Hoofdtekst
De gestorven vrouw.
In een huis dichtbij Dokkum gebeurden vreemde dingen.
Er woonde een oude vrouw bij haar getrouwde dochter,
en men zeide, dat de man vaak dronken thuis kwam.
De oude vrouw had haar vaste plaats aan het venster,
waardoor zij de voorbijgangers kon zien, die haar allen
groetten, van den burgemeester tot den jongsten slagers-
knecht, want ze was met eere oud geworden. Ze had nooit
een mensch ter wereld bedrogen, ze had nimmer gelogen,
ze had medelijden gekend met den armen zwerver.
Er zijn rimpelen van zorg en berouw op de voorhoofden
der menschen. Iedere rimpel heeft zijn eigen verhaal: hier is
een rimpel, omdat men een aalmoes heeft geweigerd, lange
jaren geleden; daar een rimpel, omdat men zijn vriend heeft
verraden om geld of uit onnadenkendheid;
ginds is de vreeselijkste rimpel, omdat men zichzelf heeft
verkocht. Dit zijn de rimpelen van hen, die gezondigd hebben.
Op 't voorhoofd der oude vrouw waren deze rimpelen
niet. Bij haar waren het zachte, stille, onzekere lijnen,
groeven kon men ze niet noemen, zóó weinig diep waren ze.
Bij haar waren 't de rimpelen van een eervol leven.
Nu ze oud werd, zag men een warnet van deze rimpelen
Op haar voorhoofd, en ze glimlachte erom, als ze even
opkeek van den bijbel op haar schoot.
Ze droeg een grooten uilebril, want zóó kon ze beter
lezen. Al vijftig passen voor 't hui dacht ieder, die haar
voorbij zou gaan:
"Straks zie ik de oude vrouw!"
De dagen kwamen, dat ze niet meer glimlachte. Wel
las ze den Bijbel, doch niet meer met blijmoedigheid.
Wat ging er toch in 't huis om, dat zich de rimpelen van zorg diep
legden in haar voorhoofd? Zij durfde bijkans niet meer te groeten,
van har plaats bij het venster. Het was, of haar oogen achter den grooten
uilebril smeekten: "Ga liever mijn huis voorbij! Doe, of ik niet besta.
Groet mij niet!
men kon haar venster niet voorbijgaan, zonder haar
toe te knikken. Dan neeg ze eerbiedig 't oude hoofd, want
ze wilde niet gaarne iemand beleedigen, zelfs, nu zij wel
spoedig sterven zou. Het verdriet was in haar bloed als
langzaam-werkend gif. Rust....rust....rust......alleen
't kerkhof.....alleen daar........
De menschen begrepen het niet, dat eens achter 't venster
de oude vrouw niet meer zou zitten. Zij was de meesteres,
en zoo zij er niet bleef, om orde en toezicht te houden,
mocht men in dit huis alleen misdaad verwachten. Hoe
vreemd het ook schijnen moge, de oude vrouw kon het
minst van allen worden gemist. Toch bemoeide ze zich met niets.
Zoolang het zonlicht scheen, zat ze bij 't venster;
in de schemering ging ze ter ruste. Op het oogenblik,
dat ze sterven zou, moest de misdaad (wier schaduw vóóruit
in de kamer geworpen was) binnetreden, even vreeselijk
als die andere gasten der menschheid: honger en dood.
het huis stond eenzaam op het veld. Daar komen de
schaduwen het gemakkelijkst binnen. Er is niets, dat haar
tegenhoudt. Doch — hoe wist ze niet — al was de schaduw
der misdaad in de hoeve, de misdaad zelve hield de oude
vrouw, met de laatste kracht van haar leven, buiten
de woning; zoolang zij voor 't venster zat des daags, kon er
niets gebeuren.
De oude vrouw moest sterven. Nog zat ze voor 't venster,
den grooten uilenbril op den neus, handen aan den bijbel.
Nog groette ze een ieder, die voorbij-kwam. Ze had gewei-
gerd, om in haar bed te gaan liggen.
"Hier wil ik dood gaan", zeide ze met vaste stem.
Zoo stierf ze vóór 't venster, nadat ze nog dienzelfden
dag velen had gegroet. Ze werd al spoedig begraven.
Men mocht haar vergeten. Is dit niet het lot der dooden?
Zonderling, dat ze niet mer voor 't venster zat. Nu
kon de misdaad vrij binnentreden. Dikwijls hoorde men
rumoer in de kamer. Eens kwam de jonge vrouw naar
buiten, een doek voor 't gelaat, en toen men haar vroeg,
wat haar scheelde, antwoordde ze niet. De oude vrouw
was niet meer in huis! De jonge vrouw weende, als ze alleen
zat. "Moeder! moeder! waarom bent u er niet meer, om me
te beschermen? Ik had willen dood gaan vóór u. Dit leven.....
is.......te zwaar......voor mij. Ik houdt 't niet uit, altijd die
dronkaard om me heen. Hij wil me vermoorden! Dat is
't beste, wat hij kan doen. Dan ben ik uit dit vreeselijke lijden."
Ze zeide dit, zooals velen, die beweren niet angstig te zijn
voor den dood, en dus toch den dood in een bepaalde vorm vreezen.
Er kwamen nooit vreemde menschen in 't huis. De stilte was een deel
der kamer, tot man en vrouw tezamen waren. Goed! dat de hoeve zoo
verre lag. Men sprak ervan, dat ze toch niet met deze dronkelap had
behoeven te trouwen. Er waren jongens genoeg geweest in haar dagen
van lach en dans en onbezonnenheid; waarom koos ze nu juist de
verkeerden uit?! Te kust en te keur had ze kunnen gaan. O dwaasheid
der jeugd. Het kon niet langer zoo duren. Maar hoe moest het einde zijn?
Op een goeden dag kwam iemand het huis voorbij. Hij
keek naar binnen.
Achter het venster zat de oude vrouw.
De gestorven vrouw.
Op haar neus droeg ze den grooten, ronden uilebril,
en op haar breeden schoot hield ze den Bijbel. Ze had
haar hoofd gebogen, maar toen de voorbijganger haar
zag, groette zij, zooals ze in het leven groette. Hij bleef op
dezelfde plaats, en hij vreesde, dat zijn hart niet meer klopte.
De jonge vrouw ging naar buiten, om uit den regenbak
water te scheppen. Ze dompelde den emmer in het vat,
en stond daarna een oogenblik stil, keek om zich heen, en ze
bemerkte den man, die naar het venster staarde.
"Wat kijk je?' glimlachte ze.
Hij wees naar 't huis, en ze deinsde terug.
De oude vrouw achter het venster groette haar eerbiedig.
"Wat is dat?" kreet de jonge vrouw angstig."Moeder..."
De oude vrouw opende den mond niet.
Van dat oogenblik was de zwijgende, oude vrouw (alleen
overdag zat ze vóór 't venster en in de schemering loste ze op
als een schemering) weder de meesteres in het huis.
De man kwam, zóó beschonken als hij nog nooit geweest
was. Hij zeulde langs de regenbak heen, viel, gelijk men
op een glad-bevroren weg valt, pardoes neer, krabbelde
zich verdwaasd, naar de muren blind tastend, op, en kwam
van aanzicht tot aanzicht —slechts door het raam
gescheiden — vóór de oude, doode vrouw te staan. Hij
strekte zijn armen uit, en tierde als een waanzinnige, hoewel
hij in dezelfde seconde nuchter was geworden.
De jonge vrouw liep 't huis uit, tot ze voor hem stond.
Heur haar was in wanorde, in lange, sprietige slierten
sloeg het langs haar wangen, haar handen schenen magerder,
haar adem kort en hijgend.
"Jij....jij....jij hebt moeder teruggebracht!"
"Wat zeg je?" schreeuwde hij.
De oude vrouw groette hen beiden. Hij riep smartelijk:
"Moeten we daarmee leven?"
"Jouw schuld....."
'Hoelang zal 't duren?"
'Dat weet ik niet. Een doode bewaakt ons."
"Durf jij 't huis in-gaan?"
"Als je in de kamer bent, zie je niets. Zoodra je buiten komt..."
"Ik zal andere ruiten in 't venster zetten."
"daarmee jaag je haar niet weg."
"Ze moet heengaan", huilde hij. "ze zal ons verdrijven.
Ze moet —"
Hij deed andere ruiten in het venster zetten, gelijk hij
had gezegd. Vreemd! daarmede bande hij haar niet uit de kamer.
Zij zat, als een stomme gast, bij het raam en knikte al haar oude
vrienden toe. Ze kende ieder weder, als had ze nooit het huis verlaten.
Ze zat er, om haar dochter te beschermen, gelijk een levende moeder.
Wie durfde nog te gelooven, dat ze deze aarde had verlaten!
Ze was een beeld der werkelijkheid, dat haar hoofd kon
nijgen, en dat een uilebril noodig had, om in den bijbel te lezen.
Des avonds zaten man en vrouw zonder twist bij elkaar.
Als de een de ander aanzag, behoefden ze geen van beiden
te twijfelen over hun wederzijdsche gedachten.
Ze durfden langen tijd niet te spreken, want ze waren bevreesd,
dat de oude vrouw dan ook des avonds zou verschijnen, en
misschien iets zou zeggen.
Nadat dit vele maanden had geduurd. stond hij plots
snikkend op.
"Jaag jij haar weg........vertel haar, dat ze niet meer
nodig is."
Gelijk een vleermuis, die de zijden draden in de duisternis
gespannen ontwijkt, zóó ontweken haar gedachten zijn
angstige woorden, en ze wondden er zich gelukkig niet aan.
"Laten we naar bed gaan", zeide ze droeve. "Het is laat."
"Laat of vroeg — ik weet niet meer, wat 't is, sinds
de oude vrouw hier leeft."
"De nacht komt — buiten is het al donker."
"Morgen komt toch 't licht. Ik ben banger voor den
dag dan voor den avond!"
"Alle lampen zijn al uit."
De onze brandt lang, maar ze kan den dag niet
tegenhouden."
"Ik ga alleen."
"Wat houdt den dag tegen?" vroeg hij radeloos van smart.
"Wel te rusten —" Hij lalde als een dronkeman.
"Vergeet je dan, dat 't licht moet komen. Het licht!
Het licht!"
Hij zag, dat ze heenging van de tafel en zich ontkleedde.
toen legde hij de handen voor 't gelaat, zoodat er niets
dan duisternis voor zijn oogen stond. Zij blies zorgzaam
de lamp uit.
Ja, den volgende morgen ging de oude vrouw weder
voor het venster zitten. Ze deed, of ze den man niet zag.
Ze groette iedereen, die voorbij-ging, even vriendelijk. Ze
hoorde blijkbaar niet, wat de man tot haar dochter zeide.
"Vraag 't haar — ik merk aan de menschen, dat zij
er weer zit."
"Wat moet ik haar vragen? Ik zie haar niet —"
'Ga voor 't venster staan, en zeg me, of ze er is."
De jonge vrouw trad naar buiten, en de moeder
groette haar.
"Wat moet ik mijn man zeggen? Hij wordt nog waan-
zinnig. Welk een straf!"
Ze bleef even treuzelen. Toen trad ze wankelend de
kamer weer in. Hij richtte zijn hoofd op.
"Zij is heengegaan, nietwaar? Ze kan niet eeuwig blijven."
"Zoolang als jij leeft. Er is geen genade. Ze glimlacht,
maar ze blijft." Hij smeekte.
"Vraag 't haar dan, dat ze heen zal gaan! Dan doet
ze 't. Zij is de moeder, jij bent haar kind!"
"Ik heb geen macht meer over haar. In 't hart der
dooden is de liefde vergaan."
"Welke liefde vergaat? Dat is geen liefde, die vergaat.
Zou ze hier zitten, wanneer haar liefde vergaan was? Dan
zou ze op 't kerkhof zijn."
"En als zij een gezondene is?" Hij greep haar bij den arm.
"Een gezondene? O, dan blijft ze! Val op je knieën."
'waarom? Als ze een gezondene is, heeft dat geen nut."
"Probeer 't — anders zal ik moeten sterven!"
Ze naderde het venster. Ze kon treden tot vlak voor
de ruit, doch ze waagde dit niet.
"Val nu neer", huilde de man wild. "Ze zal je misschien
verhooren."
"Moeder!" kreet de dochter. "Uw kind spreekt met u.
U heeft mijn tranen gedroogd, toen ik klein was, en later
hoefde u mij maar aan te zien, om me te doen glimlachen.
Verdriet heb ik in dien tijd immers niet gekend?"
Zooals 'men zich soms een dag in 't voorjaar herinnert
— zongen ooit de vogels schooner? — zóó ontbloeide
haar jeugd voor haar door tranen wilden blik: iedere
geschiedenis was een eigen bekoring, maar alles tezamen
was de weelde van den lentedag. Hier schoot de gedachte
aan een verjaarsfeest haar in den geest, hoe moeder haar
een geschenk op bed neerlegde — en ook gevoelde ze
weder moeder's kus op den wang, toen ze vertelde, dat
meester haar had geprezen. Ze riep den zoeten, vertrouwden
naam, die eenige jaren geleden de oude vrouw bij het
raam had doen op-schrikken, en haar glimlachend haar
dochter had doen aanzien.
"Moeder! moeder! moeder!"
Thans kwam er geen antwoord, en de jonge vrouw
strekte haar armen naar haar man uit.
"Zie je wel? 't Helpt niets, hoe ik haar ook vraag..."
"Vraag haar dan, wat ik heb gezegd", riep hij onge-
duldig, "dat heb je nog niet gedaan"
De jonge vrouw kroop op haar knieën tot vlak voor
de plaats, waar haar moeder zitten moest.
'Moeder! hij zal me nooit meer slaan. Het is genoeg
geweest."
"Ga nu naar buiten!" beval de man.
Ze deed naar zijn wil, en stelde zich nogmaals vlak
voor het venster. wanhopig vouwde ze de handen, ziende,
dat de oude vrouw bij het raam zat, den Bijbel op haar
schoot. Ze keerde in de kamer terug. haar man keek
niet op. Hij vroeg niets, doch zij gaf hem op zijn zwijgen
antwoord.
"Ze is niet heengegaan. 't Helpt niets, of ik in 't stof
voor haar kruip. Haar hart is dood!"
"We gaan op zolder wonen. Ik laat achter in 't huis
een trap maken. We komen nooit meer in deze kamer
terug. Ik wil zien, wie het sterkste is, zij of ik!"
"Nee — nooit in deze kamer terug", zeide ze blijde.
"Dat zal 't einde zijn. "
"Ze zal 't hier niet meer uithouden", snikte hij, tot
waanzin gelukkig, "en als alles over zooveel jaar voorbij
is, kunnen we weer naar de kamer gaan."
Hij timmerde op den zolder een bedstede, en hij zette
de stoelen en de tafel daarbij. Ze hadden thans beiden het
gevoel; of ze heel ver van de kamer leefden. Ze vermeden
het zooveel mogelijk, naar buiten te gaan. Alleen, wanneer
de vrouw water uit de regenton moest scheppen, verliet
ze het huis, doch dan zorgde zij er wel voor, dat ze haar
blik van het venster afwendde. Dit hielp haar niet! Dikwijls
bemerkte ze het met schrik, hoe de voorbijgangers stil
bleven staan; daaruit wist ze, dat de oude vrouw nog
altijd voor het venster zat.
Eindelijk konden de twee menschen ook op de zolder
deze gedachte niet meer verdragen. Waarvoor zou zij, die
beneden was, wijken? Niet voor smeeken, niet voor geweld.
"Ik zal morgenvroeg gaan zien, of zij er nog is!" zeide
hij eens, terwijl ze dan ganschen avond, door de wereld
verlaten (wie wilde heb in dit verdoemde huis nog bezoeken?)
zwijgend tegenover elkaar hadden gezeten, "En dan..."
Hij sprak de zin niet uit. Zij hield zich aan haar stoel
vast, en staarde hem met groote oogen aan. Hij liet zijn
vuist op tafel vallen, en ze schrok op. Begon 't oude leven
weer?
"Wat wil je van me?" vroeg ze vreesachtig.
"Ik ben bang."
"Bang? Je was vroeger nooit bang, om mij te ver-
moorden."
"Begin je me dat te zeggen? Nou weet ik dat jij haar
geroepen hebt."
'waarom zou ik het gedaan hebben? vroeg zij toonloos.
"Hahaha! om jou te helpen. Nou weet je, dat ik je niet
aanraak. Je heb 't handig aanlegd, dat moet ik zeggen.
Maar ik zal er een einde aan maken."
Ze boog zich over de tafel heen en keek hem vlak in
de oogen.
"Zij beneden zal over mij waken!"
"Net zoolang als ik dat wil."
"Ik zal eerst zien, of je morgenvroeg naar 't venster gaat."
"Dat zul je merken", riep hij wilde. "Morgen vóór het
licht is, zal ik er staan."
Hij sliep de gansche nacht niet. Hij keek met open
oogen het duister in, gelijk een koortsige. Hij telde geen
uren, en toch wist hij, dat ver weg aan den onzichtbaren
horizon de weifelende, mat-roode glans van den morgen
sluierde, terwijl het veld en de huizen nog door den nacht
waren overdekt. Hij stond moeizaam op, kleedde zich aan, en
ging naar beneden. De lucht was koel, en hij huiverde, zoodra
hij zijn hoofd buiten de deur stak. Toch aarzelde hij niet.
"Ik wil zien, of zij er zit", dacht hij.
Het venster was nog één met den nacht. Als hij de
plaats niet zoo goed had gekend, zou hij het raam niet
hebben kunnen vinden.
Toen hij er vóór-stond, en zijn neus tegen het glas
drukte, zag hij niets van de gestalte. Maar achter hem,
naast hem, boven hem sloeg op en drong neer het zwellende
licht van den dag, als een stroom, die buiten zijn oevers
treedt, zóó onstuimig, door dam, wal en dijk des duisters.
Het glas werd vaal-loodkleurig, zacht-grauw, nevelig-grijs,
grijswit, wit. Hij tuimelde terug, want achter het venster zat
de oude vrouw, en glimlachend, zwierig bijna, groette ze hem.
Hij tastte voor zich uit, tot zijn vingers het raam beroerden.
"Leef je dan?" schreeuwde hij. " Wat doe je bij ons?"
De gedaante antwoordde niet. Ze zat in het volle licht,
en de zonneglans vonkte in de glazen van haar uilebril.
De man sloeg tegen de ruit.
"Geef dan toch antwoord. Ik ben niet bang voor je."
De oude vrouw knikte hem toe. toen hield hij 't niet
langer uit, en huilde van angst en onmachtige woorden
liep hij de trap op.
"Ze zit er nog altijd en zegt niets."
"Dat heb ik wel vooruit geweten. Zoolang jij er bent,
zal zij er zijn."
"Dan moet 't gebeuren —"
"Wat wil je? Raak me niet aan! Ze is bij 't venster.
Ik waarschuw je."
"Oho! je hoeft me niet meer te waarschuwen. We gaan
hier vandaan."
"En waar wil je dan wonen? De menschen kennen ons
hier, en daarginder is niemand, die wat om ons geeft.
Waarom mag ik hier niet sterven?"
Hij lachte, en liet lachend zijn vuist op tafel vallen.
Toen lachte hij niet meer, toen hij sprak, en daaruit wist
ze, dat zijn vroolijkheid klank-valsch was geweest.
"Jij bent her, die haar hier heeft gehaald, en als je niet
zorgt, dat zij weg-komt....." Hij schreeuwde het uit. "Van
het venster weg! Van het venster weg! Die kat met haar
uilebril. Ksj, smerige kat, wat doe je in mijn huis?"
"Wat ben jij er voor eentje! Heb ik haar in 't huis
gehaald, dat lieg je, zoo groot als je bent. Ik heb niets in
huis gehaald, dat niet van jou of van mij is. Ik heb geen
geest in de kamer gebracht."
"Ga je mee, als ik hier vandaan ga?" treiterde hij.
"Waar moet ik op de wereld blijven, wanneer ik dat
niet doe. Ik blijf hier niet alleen."
"Misschien zal ze hier niet meer spoken, als ik weg ben."
"Nee — nee —ik blijf hier niet, zonder dat er nog
iemand is."
"Geen mensch!" zeide ze dof. "Je mag mij niet
alleen laten."
Dit beloofde hij haar. Den volgenden morgen echter
was hij verdwenen. Ze riep hem bij zijn naam. Ze door-
zocht het huis, en kwam zelfs in de kamer. Ze vroeg de
buren, of iemand hem had gezien. Geen enkele kon haar
troosten, en voortaan zat ze eenzaam op den zolder, de
deur gesloten. Ze wist niet, hoevele nachten en vreeselijke
dagen ze in de eenzaamheid was opgesloten geweest, met
de dreigende muren der stilte vlak om haar heen. Zij
durfde waarlijk niet te denken. Haar lot werd nog angstiger
voor haar dan voor een gevangen misdadiger: want deze
heeft nog altijd de hoop en het verlangen van bevrijding.
Zij echter, die haar tijd zonder gedachte leefde, zag niets
dan haar cel.
Op een dag hoorde zij beneden gerucht, dat tot midden-in
haar doffen geest doordrong, en dat haar werktuigelijk
't hoofd deed heffen. Er klonken voetstappen op de trap.
Zij stond op, en ging naar de deur. Daar bleef ze staan,
de armen kruiselings over de borst geslagen.
De man ging naar binnen, als een moede, hongerige zwerver.
Hij viel op een stoel neer, legde zijn handen voor de oogen
en begon luid te schreien.
"Ze zit er nog altijd, en ze groette me vriendelijk. Ze
zal hier nooit weggaan."
"Uit dit huis", smeekte ze, "Uit dit verdoemde huis."
"Het is goed, maar laten we niet te lang wachten."
Ze pakte twee bundeltjes kleeren, een voor haarzelf,
een voor haar man. Zij lieten hun woning, waarin ze rustig
hadden kunnen leven, achter zich. Ze keken niet om, en ze
waren als menschen, die zonder eenige herinnering een
streek verlaten. De menschen uit het gehucht kwamen hen
tegemoet en spraken het droefste woord der taal: vaarwel!
Nog jaren later zat de oude, gestorven vrouw voor
het venster in het verlaten huis, een ieder, die voorbij-
kwam, hoofsch en vriendelijk groetend. Vreemden konden
haar niet zien, maar alle dorpelingen, die haar vroeger
hadden gekend, onderscheidden haar, en beantwoordden
haar groet met vreeze. Op een dag was ze verdwenen.
geen schemer van haar was overgebleven, en men zeide
tot in de verre omtrek, dat nu haar dochter en haar schoon-
zoon beiden waren gestorven. Dit kan wel waar zijn, want
nooit hoorde men meer iets van hen.
In een huis dichtbij Dokkum gebeurden vreemde dingen.
Er woonde een oude vrouw bij haar getrouwde dochter,
en men zeide, dat de man vaak dronken thuis kwam.
De oude vrouw had haar vaste plaats aan het venster,
waardoor zij de voorbijgangers kon zien, die haar allen
groetten, van den burgemeester tot den jongsten slagers-
knecht, want ze was met eere oud geworden. Ze had nooit
een mensch ter wereld bedrogen, ze had nimmer gelogen,
ze had medelijden gekend met den armen zwerver.
Er zijn rimpelen van zorg en berouw op de voorhoofden
der menschen. Iedere rimpel heeft zijn eigen verhaal: hier is
een rimpel, omdat men een aalmoes heeft geweigerd, lange
jaren geleden; daar een rimpel, omdat men zijn vriend heeft
verraden om geld of uit onnadenkendheid;
ginds is de vreeselijkste rimpel, omdat men zichzelf heeft
verkocht. Dit zijn de rimpelen van hen, die gezondigd hebben.
Op 't voorhoofd der oude vrouw waren deze rimpelen
niet. Bij haar waren het zachte, stille, onzekere lijnen,
groeven kon men ze niet noemen, zóó weinig diep waren ze.
Bij haar waren 't de rimpelen van een eervol leven.
Nu ze oud werd, zag men een warnet van deze rimpelen
Op haar voorhoofd, en ze glimlachte erom, als ze even
opkeek van den bijbel op haar schoot.
Ze droeg een grooten uilebril, want zóó kon ze beter
lezen. Al vijftig passen voor 't hui dacht ieder, die haar
voorbij zou gaan:
"Straks zie ik de oude vrouw!"
De dagen kwamen, dat ze niet meer glimlachte. Wel
las ze den Bijbel, doch niet meer met blijmoedigheid.
Wat ging er toch in 't huis om, dat zich de rimpelen van zorg diep
legden in haar voorhoofd? Zij durfde bijkans niet meer te groeten,
van har plaats bij het venster. Het was, of haar oogen achter den grooten
uilebril smeekten: "Ga liever mijn huis voorbij! Doe, of ik niet besta.
Groet mij niet!
men kon haar venster niet voorbijgaan, zonder haar
toe te knikken. Dan neeg ze eerbiedig 't oude hoofd, want
ze wilde niet gaarne iemand beleedigen, zelfs, nu zij wel
spoedig sterven zou. Het verdriet was in haar bloed als
langzaam-werkend gif. Rust....rust....rust......alleen
't kerkhof.....alleen daar........
De menschen begrepen het niet, dat eens achter 't venster
de oude vrouw niet meer zou zitten. Zij was de meesteres,
en zoo zij er niet bleef, om orde en toezicht te houden,
mocht men in dit huis alleen misdaad verwachten. Hoe
vreemd het ook schijnen moge, de oude vrouw kon het
minst van allen worden gemist. Toch bemoeide ze zich met niets.
Zoolang het zonlicht scheen, zat ze bij 't venster;
in de schemering ging ze ter ruste. Op het oogenblik,
dat ze sterven zou, moest de misdaad (wier schaduw vóóruit
in de kamer geworpen was) binnetreden, even vreeselijk
als die andere gasten der menschheid: honger en dood.
het huis stond eenzaam op het veld. Daar komen de
schaduwen het gemakkelijkst binnen. Er is niets, dat haar
tegenhoudt. Doch — hoe wist ze niet — al was de schaduw
der misdaad in de hoeve, de misdaad zelve hield de oude
vrouw, met de laatste kracht van haar leven, buiten
de woning; zoolang zij voor 't venster zat des daags, kon er
niets gebeuren.
De oude vrouw moest sterven. Nog zat ze voor 't venster,
den grooten uilenbril op den neus, handen aan den bijbel.
Nog groette ze een ieder, die voorbij-kwam. Ze had gewei-
gerd, om in haar bed te gaan liggen.
"Hier wil ik dood gaan", zeide ze met vaste stem.
Zoo stierf ze vóór 't venster, nadat ze nog dienzelfden
dag velen had gegroet. Ze werd al spoedig begraven.
Men mocht haar vergeten. Is dit niet het lot der dooden?
Zonderling, dat ze niet mer voor 't venster zat. Nu
kon de misdaad vrij binnentreden. Dikwijls hoorde men
rumoer in de kamer. Eens kwam de jonge vrouw naar
buiten, een doek voor 't gelaat, en toen men haar vroeg,
wat haar scheelde, antwoordde ze niet. De oude vrouw
was niet meer in huis! De jonge vrouw weende, als ze alleen
zat. "Moeder! moeder! waarom bent u er niet meer, om me
te beschermen? Ik had willen dood gaan vóór u. Dit leven.....
is.......te zwaar......voor mij. Ik houdt 't niet uit, altijd die
dronkaard om me heen. Hij wil me vermoorden! Dat is
't beste, wat hij kan doen. Dan ben ik uit dit vreeselijke lijden."
Ze zeide dit, zooals velen, die beweren niet angstig te zijn
voor den dood, en dus toch den dood in een bepaalde vorm vreezen.
Er kwamen nooit vreemde menschen in 't huis. De stilte was een deel
der kamer, tot man en vrouw tezamen waren. Goed! dat de hoeve zoo
verre lag. Men sprak ervan, dat ze toch niet met deze dronkelap had
behoeven te trouwen. Er waren jongens genoeg geweest in haar dagen
van lach en dans en onbezonnenheid; waarom koos ze nu juist de
verkeerden uit?! Te kust en te keur had ze kunnen gaan. O dwaasheid
der jeugd. Het kon niet langer zoo duren. Maar hoe moest het einde zijn?
Op een goeden dag kwam iemand het huis voorbij. Hij
keek naar binnen.
Achter het venster zat de oude vrouw.
De gestorven vrouw.
Op haar neus droeg ze den grooten, ronden uilebril,
en op haar breeden schoot hield ze den Bijbel. Ze had
haar hoofd gebogen, maar toen de voorbijganger haar
zag, groette zij, zooals ze in het leven groette. Hij bleef op
dezelfde plaats, en hij vreesde, dat zijn hart niet meer klopte.
De jonge vrouw ging naar buiten, om uit den regenbak
water te scheppen. Ze dompelde den emmer in het vat,
en stond daarna een oogenblik stil, keek om zich heen, en ze
bemerkte den man, die naar het venster staarde.
"Wat kijk je?' glimlachte ze.
Hij wees naar 't huis, en ze deinsde terug.
De oude vrouw achter het venster groette haar eerbiedig.
"Wat is dat?" kreet de jonge vrouw angstig."Moeder..."
De oude vrouw opende den mond niet.
Van dat oogenblik was de zwijgende, oude vrouw (alleen
overdag zat ze vóór 't venster en in de schemering loste ze op
als een schemering) weder de meesteres in het huis.
De man kwam, zóó beschonken als hij nog nooit geweest
was. Hij zeulde langs de regenbak heen, viel, gelijk men
op een glad-bevroren weg valt, pardoes neer, krabbelde
zich verdwaasd, naar de muren blind tastend, op, en kwam
van aanzicht tot aanzicht —slechts door het raam
gescheiden — vóór de oude, doode vrouw te staan. Hij
strekte zijn armen uit, en tierde als een waanzinnige, hoewel
hij in dezelfde seconde nuchter was geworden.
De jonge vrouw liep 't huis uit, tot ze voor hem stond.
Heur haar was in wanorde, in lange, sprietige slierten
sloeg het langs haar wangen, haar handen schenen magerder,
haar adem kort en hijgend.
"Jij....jij....jij hebt moeder teruggebracht!"
"Wat zeg je?" schreeuwde hij.
De oude vrouw groette hen beiden. Hij riep smartelijk:
"Moeten we daarmee leven?"
"Jouw schuld....."
'Hoelang zal 't duren?"
'Dat weet ik niet. Een doode bewaakt ons."
"Durf jij 't huis in-gaan?"
"Als je in de kamer bent, zie je niets. Zoodra je buiten komt..."
"Ik zal andere ruiten in 't venster zetten."
"daarmee jaag je haar niet weg."
"Ze moet heengaan", huilde hij. "ze zal ons verdrijven.
Ze moet —"
Hij deed andere ruiten in het venster zetten, gelijk hij
had gezegd. Vreemd! daarmede bande hij haar niet uit de kamer.
Zij zat, als een stomme gast, bij het raam en knikte al haar oude
vrienden toe. Ze kende ieder weder, als had ze nooit het huis verlaten.
Ze zat er, om haar dochter te beschermen, gelijk een levende moeder.
Wie durfde nog te gelooven, dat ze deze aarde had verlaten!
Ze was een beeld der werkelijkheid, dat haar hoofd kon
nijgen, en dat een uilebril noodig had, om in den bijbel te lezen.
Des avonds zaten man en vrouw zonder twist bij elkaar.
Als de een de ander aanzag, behoefden ze geen van beiden
te twijfelen over hun wederzijdsche gedachten.
Ze durfden langen tijd niet te spreken, want ze waren bevreesd,
dat de oude vrouw dan ook des avonds zou verschijnen, en
misschien iets zou zeggen.
Nadat dit vele maanden had geduurd. stond hij plots
snikkend op.
"Jaag jij haar weg........vertel haar, dat ze niet meer
nodig is."
Gelijk een vleermuis, die de zijden draden in de duisternis
gespannen ontwijkt, zóó ontweken haar gedachten zijn
angstige woorden, en ze wondden er zich gelukkig niet aan.
"Laten we naar bed gaan", zeide ze droeve. "Het is laat."
"Laat of vroeg — ik weet niet meer, wat 't is, sinds
de oude vrouw hier leeft."
"De nacht komt — buiten is het al donker."
"Morgen komt toch 't licht. Ik ben banger voor den
dag dan voor den avond!"
"Alle lampen zijn al uit."
De onze brandt lang, maar ze kan den dag niet
tegenhouden."
"Ik ga alleen."
"Wat houdt den dag tegen?" vroeg hij radeloos van smart.
"Wel te rusten —" Hij lalde als een dronkeman.
"Vergeet je dan, dat 't licht moet komen. Het licht!
Het licht!"
Hij zag, dat ze heenging van de tafel en zich ontkleedde.
toen legde hij de handen voor 't gelaat, zoodat er niets
dan duisternis voor zijn oogen stond. Zij blies zorgzaam
de lamp uit.
Ja, den volgende morgen ging de oude vrouw weder
voor het venster zitten. Ze deed, of ze den man niet zag.
Ze groette iedereen, die voorbij-ging, even vriendelijk. Ze
hoorde blijkbaar niet, wat de man tot haar dochter zeide.
"Vraag 't haar — ik merk aan de menschen, dat zij
er weer zit."
"Wat moet ik haar vragen? Ik zie haar niet —"
'Ga voor 't venster staan, en zeg me, of ze er is."
De jonge vrouw trad naar buiten, en de moeder
groette haar.
"Wat moet ik mijn man zeggen? Hij wordt nog waan-
zinnig. Welk een straf!"
Ze bleef even treuzelen. Toen trad ze wankelend de
kamer weer in. Hij richtte zijn hoofd op.
"Zij is heengegaan, nietwaar? Ze kan niet eeuwig blijven."
"Zoolang als jij leeft. Er is geen genade. Ze glimlacht,
maar ze blijft." Hij smeekte.
"Vraag 't haar dan, dat ze heen zal gaan! Dan doet
ze 't. Zij is de moeder, jij bent haar kind!"
"Ik heb geen macht meer over haar. In 't hart der
dooden is de liefde vergaan."
"Welke liefde vergaat? Dat is geen liefde, die vergaat.
Zou ze hier zitten, wanneer haar liefde vergaan was? Dan
zou ze op 't kerkhof zijn."
"En als zij een gezondene is?" Hij greep haar bij den arm.
"Een gezondene? O, dan blijft ze! Val op je knieën."
'waarom? Als ze een gezondene is, heeft dat geen nut."
"Probeer 't — anders zal ik moeten sterven!"
Ze naderde het venster. Ze kon treden tot vlak voor
de ruit, doch ze waagde dit niet.
"Val nu neer", huilde de man wild. "Ze zal je misschien
verhooren."
"Moeder!" kreet de dochter. "Uw kind spreekt met u.
U heeft mijn tranen gedroogd, toen ik klein was, en later
hoefde u mij maar aan te zien, om me te doen glimlachen.
Verdriet heb ik in dien tijd immers niet gekend?"
Zooals 'men zich soms een dag in 't voorjaar herinnert
— zongen ooit de vogels schooner? — zóó ontbloeide
haar jeugd voor haar door tranen wilden blik: iedere
geschiedenis was een eigen bekoring, maar alles tezamen
was de weelde van den lentedag. Hier schoot de gedachte
aan een verjaarsfeest haar in den geest, hoe moeder haar
een geschenk op bed neerlegde — en ook gevoelde ze
weder moeder's kus op den wang, toen ze vertelde, dat
meester haar had geprezen. Ze riep den zoeten, vertrouwden
naam, die eenige jaren geleden de oude vrouw bij het
raam had doen op-schrikken, en haar glimlachend haar
dochter had doen aanzien.
"Moeder! moeder! moeder!"
Thans kwam er geen antwoord, en de jonge vrouw
strekte haar armen naar haar man uit.
"Zie je wel? 't Helpt niets, hoe ik haar ook vraag..."
"Vraag haar dan, wat ik heb gezegd", riep hij onge-
duldig, "dat heb je nog niet gedaan"
De jonge vrouw kroop op haar knieën tot vlak voor
de plaats, waar haar moeder zitten moest.
'Moeder! hij zal me nooit meer slaan. Het is genoeg
geweest."
"Ga nu naar buiten!" beval de man.
Ze deed naar zijn wil, en stelde zich nogmaals vlak
voor het venster. wanhopig vouwde ze de handen, ziende,
dat de oude vrouw bij het raam zat, den Bijbel op haar
schoot. Ze keerde in de kamer terug. haar man keek
niet op. Hij vroeg niets, doch zij gaf hem op zijn zwijgen
antwoord.
"Ze is niet heengegaan. 't Helpt niets, of ik in 't stof
voor haar kruip. Haar hart is dood!"
"We gaan op zolder wonen. Ik laat achter in 't huis
een trap maken. We komen nooit meer in deze kamer
terug. Ik wil zien, wie het sterkste is, zij of ik!"
"Nee — nooit in deze kamer terug", zeide ze blijde.
"Dat zal 't einde zijn. "
"Ze zal 't hier niet meer uithouden", snikte hij, tot
waanzin gelukkig, "en als alles over zooveel jaar voorbij
is, kunnen we weer naar de kamer gaan."
Hij timmerde op den zolder een bedstede, en hij zette
de stoelen en de tafel daarbij. Ze hadden thans beiden het
gevoel; of ze heel ver van de kamer leefden. Ze vermeden
het zooveel mogelijk, naar buiten te gaan. Alleen, wanneer
de vrouw water uit de regenton moest scheppen, verliet
ze het huis, doch dan zorgde zij er wel voor, dat ze haar
blik van het venster afwendde. Dit hielp haar niet! Dikwijls
bemerkte ze het met schrik, hoe de voorbijgangers stil
bleven staan; daaruit wist ze, dat de oude vrouw nog
altijd voor het venster zat.
Eindelijk konden de twee menschen ook op de zolder
deze gedachte niet meer verdragen. Waarvoor zou zij, die
beneden was, wijken? Niet voor smeeken, niet voor geweld.
"Ik zal morgenvroeg gaan zien, of zij er nog is!" zeide
hij eens, terwijl ze dan ganschen avond, door de wereld
verlaten (wie wilde heb in dit verdoemde huis nog bezoeken?)
zwijgend tegenover elkaar hadden gezeten, "En dan..."
Hij sprak de zin niet uit. Zij hield zich aan haar stoel
vast, en staarde hem met groote oogen aan. Hij liet zijn
vuist op tafel vallen, en ze schrok op. Begon 't oude leven
weer?
"Wat wil je van me?" vroeg ze vreesachtig.
"Ik ben bang."
"Bang? Je was vroeger nooit bang, om mij te ver-
moorden."
"Begin je me dat te zeggen? Nou weet ik dat jij haar
geroepen hebt."
'waarom zou ik het gedaan hebben? vroeg zij toonloos.
"Hahaha! om jou te helpen. Nou weet je, dat ik je niet
aanraak. Je heb 't handig aanlegd, dat moet ik zeggen.
Maar ik zal er een einde aan maken."
Ze boog zich over de tafel heen en keek hem vlak in
de oogen.
"Zij beneden zal over mij waken!"
"Net zoolang als ik dat wil."
"Ik zal eerst zien, of je morgenvroeg naar 't venster gaat."
"Dat zul je merken", riep hij wilde. "Morgen vóór het
licht is, zal ik er staan."
Hij sliep de gansche nacht niet. Hij keek met open
oogen het duister in, gelijk een koortsige. Hij telde geen
uren, en toch wist hij, dat ver weg aan den onzichtbaren
horizon de weifelende, mat-roode glans van den morgen
sluierde, terwijl het veld en de huizen nog door den nacht
waren overdekt. Hij stond moeizaam op, kleedde zich aan, en
ging naar beneden. De lucht was koel, en hij huiverde, zoodra
hij zijn hoofd buiten de deur stak. Toch aarzelde hij niet.
"Ik wil zien, of zij er zit", dacht hij.
Het venster was nog één met den nacht. Als hij de
plaats niet zoo goed had gekend, zou hij het raam niet
hebben kunnen vinden.
Toen hij er vóór-stond, en zijn neus tegen het glas
drukte, zag hij niets van de gestalte. Maar achter hem,
naast hem, boven hem sloeg op en drong neer het zwellende
licht van den dag, als een stroom, die buiten zijn oevers
treedt, zóó onstuimig, door dam, wal en dijk des duisters.
Het glas werd vaal-loodkleurig, zacht-grauw, nevelig-grijs,
grijswit, wit. Hij tuimelde terug, want achter het venster zat
de oude vrouw, en glimlachend, zwierig bijna, groette ze hem.
Hij tastte voor zich uit, tot zijn vingers het raam beroerden.
"Leef je dan?" schreeuwde hij. " Wat doe je bij ons?"
De gedaante antwoordde niet. Ze zat in het volle licht,
en de zonneglans vonkte in de glazen van haar uilebril.
De man sloeg tegen de ruit.
"Geef dan toch antwoord. Ik ben niet bang voor je."
De oude vrouw knikte hem toe. toen hield hij 't niet
langer uit, en huilde van angst en onmachtige woorden
liep hij de trap op.
"Ze zit er nog altijd en zegt niets."
"Dat heb ik wel vooruit geweten. Zoolang jij er bent,
zal zij er zijn."
"Dan moet 't gebeuren —"
"Wat wil je? Raak me niet aan! Ze is bij 't venster.
Ik waarschuw je."
"Oho! je hoeft me niet meer te waarschuwen. We gaan
hier vandaan."
"En waar wil je dan wonen? De menschen kennen ons
hier, en daarginder is niemand, die wat om ons geeft.
Waarom mag ik hier niet sterven?"
Hij lachte, en liet lachend zijn vuist op tafel vallen.
Toen lachte hij niet meer, toen hij sprak, en daaruit wist
ze, dat zijn vroolijkheid klank-valsch was geweest.
"Jij bent her, die haar hier heeft gehaald, en als je niet
zorgt, dat zij weg-komt....." Hij schreeuwde het uit. "Van
het venster weg! Van het venster weg! Die kat met haar
uilebril. Ksj, smerige kat, wat doe je in mijn huis?"
"Wat ben jij er voor eentje! Heb ik haar in 't huis
gehaald, dat lieg je, zoo groot als je bent. Ik heb niets in
huis gehaald, dat niet van jou of van mij is. Ik heb geen
geest in de kamer gebracht."
"Ga je mee, als ik hier vandaan ga?" treiterde hij.
"Waar moet ik op de wereld blijven, wanneer ik dat
niet doe. Ik blijf hier niet alleen."
"Misschien zal ze hier niet meer spoken, als ik weg ben."
"Nee — nee —ik blijf hier niet, zonder dat er nog
iemand is."
"Geen mensch!" zeide ze dof. "Je mag mij niet
alleen laten."
Dit beloofde hij haar. Den volgenden morgen echter
was hij verdwenen. Ze riep hem bij zijn naam. Ze door-
zocht het huis, en kwam zelfs in de kamer. Ze vroeg de
buren, of iemand hem had gezien. Geen enkele kon haar
troosten, en voortaan zat ze eenzaam op den zolder, de
deur gesloten. Ze wist niet, hoevele nachten en vreeselijke
dagen ze in de eenzaamheid was opgesloten geweest, met
de dreigende muren der stilte vlak om haar heen. Zij
durfde waarlijk niet te denken. Haar lot werd nog angstiger
voor haar dan voor een gevangen misdadiger: want deze
heeft nog altijd de hoop en het verlangen van bevrijding.
Zij echter, die haar tijd zonder gedachte leefde, zag niets
dan haar cel.
Op een dag hoorde zij beneden gerucht, dat tot midden-in
haar doffen geest doordrong, en dat haar werktuigelijk
't hoofd deed heffen. Er klonken voetstappen op de trap.
Zij stond op, en ging naar de deur. Daar bleef ze staan,
de armen kruiselings over de borst geslagen.
De man ging naar binnen, als een moede, hongerige zwerver.
Hij viel op een stoel neer, legde zijn handen voor de oogen
en begon luid te schreien.
"Ze zit er nog altijd, en ze groette me vriendelijk. Ze
zal hier nooit weggaan."
"Uit dit huis", smeekte ze, "Uit dit verdoemde huis."
"Het is goed, maar laten we niet te lang wachten."
Ze pakte twee bundeltjes kleeren, een voor haarzelf,
een voor haar man. Zij lieten hun woning, waarin ze rustig
hadden kunnen leven, achter zich. Ze keken niet om, en ze
waren als menschen, die zonder eenige herinnering een
streek verlaten. De menschen uit het gehucht kwamen hen
tegemoet en spraken het droefste woord der taal: vaarwel!
Nog jaren later zat de oude, gestorven vrouw voor
het venster in het verlaten huis, een ieder, die voorbij-
kwam, hoofsch en vriendelijk groetend. Vreemden konden
haar niet zien, maar alle dorpelingen, die haar vroeger
hadden gekend, onderscheidden haar, en beantwoordden
haar groet met vreeze. Op een dag was ze verdwenen.
geen schemer van haar was overgebleven, en men zeide
tot in de verre omtrek, dat nu haar dochter en haar schoon-
zoon beiden waren gestorven. Dit kan wel waar zijn, want
nooit hoorde men meer iets van hen.
Onderwerp
SINSAG 0450 - Andere Tote spuken.   
Beschrijving
In een huis in Dokkum gebeurde eens vreemde dingen.
Er woonde eens oude vrouw bij haar getrouwde dochter, en men zegt, dat de man vaak dronken thuis kwam. De oude vrouw zat elke dag voor het raam, waar ze de voorbijgangers kon zien. Ze droeg een grote uilenbril en las de bijbel. Iedereen die voorbij kwam groette ze. Op een dag ging de vrouw dood. De dochter van de vrouw, die werd mishandeld door haar man, miste haar moeder enorm omdat die haar niet meer kon beschermen. Op een dag sprak ze haar smart hardop uit en riep om haar moeder. Vlak erna verscheen de dode vrouw weer achter het raam, en groette iedereen die voorbij kwam. De dode vrouw bewaakte hen. Omdat ze niet met de vrouw in een kamer konden leven verhuisden ze naar de zolder. Maar ook dat bood geen oplossing. Beiden smeekte de vrouw weer te verdwijnen, maar ze bleef gewoon zitten. De man sloeg haar dochter niet meer, maar de vrouw bleef. Op een dag ontvluchtte de man het huis. Na een lange tijd keerde hij naar de vrouw en het huis terug, hopend dat de vrouw verdwenen was. De oude vrouw bleef. Toen vluchtten ze beiden uit het huis. Vanaf de dag dat haar dochter en schoonzoon stierven is de oude vrouw pas verdwenen.
Er woonde eens oude vrouw bij haar getrouwde dochter, en men zegt, dat de man vaak dronken thuis kwam. De oude vrouw zat elke dag voor het raam, waar ze de voorbijgangers kon zien. Ze droeg een grote uilenbril en las de bijbel. Iedereen die voorbij kwam groette ze. Op een dag ging de vrouw dood. De dochter van de vrouw, die werd mishandeld door haar man, miste haar moeder enorm omdat die haar niet meer kon beschermen. Op een dag sprak ze haar smart hardop uit en riep om haar moeder. Vlak erna verscheen de dode vrouw weer achter het raam, en groette iedereen die voorbij kwam. De dode vrouw bewaakte hen. Omdat ze niet met de vrouw in een kamer konden leven verhuisden ze naar de zolder. Maar ook dat bood geen oplossing. Beiden smeekte de vrouw weer te verdwijnen, maar ze bleef gewoon zitten. De man sloeg haar dochter niet meer, maar de vrouw bleef. Op een dag ontvluchtte de man het huis. Na een lange tijd keerde hij naar de vrouw en het huis terug, hopend dat de vrouw verdwenen was. De oude vrouw bleef. Toen vluchtten ze beiden uit het huis. Vanaf de dag dat haar dochter en schoonzoon stierven is de oude vrouw pas verdwenen.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.185
Naam Overig in Tekst
Bijbel   
Naam Locatie in Tekst
Dokkum   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
