Hoofdtekst
Het meisje uit Orvelterveen.
(Tweede lezing van Ellert en Brammert)
Op een uitgestrekt veld, dicht bij Orvelterveen, woonden lang gelden twee reuzen, Ellert, de vader, en Brammert, de zoon, die geen medelijden kenden.
Maar de bewoners der dorpen om het veld lieten zij met rust, misschien in de hoop, dat de rijke vreemdelingen niet gewaarschuwd zouden worden. Hoe wisten zij dan, dat er reizigers door ’t land trokken? Overal op de heide hadden zij paaltjes geslagen, waaraan touwen met ongewijde klokken hingen. Geen mogelijkheid, om te ontsnappen.
Een der touwen immers werd altijd wel lichtelijk bewogen, en dan tjingelden de bellen. De reuzen kenden de klank der klokken precies. Zij wisten als wind en storm er door voeren, en ze hoorden, als een menschenhand ertegen stiet.
Onrustig was hun slaap: ze moesten steeds gereed zijn, om op te springen en te rooven.
De burgers van Orvelterveen zeiden tot hun kinderen: “Kom nooit op het veld, daar wonen twee booze reuzen.”
Hierom werd de tocht van Ellert en Brammert nimmer vergeefsch: het waren altijd rijke menschen, onbekend in deze streken, die ze mochten bestelen en vermoorden.
Eens was er een meisje uit Orvelterveen, dat haar moeder vroeg: “Heeft u de reuzen, Ellert en Brammert wel eens gezien? Waarom is iedereen er bang voor?!”
“Kind”, huiverde de vrouw, “Ga nooit op het veld! Je zou ongelukkig worden!”
“Is geen van beiden getrouwd, moeder, Ellert niet en Brammert niet?”
“Iedere vrouw zou ongelukkig op het veld worden. Geen vrouw komt op het veld.” Het meisje keek haar moeder met kinderlijk-verwonderde oogen aan, en voortaan ging zij peinzend — als werd ze door een geheim gekweld — door ’t huis. Als haar iets werd gevraagd, keek ze verschrikt op. Dikwijls staarde ze in den nacht…..heel in de verte lag het veld. Plots, door de eene vraag aan haar moeder, was ze van een kind een volwassene geworden. Een ander wendt zich van de jeugd en onbekommerdheid af naar de wereld van ongewisheid door een boek, een gesprek. Bij haar riep eigen ziel het vrouwelijk wezen uit onbewustheid op, of liever haar geest droomde van onnadenkendheid naar peinzende sfeer over, terwijl ze voortaan schuw de mannen groette. O, de eeuwige tragedie der vrouw.
Op een dag miste men haar in de hoeve. Men riep ten allen kant haar naam, met de liefkoozende stem der ouders, die hun kinderen uit het spel naar ’t goede huis lokken.
Niemand wist nog, dat ze als volwassene moest worden behandeld.
Het duurde geruime tijd, vóór ze terugkwam, en toen men haar over den weg zag gaan, en men haar vroeg, waar ze toch zoo lang was gebleven, zeide ze de waarheid niet: dat ze aan den rand van het veld had gewacht op eenig teken van Ellert en Brammert. Let wel! —gij allen, die den aard der vrouwen kent, zult het weten— indien ze het geluid van naderende stappen had vernomen, ware ze gevlucht. Echter beefde er, terwijl ze luisterde, zelfs niet een enkel belletje. Het veld lag er verlaten in den dag met zijn eenzamen zonneschijn, in de avond, met zijn schuwe schaduwen. Zij keerde eindelijk zuchtend huiswaarts.
Na dien gebeurde het dikwijls, dat zij eerst laat in het dorp terugkwam. Altijd wist ze wel iets te bedenken, om zich te verontschuldigen. Doch verder dan den rand van het veld ging zij niet.
“Hoe zouden zij eruit ziet, Ellert en Brammert?” dacht ze, als ze vóór zich uit staarde, ver de vlakte in “Als ze bestaan. Misschien hebben ze het ons maar verteld. Wanneer zal ik durven gaan? Zouden ze….zouden ze……” Ze keek om zich heen —niet even werd de heide beroerd.
“Zouden ze van een vrouw kunnen houden? Als ik ze maar even zag. Toch ben ik bang!”
Wat er geschieden moest, gebeurde. Voet voor voet drong ze dieper het veld door. Eindelijk wad ze reeds een eind van het veld verwijderd, toen ze een klein paaltje ontdekte, waarop zij even ging zitten. Haar voet raakte het touw aan. Een belletje begon te klinken. Hoe grappig!
Als ze zich maar even bewoog, sloegen er allerlei belletjes aan, als een carillon tezamen spelend een aardig melodietje zonder melodie. Ze moest het telkens herhalen.
De booze reuzen waren opgesprongen, en ze keken verwonderd naar elkander. Het was niet de wind, die de klepels bewoog; maar ook geen mensch — zoo meenden ze — kon zóó spelen. Wie, wie had het touw aangeraakt?
“Laten we gaan zien!” zei Ellert heesch. Misschien is het wel een buit, waarvan we nog nooit hebben gedroomd.”
Hoog tot aan de heupen hadden zij hun laarzen getrokken.
Snel als de stormwind, die over een lage, boomloze huizenlooze vlakte giert, liepen ze tot aan de paal, waar ’t meisje zat. Zoodra het de reuzen — op wie het zoo lang had gewacht—aanschouwde, wilde het vluchten. Vóór ze zelfs kon opstaan, was ze reeds van beide zijden ingesloten.
“Wie ben je?” lachte Brammert, met de dom-driestheid van sterke menschen, die nog nooit zijn overwonnen.
“Ik ben…..maar…..een meisje…uit Orvelterveen…… laat mij naar huis gaan. Ik kom nooit weer op ’t veld terug.”
“Juist, daarom willen we je hebben. Ga maar mee naar ons hol, meisje uit Orvelterveen. Wat een geluk!”
Dit was de eerste maal, dat zij een vreemdeling niet doodden.
Terwijl ze haar in haar willoze wanhoop voortdreven — ze ging als een rund, dat de geur van het slachtplaats-bloed riekt en geen ontkomen meer kent — schaterde ze wild en brutaal tegen elkaar: “Dit is iets anders dan droomen! Vooruit geld! We hebben het vanmorgen niet kunnen droomen! Vooruit!”
Het arme meisje durfde niet te klagen. Ze gevoelde reeds onbestemd, dat ze verloren was. Wie zou haar kunnen verlossen?
De twee reuzen woonden in een schemerig hol. Alleen in den middag drong het vage licht tot in de verste hoeken der wanden, waar de bijlen en messen en dolken, alle scherp geslepen, hingen. Ellert en Brammert hadden steeds zonder een vrouw alle werk verricht.
Van het eerste oogenblik af werd ze bewaakt, òf door Ellert, of door Brammert. Vroeger trokken zij er altijd tesaam op uit, om de reizigers te berooven. Nu bleef altijd een hunner achter, om hun grootste schat te bewaren.
Ze merkte wel, dat ze heimwee had. Dikwijls zat ze voor zich uit te kijken, haar blik in de richting van Ortelterveen. Zouden haar ouders haar niet zoeken? Zou niemand uit het dorp op het veld durven komen? Zij leerde ook de klanken der klokken van elkaar onderscheiden. Ze wist voortaan mede, of de luchtige zefier door de draden speelde dan wel of iemand naderde, die gevaar liep, om vermoord te worden. De wijsjes van haar jeugd scheen ze zich niet meer te herinneren. Had ze ooit gelachen en gedanst?
Soms vroeg Ellert of Brammert: “Daar ver ginder in Orvelterveen hooren we dikwijls, dat de menschen liederen zingen. Kun je dat niet meisje?”
”Ik heb het wel gekend,” antwoordde ze dof, “maar ik weet er geen enkel woord meer van. Vraag mij niet voor u te zingen. De klanken zouden immers tegen een muur stuiten, want hij, die zingen wil, moet niet gekweld worden. Gij — gij — gij—afschuwelijke wreedaards! wat rieken uw handen naar bloed. Ge weet wel, dat het nooit af te wasschen is. Ja, leg uw handen maar tegen het gelaat, slechte Ellert, slechte Brammert, dat is de geur van het bloed, dat ge hebt vergoten. Iedere bloeddruppel heeft zijn geur daarin gegroefd, zooals zorg en ellende mijn voorhoofd deden rimpelen.”
“Wat zocht ge ook bij ons op het veld?” vroeg Brammert minachtend.
“Een droom…..een droom als ge het hooren wilt! Ik was gelijk aan ieder jong meisje, of niet?”
“Zoveel jonge meisjes hebben wij niet gekend, of wel, vader Ellert? In de dagen, dat ik bij u was, heb ik meer geleerd dan in al de jaren ervoor.”
Ik begrijp nu, wat mijn zusters zochten — en wat ze vonden! Zal er wel ooit één het geluk mogen aanvatten? O, ik zal dat nooit meer gelooven.”
Ze trad aan den drempel, en ze legde haar nauw-gesloten vingers aan de oogen, gelijk iemand, die zich tegen het stekend zonnelicht beschut. De tranen vloeiden haar langs de binnenzijde harer handen, over de polsen, uit leed over al dit leed. De reuzen lachten.
“Bevalt het je hier niet, meisje?” vroeg Ellert. Ze wendde zich om, en zag naar het donkere gelaat, dat haar naderde.
“Wat kan ik voor u doen?” zeide ze. “Altijd moet iemand uwer hier zijn, om op mij te passen. Zoo kunt ge, als er twee menschen op het veld komen, er slechts een van berooven, en wie weet, of ge niet den armste uitzoekt.”
Ellert sprong op.
“En als het de armste is, kan het mij niet schelen, meisje! Wij hebben een vrouw hier in ons hol!”
“Gij beiden, Ellert en Brammert, die mij nu aanziet, weet, dat een vrouw gevaarlijk bezit is. Hoe zal het wezen, als ik tegen Ellert zou glimlachen en tegen Brammert niet; hoe zou het wezen, als ik Brammert aanzag en hem met mijn zachte vingers den baard streelde, en mij om Ellert niet zou bekommeren? Nu bewaakt gij me beiden, nu de een, dan de ander. Als ik zou doen, iemand van uw tweeën uitkiezen — als ik zou doen — ge zoudt elkander bewaken, Ellert, Brammert, hoort ge mij? Het heeft me maar het knippen van mijn vingers te kosten, en ge zijt verloren.”
”Meent ge zóó met ons te spelen?!” schreeuwde Brammert.
“Wanner ik met u spelen wil — Dit is mijn spel, dat ik u in onzekerheid zal houden, wat ik wil doen!”
Ze zagen haar verwonderd aan. Wat was haar spel met hen, krachtige reuzen? Voor ’t eerst in hun leven geleken hun spieren slap en vermoeid —hun bloed tintelde niet. Zij durfden ook niet te lachen! Ja, het werd hun duidelijk, dat er ook gevaren bestonden, en dat zij iets konden vreezen. Toch stond ze geen oogenblik als overwinster.
“Mijn god! Ellert en Brammert, ik raad u, mij te laten gaan.”
”Als wij u lieten vetrekken, meent ge dan, dat we u zouden vergeten?” vroeg Brammert. “Neen op een dag zouden wij beiden het veld verlaten, om u te zoeken! Ge kunt niet meer van ons afkomen!” Ze haalde diep adem.
“Maar wanneer ik nu een van uw beiden lief-krijg? En geef daar eens antwoord op!”
Ellert dacht: “dan zal ze mij beminnen, want ik ben de rustigste — en ze zal Brammert vreezen” en Brammert dacht: “Mij zal ze verkiezen boven Ellert, omdat ik de jongste ben.” Geen hunner sprak zijn gedachten uit. Ze was weer getreden aan den drempel van het hol, en keek schijnbaar-doeloos naar buiten. Daarginder lag Orvelterveen. Ze zag een klein pluimpje rook boven de heide stijgen…ginds lag haar huis! Ze wachtte….
“Kom eens hier!” riep Brammert. Ze wendde zich iets en haalde haar schouders op.
“Waarom zou ik komen? Als je iets te zeggen hebt, kun je dat dáár ook doen!”
“Menschenmeisje!” zeide Brammert minachtend, “ik weet, wat je tegen ons wilt doen, maar ik waarschuw je. Je hebt met sterke mannen te doen, die kunne slaan en houwen en trappen en die lachen om de smart van een evenmensch.”
“Sla en houw en trap me dan, als je durft! Hier ben ik al!” Ze naderde. Hij bleef als een kwajongen zitten.
Nu was het haar beurt, om te lachen. Hoe machtig was ze door haar zwakheid.
Met dergelijke gesprekken gingen vele lustelooze dagen voorbij, wanneer er niets viel te rooven. De reuzen kende de eentonigheid sinds lang, maar nimmer hadden ze hierover nagedacht, tot de vrouw op het veld huisde. Haar bedreiging, dat ze eens den een boven de ander zou stellen, volvoerde ze niet. Alles scheen te blijven, zooals het was.
Toch veranderde er iets. Dikwijls, als ze op den drempel van haar hol stond, glimlachte zij. Ze berekende de afstand, die haar van Olterveen scheidde. Zou het niet eens gebeuren, dat Brammert en Ellert gelijk sliepen? Dan kon ze over het veld vluchten, met zachter schreden dan de avond gaat. Wanneer de bellen begonnen te tjingelen, zou ze sneller loopen — het deed er in dat geval niet toe, of men haar schreden hoorde. Zoo men haar ving — zoo men haar ving — mocht men haar ter dood brengen. De dood was beter dan dit leven.
Maar geen dag, avond, nacht bestond, dat zij tweeën sliepen. Een waakte altijd, en als ze even buiten stapte, kon hij haar met het uitstrekken zijner arm al grijpen.
Moest ze eeuwig op het veld blijven?
Soms hoorde ze de taal, die ze kende, als de wind gunstig woei. Men noemde haar naam in het dialect van deze streek, en zij wilde snikkend antwoorden: “hier ben ik!” Geen mensch uit het dorp durfde haar echter te naderen.
Allen bleven ze op den rand staan, vreezend voor de klinkende bellen.
“Zal niet een van hen beiden sterven?” dacht ze. “Wanneer Ellert of Brammert, Brammert of Ellert, dood is kan de levende mij toch niet eeuwig bewaken? Ik moet hier eens vandaan!”
Doch de dagen bleken gelijk van kleur te zijn. Ja, misschien zou ze nog het eerst sterven van hen drieën.
Reuzen leven misschien veel langer dan menschen — op hùn dood behoefde ze niet te hopen. Ze zag de getijden komen en gaan. Ze was niet blijder om den gloeiende herfst dan om den witten, zwijgende winter met zijn geruischlooze sneeuw. Ja, het is de vraag, of ze over het verschil nadacht. Op een goeden dag loste Ellert Brammert af.
Het weder was warm, en hij ging voor ’t hol zitten, de beenen ver uitgestrekt en zich schurkend in de hitte. Kleine vliegjes en mugjes, de onnoemelijk-vele insectjes zonder naam, zoemden om zijn groote neus. Een wesp schreef haar sierlijkste parabolen in de lucht, en gonsde. Een hommel reisde van erica tot erica, en bromde zachtjes. en de zon was zoo warm, zoo warm.
Ellert’s gedachten zwierven naar verre landen. Zijn hoofd zonk langzaam op zijn borst. Hoorde hij den hommel nog? Of gonsde de hommel in zijn eigen brein? Het meisje bemerkte, dat hij insliep.
Het zweet lag vet in de groeven van zijn voorhoofd. Hij had den mond wijd-geopend, en het meisje zag zijn dikke tong, en zijn wreede, verroeste tanden. Uit de gesloten oogen leek bloed te loopen.
“Hoe afschuwelijk!” peinsde het meisje. “Moet ik daar mijn jeugd bij leven? Eerder wil ik sterven!”
Ze naderde hem en keek aandachtig naar hem, zooals een kind een vreemd — voor zijn begrippen — afschuwelijk— dier beschouwt. Er was niets aan hem, of ’t herinnerde aan ’t beest. Vooral zijn roode, opgezwollen handen deden haar huiveren. Daar scheen bloed aan te kleven, en de weeë geur van het bloed, dat uit een geslacht rund stroomt, leek uit zijn lichaam te dampen. Ze ging op een afstand van hem staan, doch hij bleef ook uit de verte vreeswekkend.
Toen liep ze haastig op hem toe. Uit zijn zak hing zijn dolkmes. Ze haalde het, knielend, zoo voorzichtig naar zich toe, dat hij zelfs in zijn snurken niet even ophield.
Vreemd! ze voelde geen angst. Zonder zich te bedenken, sneed ze hem met één ruk den strot door. Als uit een bron water, zóó spoot het bloed uit de keel. Vol walging — kleefde aan het staal niet zijn bloed? —wierp ze het mes weg. Het hoofd hing nog even aan het nekvleesch…de oogen stonden bol-wit — hij had de tong uitgestoken…instinctief wellicht, toen het scherp staal den Adamsappel raakte….doch ze vond hem zóó in den dood minder afstootend dan in het leven. Ze legde de hand aan haar hart. Vrij….vrij….ze was vrij! Ze kon vluchten!
Daar ginder lag Orvelterveen. Ze lette niet op kuilen en kleine hoogten. Ze liep…strompelend, vallend… weer hollend.
Plotseling stond ze stil en ze legde de handen pijnlijk aan haar voorhoofd.
De bellen….Ze kon geen touw vermijden. Overal, kris-kras, liepen ze door ’t veld, als gangen van een hol onder de grond. “Is het niet beter, dat ik langzaam loop?” peinsde ze, “voor mij uitkijkende, of ik niet een van de touwen aanraak, waardoor die bellen beginnen te klinken?
Zal ik ze niet kunnen vermijden?”
Ze boog voorover, om de plaatsing der klokjes na te gaan. Viel er niet eenige regelmaat te ontdekken, waardoor ze het waarschuwend gevaar ontwijken kon? Wel hadden de reuzen het werk goed volbracht! Ze hadden de belletjes geplant, zoo grillig als de sporen van paddestoelen gaan. Niemand, die op het veld kwam, of van het veld vluchtte, die niet genoodzaakt werd, ze aan te raken. Het meisje werd radeloos.
“Zal ik niet teruggaan?” dacht ze, “en zeggen, dat een vreemdeling Ellert heeft vermoord, uit wraak voor al zijn booze daden? Maar neen…dat zal hij niet gelooven! Hij zal zeggen: "Waarom heb je dan niet geroepen: “Ellert! Ellert!Ellert!" tot driemalen toe? “En wat moet ik daarop antwoorden? Neen, laat ik zorgen, dat ik zoo vlug mogelijk wegloop! Laat ik mij niet om de bellen bekommeren!”
Ze holde over het veld, en de klokjes begonnen te klinken, alsof duizenden vogels op de touwen waren neergestreken. Haar angst zweepte haar op, en ze liep, en ze liep!
Aan de andere zijde van het veld stond Brammert, en hij luisterde verwonderd. wat geschiedde er, dat zoo’n verward getingel uit de bellen schoot? Dezen klank kende hij niet. Hij ging op zijn hurken zitten, dan was hij nog grooter dan een gewoon mensch, om beter te kunnen hooren.
Toen, met enkele stappen, bereikte hij het hol, alwaar Ellert gesneuveld lag. Hij staarde naar het mes, met bloed bevlekt.
“Vader Ellert!” riep hij uit, “hier staat Brammert, die u wreken zal.” Hij bond zijn laarzen stevig vast, en hij liep zoo snel als hij nog nooit geloopen had, het meisje achterna. Zijn schaduw kon hem niet bijhouden. Het stof woei hoog over het veld, als een zware wolk, opgetild door den storm. Het meisje zag hem komen. Ze snelde reeds buiten den rand van het veld…ze bemerkte in de verte reeds haar vader’s huis.
“O! als nu de deur maar openstond”, dacht ze, “eer is kans, dat ik hem ontvlucht.”
Ze hoorde de hijgende adem van den reus — schriller dan de wind in den herfstnacht. Zijn handen graaiden door de lucht —hij had zijn armen vooruitgestoken en meter voor meter naderde zijn scherpe nagels haar: die hielden vast, wat ze eenmaal hadden gegrepen! De deur was stijf-gesloten. Als ze aan het venster moest kloppen, en iemand nog moest ontsluiten, had hij haar gegrepen…. dat voorvoelde ze! Ze gilde van verre. Niemand in de hoeve hoorde haar stem. Zoo dichtbij haar doel en toch verloren! Op dat oogenblik woei de wind, en woei de deur open. Ze rende hals over kop naar binnen — ze marde geen oogwenk — ze grendelde. Buiten kreet de reus in smart en woede.
“Meisje uit Orvelterveen, dat zul je me betalen, jij en je zusters en broeders, je vrienden en magen, alles wat geboren is in Orvelterveen! Ik zal zand in de huizen blazen, en de kinderen dooden, die in de nabijheid van het veld verdwalen. Ik zal niet eerder sterven, vóór Orvelterveen door allen is verlaten.”
In het gansche dorp vernam men deze vreeselijke woorden. Brammert keek met zijn booze oogen de vensters in, en schudde zijn vuist tegen de deuren. Toen legde hij zich in zijn volle lengte op het witte veld, en hij ving aan met bolle wangen zand te blazen, zoodat het dorp in stofwolken was gehuld. Het zand stoof op den drempel, het zand stoof op het dak; het zand doordrong de rogge, het zand drong in den stal. Geen mensch durfde de richting van het veld te gaan….Men bouwde geen huizen meer in het vervloekte dorp. Als de muren bladerden, de scharnieren verroesten, hout molmde, vloeren verrotte, herstelde men niet. Waarvoor zou het noodig zijn? Orvelterveen moest verdwijnen.
Langzamerhand werd het dorpje kleiner. Nog enkele boerderijen, het verst van het veld gelegen, stonden. De bewoners van andere hoeven trokken weg, ze schudden hun vuist tegen Brammert, die lachte, dat hij schudde.
“Hahaha! het gaat nu om de laatste huizen. De menschen trachtten nog weerstand te bieden — elken dag echter sloeg hun noodlot millioenen kleine, levenlooze korreltjes in de woningen. Toen gingen ook de overgeblevenen heen, en ze balden de handen tot vuisten tegen den machtigen, schaterende reus, die hen nariep: “Denk aan Ellert en Brammert, waar je ook heengaat.”
Hun herinnering werd de reuzen tot vloek. Want het witte veld noemden de menschen Ellert en een heuvel, waaruit Ellert’s zoon geblazen had, naar Brammert. Wanneer een vreemdeling vraagt, hoe de namen zijn ontstaan, zoo zegt men:
“Hier woonden de twee slechte reuzen, moordenaars, die klokken hadden gespannen over het veld.”
(Tweede lezing van Ellert en Brammert)
Op een uitgestrekt veld, dicht bij Orvelterveen, woonden lang gelden twee reuzen, Ellert, de vader, en Brammert, de zoon, die geen medelijden kenden.
Maar de bewoners der dorpen om het veld lieten zij met rust, misschien in de hoop, dat de rijke vreemdelingen niet gewaarschuwd zouden worden. Hoe wisten zij dan, dat er reizigers door ’t land trokken? Overal op de heide hadden zij paaltjes geslagen, waaraan touwen met ongewijde klokken hingen. Geen mogelijkheid, om te ontsnappen.
Een der touwen immers werd altijd wel lichtelijk bewogen, en dan tjingelden de bellen. De reuzen kenden de klank der klokken precies. Zij wisten als wind en storm er door voeren, en ze hoorden, als een menschenhand ertegen stiet.
Onrustig was hun slaap: ze moesten steeds gereed zijn, om op te springen en te rooven.
De burgers van Orvelterveen zeiden tot hun kinderen: “Kom nooit op het veld, daar wonen twee booze reuzen.”
Hierom werd de tocht van Ellert en Brammert nimmer vergeefsch: het waren altijd rijke menschen, onbekend in deze streken, die ze mochten bestelen en vermoorden.
Eens was er een meisje uit Orvelterveen, dat haar moeder vroeg: “Heeft u de reuzen, Ellert en Brammert wel eens gezien? Waarom is iedereen er bang voor?!”
“Kind”, huiverde de vrouw, “Ga nooit op het veld! Je zou ongelukkig worden!”
“Is geen van beiden getrouwd, moeder, Ellert niet en Brammert niet?”
“Iedere vrouw zou ongelukkig op het veld worden. Geen vrouw komt op het veld.” Het meisje keek haar moeder met kinderlijk-verwonderde oogen aan, en voortaan ging zij peinzend — als werd ze door een geheim gekweld — door ’t huis. Als haar iets werd gevraagd, keek ze verschrikt op. Dikwijls staarde ze in den nacht…..heel in de verte lag het veld. Plots, door de eene vraag aan haar moeder, was ze van een kind een volwassene geworden. Een ander wendt zich van de jeugd en onbekommerdheid af naar de wereld van ongewisheid door een boek, een gesprek. Bij haar riep eigen ziel het vrouwelijk wezen uit onbewustheid op, of liever haar geest droomde van onnadenkendheid naar peinzende sfeer over, terwijl ze voortaan schuw de mannen groette. O, de eeuwige tragedie der vrouw.
Op een dag miste men haar in de hoeve. Men riep ten allen kant haar naam, met de liefkoozende stem der ouders, die hun kinderen uit het spel naar ’t goede huis lokken.
Niemand wist nog, dat ze als volwassene moest worden behandeld.
Het duurde geruime tijd, vóór ze terugkwam, en toen men haar over den weg zag gaan, en men haar vroeg, waar ze toch zoo lang was gebleven, zeide ze de waarheid niet: dat ze aan den rand van het veld had gewacht op eenig teken van Ellert en Brammert. Let wel! —gij allen, die den aard der vrouwen kent, zult het weten— indien ze het geluid van naderende stappen had vernomen, ware ze gevlucht. Echter beefde er, terwijl ze luisterde, zelfs niet een enkel belletje. Het veld lag er verlaten in den dag met zijn eenzamen zonneschijn, in de avond, met zijn schuwe schaduwen. Zij keerde eindelijk zuchtend huiswaarts.
Na dien gebeurde het dikwijls, dat zij eerst laat in het dorp terugkwam. Altijd wist ze wel iets te bedenken, om zich te verontschuldigen. Doch verder dan den rand van het veld ging zij niet.
“Hoe zouden zij eruit ziet, Ellert en Brammert?” dacht ze, als ze vóór zich uit staarde, ver de vlakte in “Als ze bestaan. Misschien hebben ze het ons maar verteld. Wanneer zal ik durven gaan? Zouden ze….zouden ze……” Ze keek om zich heen —niet even werd de heide beroerd.
“Zouden ze van een vrouw kunnen houden? Als ik ze maar even zag. Toch ben ik bang!”
Wat er geschieden moest, gebeurde. Voet voor voet drong ze dieper het veld door. Eindelijk wad ze reeds een eind van het veld verwijderd, toen ze een klein paaltje ontdekte, waarop zij even ging zitten. Haar voet raakte het touw aan. Een belletje begon te klinken. Hoe grappig!
Als ze zich maar even bewoog, sloegen er allerlei belletjes aan, als een carillon tezamen spelend een aardig melodietje zonder melodie. Ze moest het telkens herhalen.
De booze reuzen waren opgesprongen, en ze keken verwonderd naar elkander. Het was niet de wind, die de klepels bewoog; maar ook geen mensch — zoo meenden ze — kon zóó spelen. Wie, wie had het touw aangeraakt?
“Laten we gaan zien!” zei Ellert heesch. Misschien is het wel een buit, waarvan we nog nooit hebben gedroomd.”
Hoog tot aan de heupen hadden zij hun laarzen getrokken.
Snel als de stormwind, die over een lage, boomloze huizenlooze vlakte giert, liepen ze tot aan de paal, waar ’t meisje zat. Zoodra het de reuzen — op wie het zoo lang had gewacht—aanschouwde, wilde het vluchten. Vóór ze zelfs kon opstaan, was ze reeds van beide zijden ingesloten.
“Wie ben je?” lachte Brammert, met de dom-driestheid van sterke menschen, die nog nooit zijn overwonnen.
“Ik ben…..maar…..een meisje…uit Orvelterveen…… laat mij naar huis gaan. Ik kom nooit weer op ’t veld terug.”
“Juist, daarom willen we je hebben. Ga maar mee naar ons hol, meisje uit Orvelterveen. Wat een geluk!”
Dit was de eerste maal, dat zij een vreemdeling niet doodden.
Terwijl ze haar in haar willoze wanhoop voortdreven — ze ging als een rund, dat de geur van het slachtplaats-bloed riekt en geen ontkomen meer kent — schaterde ze wild en brutaal tegen elkaar: “Dit is iets anders dan droomen! Vooruit geld! We hebben het vanmorgen niet kunnen droomen! Vooruit!”
Het arme meisje durfde niet te klagen. Ze gevoelde reeds onbestemd, dat ze verloren was. Wie zou haar kunnen verlossen?
De twee reuzen woonden in een schemerig hol. Alleen in den middag drong het vage licht tot in de verste hoeken der wanden, waar de bijlen en messen en dolken, alle scherp geslepen, hingen. Ellert en Brammert hadden steeds zonder een vrouw alle werk verricht.
Van het eerste oogenblik af werd ze bewaakt, òf door Ellert, of door Brammert. Vroeger trokken zij er altijd tesaam op uit, om de reizigers te berooven. Nu bleef altijd een hunner achter, om hun grootste schat te bewaren.
Ze merkte wel, dat ze heimwee had. Dikwijls zat ze voor zich uit te kijken, haar blik in de richting van Ortelterveen. Zouden haar ouders haar niet zoeken? Zou niemand uit het dorp op het veld durven komen? Zij leerde ook de klanken der klokken van elkaar onderscheiden. Ze wist voortaan mede, of de luchtige zefier door de draden speelde dan wel of iemand naderde, die gevaar liep, om vermoord te worden. De wijsjes van haar jeugd scheen ze zich niet meer te herinneren. Had ze ooit gelachen en gedanst?
Soms vroeg Ellert of Brammert: “Daar ver ginder in Orvelterveen hooren we dikwijls, dat de menschen liederen zingen. Kun je dat niet meisje?”
”Ik heb het wel gekend,” antwoordde ze dof, “maar ik weet er geen enkel woord meer van. Vraag mij niet voor u te zingen. De klanken zouden immers tegen een muur stuiten, want hij, die zingen wil, moet niet gekweld worden. Gij — gij — gij—afschuwelijke wreedaards! wat rieken uw handen naar bloed. Ge weet wel, dat het nooit af te wasschen is. Ja, leg uw handen maar tegen het gelaat, slechte Ellert, slechte Brammert, dat is de geur van het bloed, dat ge hebt vergoten. Iedere bloeddruppel heeft zijn geur daarin gegroefd, zooals zorg en ellende mijn voorhoofd deden rimpelen.”
“Wat zocht ge ook bij ons op het veld?” vroeg Brammert minachtend.
“Een droom…..een droom als ge het hooren wilt! Ik was gelijk aan ieder jong meisje, of niet?”
“Zoveel jonge meisjes hebben wij niet gekend, of wel, vader Ellert? In de dagen, dat ik bij u was, heb ik meer geleerd dan in al de jaren ervoor.”
Ik begrijp nu, wat mijn zusters zochten — en wat ze vonden! Zal er wel ooit één het geluk mogen aanvatten? O, ik zal dat nooit meer gelooven.”
Ze trad aan den drempel, en ze legde haar nauw-gesloten vingers aan de oogen, gelijk iemand, die zich tegen het stekend zonnelicht beschut. De tranen vloeiden haar langs de binnenzijde harer handen, over de polsen, uit leed over al dit leed. De reuzen lachten.
“Bevalt het je hier niet, meisje?” vroeg Ellert. Ze wendde zich om, en zag naar het donkere gelaat, dat haar naderde.
“Wat kan ik voor u doen?” zeide ze. “Altijd moet iemand uwer hier zijn, om op mij te passen. Zoo kunt ge, als er twee menschen op het veld komen, er slechts een van berooven, en wie weet, of ge niet den armste uitzoekt.”
Ellert sprong op.
“En als het de armste is, kan het mij niet schelen, meisje! Wij hebben een vrouw hier in ons hol!”
“Gij beiden, Ellert en Brammert, die mij nu aanziet, weet, dat een vrouw gevaarlijk bezit is. Hoe zal het wezen, als ik tegen Ellert zou glimlachen en tegen Brammert niet; hoe zou het wezen, als ik Brammert aanzag en hem met mijn zachte vingers den baard streelde, en mij om Ellert niet zou bekommeren? Nu bewaakt gij me beiden, nu de een, dan de ander. Als ik zou doen, iemand van uw tweeën uitkiezen — als ik zou doen — ge zoudt elkander bewaken, Ellert, Brammert, hoort ge mij? Het heeft me maar het knippen van mijn vingers te kosten, en ge zijt verloren.”
”Meent ge zóó met ons te spelen?!” schreeuwde Brammert.
“Wanner ik met u spelen wil — Dit is mijn spel, dat ik u in onzekerheid zal houden, wat ik wil doen!”
Ze zagen haar verwonderd aan. Wat was haar spel met hen, krachtige reuzen? Voor ’t eerst in hun leven geleken hun spieren slap en vermoeid —hun bloed tintelde niet. Zij durfden ook niet te lachen! Ja, het werd hun duidelijk, dat er ook gevaren bestonden, en dat zij iets konden vreezen. Toch stond ze geen oogenblik als overwinster.
“Mijn god! Ellert en Brammert, ik raad u, mij te laten gaan.”
”Als wij u lieten vetrekken, meent ge dan, dat we u zouden vergeten?” vroeg Brammert. “Neen op een dag zouden wij beiden het veld verlaten, om u te zoeken! Ge kunt niet meer van ons afkomen!” Ze haalde diep adem.
“Maar wanneer ik nu een van uw beiden lief-krijg? En geef daar eens antwoord op!”
Ellert dacht: “dan zal ze mij beminnen, want ik ben de rustigste — en ze zal Brammert vreezen” en Brammert dacht: “Mij zal ze verkiezen boven Ellert, omdat ik de jongste ben.” Geen hunner sprak zijn gedachten uit. Ze was weer getreden aan den drempel van het hol, en keek schijnbaar-doeloos naar buiten. Daarginder lag Orvelterveen. Ze zag een klein pluimpje rook boven de heide stijgen…ginds lag haar huis! Ze wachtte….
“Kom eens hier!” riep Brammert. Ze wendde zich iets en haalde haar schouders op.
“Waarom zou ik komen? Als je iets te zeggen hebt, kun je dat dáár ook doen!”
“Menschenmeisje!” zeide Brammert minachtend, “ik weet, wat je tegen ons wilt doen, maar ik waarschuw je. Je hebt met sterke mannen te doen, die kunne slaan en houwen en trappen en die lachen om de smart van een evenmensch.”
“Sla en houw en trap me dan, als je durft! Hier ben ik al!” Ze naderde. Hij bleef als een kwajongen zitten.
Nu was het haar beurt, om te lachen. Hoe machtig was ze door haar zwakheid.
Met dergelijke gesprekken gingen vele lustelooze dagen voorbij, wanneer er niets viel te rooven. De reuzen kende de eentonigheid sinds lang, maar nimmer hadden ze hierover nagedacht, tot de vrouw op het veld huisde. Haar bedreiging, dat ze eens den een boven de ander zou stellen, volvoerde ze niet. Alles scheen te blijven, zooals het was.
Toch veranderde er iets. Dikwijls, als ze op den drempel van haar hol stond, glimlachte zij. Ze berekende de afstand, die haar van Olterveen scheidde. Zou het niet eens gebeuren, dat Brammert en Ellert gelijk sliepen? Dan kon ze over het veld vluchten, met zachter schreden dan de avond gaat. Wanneer de bellen begonnen te tjingelen, zou ze sneller loopen — het deed er in dat geval niet toe, of men haar schreden hoorde. Zoo men haar ving — zoo men haar ving — mocht men haar ter dood brengen. De dood was beter dan dit leven.
Maar geen dag, avond, nacht bestond, dat zij tweeën sliepen. Een waakte altijd, en als ze even buiten stapte, kon hij haar met het uitstrekken zijner arm al grijpen.
Moest ze eeuwig op het veld blijven?
Soms hoorde ze de taal, die ze kende, als de wind gunstig woei. Men noemde haar naam in het dialect van deze streek, en zij wilde snikkend antwoorden: “hier ben ik!” Geen mensch uit het dorp durfde haar echter te naderen.
Allen bleven ze op den rand staan, vreezend voor de klinkende bellen.
“Zal niet een van hen beiden sterven?” dacht ze. “Wanneer Ellert of Brammert, Brammert of Ellert, dood is kan de levende mij toch niet eeuwig bewaken? Ik moet hier eens vandaan!”
Doch de dagen bleken gelijk van kleur te zijn. Ja, misschien zou ze nog het eerst sterven van hen drieën.
Reuzen leven misschien veel langer dan menschen — op hùn dood behoefde ze niet te hopen. Ze zag de getijden komen en gaan. Ze was niet blijder om den gloeiende herfst dan om den witten, zwijgende winter met zijn geruischlooze sneeuw. Ja, het is de vraag, of ze over het verschil nadacht. Op een goeden dag loste Ellert Brammert af.
Het weder was warm, en hij ging voor ’t hol zitten, de beenen ver uitgestrekt en zich schurkend in de hitte. Kleine vliegjes en mugjes, de onnoemelijk-vele insectjes zonder naam, zoemden om zijn groote neus. Een wesp schreef haar sierlijkste parabolen in de lucht, en gonsde. Een hommel reisde van erica tot erica, en bromde zachtjes. en de zon was zoo warm, zoo warm.
Ellert’s gedachten zwierven naar verre landen. Zijn hoofd zonk langzaam op zijn borst. Hoorde hij den hommel nog? Of gonsde de hommel in zijn eigen brein? Het meisje bemerkte, dat hij insliep.
Het zweet lag vet in de groeven van zijn voorhoofd. Hij had den mond wijd-geopend, en het meisje zag zijn dikke tong, en zijn wreede, verroeste tanden. Uit de gesloten oogen leek bloed te loopen.
“Hoe afschuwelijk!” peinsde het meisje. “Moet ik daar mijn jeugd bij leven? Eerder wil ik sterven!”
Ze naderde hem en keek aandachtig naar hem, zooals een kind een vreemd — voor zijn begrippen — afschuwelijk— dier beschouwt. Er was niets aan hem, of ’t herinnerde aan ’t beest. Vooral zijn roode, opgezwollen handen deden haar huiveren. Daar scheen bloed aan te kleven, en de weeë geur van het bloed, dat uit een geslacht rund stroomt, leek uit zijn lichaam te dampen. Ze ging op een afstand van hem staan, doch hij bleef ook uit de verte vreeswekkend.
Toen liep ze haastig op hem toe. Uit zijn zak hing zijn dolkmes. Ze haalde het, knielend, zoo voorzichtig naar zich toe, dat hij zelfs in zijn snurken niet even ophield.
Vreemd! ze voelde geen angst. Zonder zich te bedenken, sneed ze hem met één ruk den strot door. Als uit een bron water, zóó spoot het bloed uit de keel. Vol walging — kleefde aan het staal niet zijn bloed? —wierp ze het mes weg. Het hoofd hing nog even aan het nekvleesch…de oogen stonden bol-wit — hij had de tong uitgestoken…instinctief wellicht, toen het scherp staal den Adamsappel raakte….doch ze vond hem zóó in den dood minder afstootend dan in het leven. Ze legde de hand aan haar hart. Vrij….vrij….ze was vrij! Ze kon vluchten!
Daar ginder lag Orvelterveen. Ze lette niet op kuilen en kleine hoogten. Ze liep…strompelend, vallend… weer hollend.
Plotseling stond ze stil en ze legde de handen pijnlijk aan haar voorhoofd.
De bellen….Ze kon geen touw vermijden. Overal, kris-kras, liepen ze door ’t veld, als gangen van een hol onder de grond. “Is het niet beter, dat ik langzaam loop?” peinsde ze, “voor mij uitkijkende, of ik niet een van de touwen aanraak, waardoor die bellen beginnen te klinken?
Zal ik ze niet kunnen vermijden?”
Ze boog voorover, om de plaatsing der klokjes na te gaan. Viel er niet eenige regelmaat te ontdekken, waardoor ze het waarschuwend gevaar ontwijken kon? Wel hadden de reuzen het werk goed volbracht! Ze hadden de belletjes geplant, zoo grillig als de sporen van paddestoelen gaan. Niemand, die op het veld kwam, of van het veld vluchtte, die niet genoodzaakt werd, ze aan te raken. Het meisje werd radeloos.
“Zal ik niet teruggaan?” dacht ze, “en zeggen, dat een vreemdeling Ellert heeft vermoord, uit wraak voor al zijn booze daden? Maar neen…dat zal hij niet gelooven! Hij zal zeggen: "Waarom heb je dan niet geroepen: “Ellert! Ellert!Ellert!" tot driemalen toe? “En wat moet ik daarop antwoorden? Neen, laat ik zorgen, dat ik zoo vlug mogelijk wegloop! Laat ik mij niet om de bellen bekommeren!”
Ze holde over het veld, en de klokjes begonnen te klinken, alsof duizenden vogels op de touwen waren neergestreken. Haar angst zweepte haar op, en ze liep, en ze liep!
Aan de andere zijde van het veld stond Brammert, en hij luisterde verwonderd. wat geschiedde er, dat zoo’n verward getingel uit de bellen schoot? Dezen klank kende hij niet. Hij ging op zijn hurken zitten, dan was hij nog grooter dan een gewoon mensch, om beter te kunnen hooren.
Toen, met enkele stappen, bereikte hij het hol, alwaar Ellert gesneuveld lag. Hij staarde naar het mes, met bloed bevlekt.
“Vader Ellert!” riep hij uit, “hier staat Brammert, die u wreken zal.” Hij bond zijn laarzen stevig vast, en hij liep zoo snel als hij nog nooit geloopen had, het meisje achterna. Zijn schaduw kon hem niet bijhouden. Het stof woei hoog over het veld, als een zware wolk, opgetild door den storm. Het meisje zag hem komen. Ze snelde reeds buiten den rand van het veld…ze bemerkte in de verte reeds haar vader’s huis.
“O! als nu de deur maar openstond”, dacht ze, “eer is kans, dat ik hem ontvlucht.”
Ze hoorde de hijgende adem van den reus — schriller dan de wind in den herfstnacht. Zijn handen graaiden door de lucht —hij had zijn armen vooruitgestoken en meter voor meter naderde zijn scherpe nagels haar: die hielden vast, wat ze eenmaal hadden gegrepen! De deur was stijf-gesloten. Als ze aan het venster moest kloppen, en iemand nog moest ontsluiten, had hij haar gegrepen…. dat voorvoelde ze! Ze gilde van verre. Niemand in de hoeve hoorde haar stem. Zoo dichtbij haar doel en toch verloren! Op dat oogenblik woei de wind, en woei de deur open. Ze rende hals over kop naar binnen — ze marde geen oogwenk — ze grendelde. Buiten kreet de reus in smart en woede.
“Meisje uit Orvelterveen, dat zul je me betalen, jij en je zusters en broeders, je vrienden en magen, alles wat geboren is in Orvelterveen! Ik zal zand in de huizen blazen, en de kinderen dooden, die in de nabijheid van het veld verdwalen. Ik zal niet eerder sterven, vóór Orvelterveen door allen is verlaten.”
In het gansche dorp vernam men deze vreeselijke woorden. Brammert keek met zijn booze oogen de vensters in, en schudde zijn vuist tegen de deuren. Toen legde hij zich in zijn volle lengte op het witte veld, en hij ving aan met bolle wangen zand te blazen, zoodat het dorp in stofwolken was gehuld. Het zand stoof op den drempel, het zand stoof op het dak; het zand doordrong de rogge, het zand drong in den stal. Geen mensch durfde de richting van het veld te gaan….Men bouwde geen huizen meer in het vervloekte dorp. Als de muren bladerden, de scharnieren verroesten, hout molmde, vloeren verrotte, herstelde men niet. Waarvoor zou het noodig zijn? Orvelterveen moest verdwijnen.
Langzamerhand werd het dorpje kleiner. Nog enkele boerderijen, het verst van het veld gelegen, stonden. De bewoners van andere hoeven trokken weg, ze schudden hun vuist tegen Brammert, die lachte, dat hij schudde.
“Hahaha! het gaat nu om de laatste huizen. De menschen trachtten nog weerstand te bieden — elken dag echter sloeg hun noodlot millioenen kleine, levenlooze korreltjes in de woningen. Toen gingen ook de overgeblevenen heen, en ze balden de handen tot vuisten tegen den machtigen, schaterende reus, die hen nariep: “Denk aan Ellert en Brammert, waar je ook heengaat.”
Hun herinnering werd de reuzen tot vloek. Want het witte veld noemden de menschen Ellert en een heuvel, waaruit Ellert’s zoon geblazen had, naar Brammert. Wanneer een vreemdeling vraagt, hoe de namen zijn ontstaan, zoo zegt men:
“Hier woonden de twee slechte reuzen, moordenaars, die klokken hadden gespannen over het veld.”
Onderwerp
TM 2601 - Hoe het dorp (de stad, heuvel, straat, een plek of het stuk land) aan z'n naam is gekomen   
ATU 0965* - Robbers’ Alarm Bell.   
Beschrijving
Ellert en Brammert zijn twee reuzen die op het Ellertsveld wonen en daar mensen beroven. Het hele veld hangt vol met touwen met daaraan klokjes. Als er iemand het veld betreed weten de reuzen dat meteen en kunnen ze deze persoon beroven Op een dag nemen ze een meisje gevangen, dat de huishouding voor hen moet doen. Ze dreigt de reuzen tegen elkaar uit te spelen, maar doet dit uiteindelijk toch niet. Een van de reuzen bewaakt haar altijd, terwijl de ander op rooftocht gaat. Op een dag valt Ellert, tijdens het bewaken van het meisje, in slaap. Het meisje pakt zijn mes, snijdt zijn keel door en vlucht. Als ze over het veld vlucht, laat ze de klokjes klingele. Brammert wordt hierdoor gewaarschuwd. Hij ziet zijn vaders lijk liggen en gaat het meisje achterna.
Het meisje verstopt zich in het ouderlijk huis. Brammert zweert wraak en verjaagd vervolgens iedereen uit Olvelterveen. Sinds dien heet het witte veld naar Ellert en een heuvel daar in de buurt naar Brammert.
Het meisje verstopt zich in het ouderlijk huis. Brammert zweert wraak en verjaagd vervolgens iedereen uit Olvelterveen. Sinds dien heet het witte veld naar Ellert en een heuvel daar in de buurt naar Brammert.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p.196
Motief
K413 - Thieves stretch chain across road and evade pursuers.   
Naam Overig in Tekst
Ellert   
Brammert   
Naam Locatie in Tekst
Orvelterveen   
Plaats van Handelen
Orvelterveen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
