat ik wat zag. dan zou ik vrij zijn, denk ik!"
"Bid God in de Hemel, dat je nooit wat zien zult!"
Ze zwegen beide. ieder had zijn eigen gedachten. Toen kwam er een
klant binnen. Wie lette er op de oude, grijze vrouw, die bij den haard zat?
Wie denkt ooit aan den ouderdom, en zijn stille, wijze gedachten?
plaats voor de jeugd en de vreugd en de zorgeloosheid!
Ze zat in een hoek gebogen, de witte, lange vingers
aan de wangen, en wanhopig van smart staarde zij voor zich uit.
waarom had ze hem niet verteld, welk een last hij moest dragen?
Nu praatte hij onbekommerd met den man aan het tafeltje.
Welk een angst voor haar.......
In den zwoelen zomer nam ze denzelfden stoel als in den winter,
en ze boog zich weder huiverend over den kouden haard.
De herinnering aan het vuur, dat daar in den winter brandde,
deed haar goed. Doch haar zoon stond aan de deur en zag den nacht in.
Reeds zong er geen vogel meer. De velden lagen zoo wijd in den duisteren
schemer, zoo wijd....De weg leek er te smaller om.
De herbergier bemerkte, dat heel in de verte een wagen
naderde, hel langzaam, zoodat hij achter den nevel aan
den horizon niet vooruit scheen te komen. De herbergier
moest ernaar kijken, hij boog zijn hoofd iets voorover.
Wel een vreemde wagen.
Hij wist niet, hoelang hij had gestaard. De duisternis
spreidde haar geruischlooze sluieren over den hemel, over
den akker, over den weg. de nacht begon zonder sterren.
De stilte over een klein, vergeten dorpje....Welke stilte
is zoo groot en diep?
hoewel alles nu donker was, zag de herbergier den wagen
duidelijker, omlijnder dan zooeven in den schemer.
Ook kwam hij nu dichterbij, al bleef de gang even langzaam.
Stap voor stap, als voor een doodenkoets, gingen de paarden.
Als voor een doodenkoets? Maar het was er een.
"Onzin!" dacht de herbergier. "Des nachts begraaft
men toch niet! "Hij ging in de herberg terug, en hij zag zijn
moeder aan. "Wie is er dood in Opende, moeder?"
"Niemand, jongen......En waarom vraag je me dat?
En wat is er, dat je op den weg hebt gezien. Je bent bleek.
Wat is er?"
"Er komt een lijkwagen aan, moeder!"
Ze stond op, en huiverde niet meer. Ze stelde zich naast
hem, een moeder, die haar kind verdedigt. Zij voelde zich
plots jonger, en hij werd voor haar een klein knaapke,
met korte broek, de handen vuil, de pet onverschillig over
het wanordelijk haar.
"Wat zie je dan?"
"Hier vlak bij, moeder — straks zullen ze voorbijgaan.....
de zwarte paarden....het zwarte rijtuig....... de man op den bok
.....Wie brengt men 's nachts naar het kerkhof?"
"Niemand. Geloof je moeder, ze heeft altijd de waarheid gesproken.
Waarom zou ze je dan nu voorliegen?"
"Kijk! de paardekoppen zijn al ter hoogte van de herberg!
Daarachter strekken zich de lichamen uit en de staarten hangen neer.
Het lijkt, of de wagen stilstaat, zoo langzaam loopen de paarden
ervoor....En toch....hij komt voorbij.....hoe weet ik niet....."
"Maar het gebeurt toch nooit, dat er 's nachts menschen begraven worden?"
"Ik begrijp het ook niet. Ik begrijp het ook niet. als ik met den helm
geboren was...." ze schreeuwde het van angst uit.
"zeg zulke dingen niet! Zeg zulke dingen niet!" Slechts weinig
menschen staren in hun eigen geheim. Hij lachte zijn vrees weg.
"Dan zou je het me wel hebben verteld!" vroom herhaalde ze:
"Dan zou ik het je wel hebben verteld!"
Den volgenden ochtend vroeg hij elke gast, of er dien nacht
niet iemand was begraven. Men meende, dat hij had gedroomd.
"Of heb je te veel klare gedronken?" vroeg een spotvogel.
"Dat zal 't wel geweest zijn, man!"
"Dat is het niet geweest. Wel, moeder?! Ik had geen borrel op!"
Allen, die in de jachtweide zaten, keken hem lachende aan.
Er hadden menschen op den weg gewandeld, en niemand had een
lijkkoets gezien. Men spotte sindsdien veel met den herbergier.
Voortaan bestonden er altijd wel lieden, die hun mond niet konden
houden, zoodra zij in de kroeg kwamen.
"Heb je gister weer zoo gedroomd?" Of: "Hoeveel dooden zijn
er vannacht voorbij-gedragen?"
Zoowel hij als zijn moeder zwegen. Zij beiden wisten,
dat hij den wagen had gezien; de moeder dacht: "in voorloop",
de zoon: "in werkelijkheid!" Zij begreep, dat het onheil voor Opende
niet kon uitblijven. Dikwijls peinsde zij:" zal ik 't hem zeggen?" Doch
ze had zich al die jaren reeds stilgehouden. Zij vreesde de seconde,
dat hij zijn vervloekte gave zou kennen. Toch twijfelde ze niet,
dat die seconden ook zonder haar zou komen. Nog dienzelfde zomer brak
er in Opende een besmettelijke ziekte uit, welker wezen de doktoren niet
kenden, en zelfs professoren, die men uit Groningen ontbood, begrepen
niet, hoe men er zich tegen moest verzetten. Er lagen vele dooden in
de huizen, kinderen en volwassenen. De lijkkoets had werk als nooit te voren.
Op een dag — het was stil in de herberg — zaten moeder en zoon tezamen.
Zij wilde hem nu alles bekennen. Doch dit behoefde nu niet meer.
Plots sloeg hij de handen voor het gelaat.
"Ik heb den voorloop! Ik heb den voorloop!"
"Ja jongen", zeide ze eenvoudig, "je bent met den helm geboren!"
"Ik wil het aan allemaal vertellen. Ze moeten me helpen,
het tegen te houden."
toen zich dien avond een gezelschap in de jachtweide
verzamelde, ach! hoevelen waren er niet, die ontbraken,
stelde zich de waard aan de lange tafel, en hij boog zijn hoofd,
gelijk een misdadiger, die zijn schuld belijdt. Allen zwegen,
terwijl hij sprak. neen, nu alreeds spotte men niet meer.
"Ik heb wat te zeggen, mannen, wat ik noot wist. Ik ben met den
helm geboren, en daarom heb ik al het ongeluk vooruit gezien.
Wat beteekend het? Ik durf er niet aan te denken en toch weet ik het........
Wij zijn toch gewoon overdag te begraven, en waarom ging mij dan de
lijkkoets in den nacht voorbij?" Radeloos hief hij de armen ten hemel.
Eindelijk zei de oude vrouw:
"Ik had het allang eerder moeten vertellen. Dan had niemand gelachen
en hadden we geweten, dat 't moest komen!"
"Maar moeten wij het dan laten komen?" riep een der bezoekers toornig.
"Laten we's nachts niet begraven!"
Men mompelde nu dreigende woorden, tegen het ingeziene noodlot.
Enkelen sloegen de vuisten op tafel en vloekten. Wilde de vreeselijke
ziekte niet uit het dorp Opende wijken? De verdoemenis vrat door, als
een hongerige hond.
velen, die dien dag uit de herberg thuis-kwamen, vonden hun ouders
of hun vrouw of hun kinderen krank te bedde..
De Lijkwagen hield voor menig huis stil. De doodgraver
groef graf na graf. Het dorp lag in de stilte, iederen zomerdag.
Toen werd er bevolen, dat de zware koets ook 's nachts zou rijden.
Er waren te veel dooden. Men kon hen niet onbesteld laten.
De doktoren zeiden, dat het gevaarlijk was....het gansche dorp verzette er zich tegen.
Men wenschte liever het ergste te lijden, vóór men hier in toestemde.
De doktoren schudden hun hoofd. wilde men dan, dat de gansche streek
besmet zou worden? Toen zei de herbergier, toonloos, en zijn armen
hingen slap langs het lichaam:
"Het moet toch gebeuren."
Dien avond stond hij op den drempel van zijn herberg.
Uit den schemer, ver weg aan den horizon, kwam de lijkwagen,
die stil scheen te staan. Of stond hij waarlijk voor een huis stil?
langzaam naderde de doodenkoets. De nacht legde zwarte vlekken
in den blanken nevel, overal, die breeder werden, zich aaneensloten
als schakels van een ketting. Ketting vleide zich onhoorbaar op ketting,
in alle richtingen, en ook de schakels werden nauwer.
De nacht.......
De waard zag de wagen komen, niettegenstaande het duister, omdat
de nacht lichter leek dan de begrafenis, die naderde.
Hij onderscheidde de paardenkoppen, de paardenlijven, den bok
met den koetsier......de stoet ging hem ten tweede male voorbij,
doch thans in werkelijkheid.

Onderwerp

SINSAG 0489 - Das zweite Gesicht    SINSAG 0489 - Das zweite Gesicht   

Beschrijving

In Opende woonde eens een man die met de helm geboren was. Als hij in zijn herberg achter de toonbak stond, streek hij meermalen met zijn hand langs het hoofd omdat gedachten fel branden. Hij vond dit niets bijzonders. Op een dag zag zijn moeder dat de man langs zijn hoofd streek en vroeg hem wat er scheelde. Hij vertelde dat hij zomaar wat dacht. Ze vroeg hem of hij tijdens het denken wat zag, maar hij ontkende dit. Op een dag kijkt de herbergier 's nachts naar buiten. Daar ziet hij in de verte een dodenkoets het dorp naderen. Hij denkt bij zichzelf: "in de nacht begraaft men geen doden". Hij vraagt zijn moeder wie er dood is gegaan. Ze antwoordt dat er niemand is gestorven. Dan vertelt hij haar wat hij heeft gezien. Als ze komt kijken zien ze niets. De man begrijpt er niets van, maar de moeder begrijpt dat haar zoon een visioen heeft gehad. Als hij het de volgende dag verder vertelt, geloofd niemand hem en bespotten ze hem. Maar niet lang na deze gebeurtenis heerst er een besmettelijke ziekte in het dorp. Er sterven vele mensen en de lijkwagen rijdt af en aan. Na een tijdje beseft de man dat hij een voorgezicht heeft gehad. Hij vertelt het aan het dorp en vraagt hen te voorkomen dat zijn gehele voorspelling, over de begrafenis in de nacht, uitkomt. Echter het lot kun je niet keren en zo worden er uiteindelijk ook mensen in de nacht begraven.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.178

Commentaar

1919
Das zweite Gesicht & TM 2901: Helmdragers

Naam Locatie in Tekst

Opende    Opende   

Groningen    Groningen   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20