Hoofdtekst
De Duivelsgracht van Gorinchem.
Het is lang geleden, zoo lang, dat niemand meer weet
wanneer. Er woonde toen in de stad Gorinchem
een baron, statig van wezen, die een vrouw had
en drie jongens. Zij leefden gelukkig en hun gedachten
waren een voorbeeld voor hen, die het goede willen.
De oudste der knapen was nog geen man na zijn moeder’s
dood. Want zij stierf jong, haar ziel den Heere gewijd.
Wie na een week den baron ontmoette, verschrikte
hevig. Immers, hij geleek op een vreemde van zichzelven.
Waar vroeger de rimpelen van lach hadden gelegen, deze
kleine, ja bijkans onmerkbare lijntjes had de zorg gevolgd,
ze dieper uitgegraven en breeder uiteengespalkt. De lippen
waren vol geweest, diep-rood. Thans weken ze terug, en
ze geleken twee mat-witte, levenloze lijnen.
De baron dacht er niet over na, dat hij een ander mensch
was geworden. Hij scheen het zich niet meer te herinneren,
dat zijn naam eens milde had geklonken, gelijk een kerk-
klok des Zondags, en in zeer korten tijd verzamelden zich
slechte vrienden om hem, overvloediger dan ooit zijn brave
vrienden: immers die heeft een ieder mensch weinig, doch
kwade gezellen kan men na iedere booze daad krijgen,
dat zijn goede vrienden vaarwel zeiden. Hij bemerkte
het droevig geluid, dat hun stemmen brak voor ze uitge-
klonken waren, niet.
Ja, hij was wellicht blijde, dat zij van hem weken, want
hij schaamde zich hunner, gelijk men zich om der wille
van een dwaze daad uit zijn jeugd kan schamen. Vroeger
was des avonds, wanneer de wachter de brug had neer-
gelaten, het slot rustig. De vensters bleven duister als de
nacht, die ze omsloot. Thans rosten er midden in en nacht
ruiters naar het kasteel, zij schreeuwde met schorre
stemmen, en hun dronken gebral klonk tot in den morgen.
De gloed van flambouwen flakkerde rossig heen en weer,
waaiend als door den wind bewogen. Des daags bleef
het dikwerf stil, in en buiten het kasteel, als men niet ten
roof uit-reed.
De knapen, die de moeder had opgevoed, werden in
deze vriendenkring al wel spoedig volwassen! Men leerde
hun het leven kennen, zooals hondsvotten dat verstaan.
Ook zij herinnerden zich binnen korten tijd al niet meer,
dat er eens andere woorden dan nu in het huis waren
gesproken. Ze bedronken zich als de overigen. Ze bepraatten
de liefde met gemeene spot. Ze deden hun vader schateren,
want laagheid lacht om laagheid. Ze werden ruwe trawanten,
die deden, wat hun in de zin kwam: in Gorinchem was
niemand meer veilig en het hielp niet, of men de gouden
dukaten verstopte.
Jaren werden in jaren gewonden, en de voorbije tijd
scheen éen geleek, zonder de minste onderbreking. Als
de baron over zijn dagen peinsde, leek het hem, of hij
voortdurend had gebrast. Het geld kwam makkelijk binnen.
Hij behoefde zijn hand slechts in de schatkist heen en weer
te woelen, om het begeerte te krijgen. Voor de vulling
der kist zorgde zijn rentmeester, die den pachters den
laatsten duit uit hun beurzen perste, zonder op hun gewee-
klaag te letten. Ook vond de baron het niet slecht, om
achter struikgewas op reizigers te loeren en hun paarden
tegen te houden. Menig rijkaard werd uitgeschud, en zoo
schamel op den eenzame weg achtergelaten als een
bedelende zwerver. Daarover klaagde men in de stad
Gorinchem ook veel, zeggend:
”Wat moet er met ons op den duur gebeuren? Alle
handel zal uit Gorinchem verdwijnen, omdat men het niet
meer waagt in onze stad te komen. De boer zal niet meer
zaaien, want vóór het maaien geschied is, heeft de rent-
meester hem reeds zijn schouders gekromd. De koopman
zal zijn winkel sluiten: dringen de zonen van der baron
niet bij hem binnen, om zijn voorraden te plunderen, zijn
kasten leeg te halen, en zijn dochters te verleiden? Wat
hebben de menschen aan hun leven? God heeft de velden
vruchtbaar gemaakt, en zendt de zon en den regen. Maar
wat geeft ons dit, zoolang de baron leeft?”
Daarom werkten de menschen minder, en ook kwamen
er geen marskramers meer voorbij het kasteel, omdat het
niet vroolijk stemt, wanneer men van alles wordt beroofd.
Aldus maakten de edellieden anderen armer, zichzelf niet
rijker, gelijk het door alle eeuwen heen is geweest met
vorsten en baronnen, die vernieling over de landen voeren.
Hun daden zijn niet in kronieken beschreven, maar ze
moeten vreeselijk geweest zijn, want er wordt op den
huidigen dag nog over gesproken evenals over de volgende
dingen, die allen zijn geschied:
Op een dag begaf zich de baron naar zijn schatkist, en
hij woelde met beide handen op den bodem. Geen klein
geldstukje echter bleef aan zijn vingers kleven, en hij zag
verwonderd toe. Hij nam de kist vast, keerde ze om, en
schudde. Nog niet een duit rolde op den grond. Daarover
was de edelman zeer toornig en hij riep zijn rentmeester,
wien hij toeschreeuwde:
“Wie heeft het geld gestolen? Wie heeft het geld gestolen?”
“er valt geen geld te stelen uit een leege kist”, zeide
de rentmeester.
Toen begon de baron godslasterlijk te vloeken, en hij
riep zijn zonen.
“Jullie denken, dat de gelagen eeuwig kunnen duren”,
zeide hij, “ en dat wij het goud voor het opdiepen hebben als
water uit een put. Kijk hier deze kist een aan! Schud maar
goed! Ons lachen is gedaan!” Een zijner zonen naderde.
“Misschien komt er hier binnen korten tijd een koopman
voorbij, die we kunnen berooven!” Een ander zeide:
“Of we probeeren, om bij Jood of Christen in de stad
nog wat te halen!”
“Daar is niets meer te grissen”, riep de derde grimmig.
“Uit het ei is de dooier al geslurpt. Wij hebben de burgers
van Gorinchem geslagen, tot ze begonnen te kwaken, en
ze hadden ons nog wel netjes gewezen, waar hun goud lag.
Maar er is nu niet meer over.”
“En onze oogst dan?”
“Die is al verkocht en geleverd, je kunt net zoo goed
van de ratten geld halen.” Allen zwegen. Eindelijk stond
de oude baron op en riep toornig:
“Moet ik hier mijn heele leven verrotten? dan doen
de levende menschen, als ze geen geld hebben. Daar heb
ik een vermaledijden haat tegen. We dienen een middel te
vinden, om geld te krijgen, al zou de duivel het me moeten
verschaffen.”
Over deze woorden ontzetten zich de drie anderen zich
even, hoe slecht van hart ze ook waren. Zij wenschten
niet, met Heintje kennis te maken, want ze wisten wel:
die Satan vertrouwt, hij verliest alles, zonder ooit winst
te maken. Des duivels goed is klatergoud. Ze zeiden dit
niet tot den baron. Ze gingen stoeiend uit de zaal en
lieten hem alleen, op de wijze der jeugd lichtzinnig, en de
gedachten van ernst en zorg weglachende.
De baron zat eenzaam in de zaal, de leege schatkist
stond naast hem. Het berouwde hem niet, dat hij ’s Duivels
naam had gezegd. Hij streek de handen langs het voor-
hoofd. Hij bedacht niet waarom, doch hij had drink-
gelagen noodig.
Wat moest hij zonder drank en rumoer beginnen? Hij
wilde vergeten. De stilte wekt de oude stemmen en de
oude gestalten weder op, totdat men van angst schreeuwt,
daar men niet weet, wat werkelijkheid en onwerkelijkheid
is. Hij gevoelde zich bang voor de rust des avonds.
Sj! een zacht-schrijdende mannegestalte gleed de zaal
binnen en ging tegenover hem zitten.
Hij droeg hoornen als een bok, en inplaats van beenen
had hij poten, inplaats van tenen hoeven……
Terwijl hij den baron aanstaarde, met oogen glinsterend
als een hongerig man, die een lekkere spijs bekijkt, bleef
hij heel stil, de pooten over elkaar geslagen, zoodat de
mensch, wanneer hij zou opzien, niet naar zijn naam en
doel behoefde te vragen. Het was hier niet noodig, zijn
stem te doen vleien. Het kwam alles uit, zooals hij het
had bevroed.
De baron hief het hoofd op, schrok even, en vroeg
Satan naar zijn verlangen. De duivel deed heel verbaasd.
“Ge hebt me toch geroepen? Daarom ben ik gekomen.
Ik ben een goed vriend van de menschen. Alleen kennen
ze me niet, en ze vertellen veel kwaads over me, hoewel
ik altijd bereid ben, een ieder, die het me vraagt, naar
mijn beste geweten te helpen!”
“Tegen welke belooning?” vroeg de baron sober.
Hij had het wel eens vernomen, dat de Duivel niets
voor niets begint, en hij wist wel, wat er volgen moest.
Satan zette zijn bokkepooten steviger op den grond,
om te verstaan te geven, dat zijn voorwaarden konden
worden aangenomen of niet, maar dar ze eigenlijk onbe-
sproken konden blijven.
“Ik weet wel, wat er aan scheelt”, zeide de Satan mede-
lijdend. Als die zich medelijdend voordoet, kan men weten,
waaraan men toe is. “Ik heb u langen tijd in het oog
gehouden en bij mezelf besloten, dat we nog wel eens
tezamen een zaakje zouden opknappen. ’t Komt eerder
dan ik heb gedacht. Arme man, kost het je zooveel moeite,
om op de been te blijven? de oude geschiedenis! Ja, ja…
Dat komt ervan, als men goed wil leven, en den duivel
niet dadelijk aanroept. Mijn voorwaarden zijn gemakkelijk,
heer baron. Zeven jaren zult gij in overdaad zwelgen,
geen zorg zal uw deel zijn. Na deze zeven jaren…..”
“Na deze zeven jaren?!”
“Ik vraag niet veel”, zeide de duivel. De spottende
klank was uit zijn stem verdwenen. “Niet meer dan uw
ziel, heer baron!”
“Niet meer dan mijn ziel? Doch ge moet weten, hoe
duivelsch uw ook is, dat ze mij eens dierbaar was…
en een ander ook, wier naam ik niet wil uitspreken. Het
is een kostbaar goed….een menschenziel….” Satan
haalde zijn schouder op.
“Ge zegt, dat uw ziel eens kostbaar is geweest? Ja eens,
heer barobn Let op dat woord: Een, eens had ge een
vrouw, en eens waren hier ’avonds geen drinkgelagen,
waarin menschen vloeken. Eens waren uw zoons reine
jongelingen. Eens had ge liever uw handen verbrand, dan
u toe te eigenen, wat u niet behoort. Eens….” de duivel
schudde het hoofd. “Dat woord hoor ik vaker: “Eens!”
“Eens was ik braaf”, krijt de jongeling, als hij in ’s Duivels
klauwen ligt. Ik houd van het woord. Het beteekent, dat
velen, die vroeger God hebben gezocht, thans door mij
bekoord zijn. De ziel, die eens goed was, heft voor mij
een dubbele bekoring. Zullen we met elkaar afspreken…
dat de schatkist, die bij u staat, steeds met geld gevuld
houd…zeven jaar lang….zal ik het ten derden male
voor u zeggen? Zeven lange jaren, waarin ge niets behoeft
te doen dan uit de kist te putten….e na de zeven jaar
is het slot van mij…..met alles, wat erin is…..”
De baron glimlachte, zou hij den duivel niet voor den
gek kunnen houden? Die scheen hem te zeker van zijn
zaak. De duivel zag ongetwijfeld den glimlach, en hij moest
zichzelf bekennen, dat menschelijke sluwheid hem dikwijls
zijn gewin had ontgrepen, doch hij had zijn zaak wel over-
dacht, en hij stoorde zich niet aan zijn spot, ja, hij haalde
zijn schouders op.
Dezen man hield hij aan zich gebonden door de touwen
van drank en geld. De Duivel gevoelde, dat er van ont-
snappen geen sprake kon zijn.
“Goed”, zoo zeide de her baron spottend, “over zeven
jaar behoort dit kasteel met alles, wat erin is!”
Iedereen kan wel begrijpen, waarom de edelman dit zoo
zeide. Dien dag over zeven jaar zou hij het slot verlaten
met allen, die erin leefden. Zijn geld en goederen zou hij
op wagens laden….verder mocht ervan komen, wat wilde.
Daarom teekende hij het schadelijkste en schandelijkste van
alle overeenkomsten met zijn bloed, en de duivel verdween.
Nog altijd stond de schatkist naast den baron. Hij bukte
zich, en gelijk in vroeger dagen woelde zijn handen in
het goud. Hij kreet van vreugde. Zijn zonen traden binnen,
en waren verwonderd, dat er nu weder zooveel geld in
huis was. Ze vroegen echter niet, hoe de vader het had
gekregen. Waarom zouden ze dit vragen? Zóóveel inge-
rechtigheid hadden ze zelf bedreven, dat ze zich niet nieuws-
gierig toonden. Nu kwamen zeven jaren van woesten overvloed, want
de duivel houdt zijn belofte, aangezien hij er steeds op
uit is, om zielen te vangen. Zoo hij zijn woord niet hield,
zou hij zijn goeden naam verliezen. Zeven jaren lang joelde
het feest in het kasteel; de baron kende gen heugenis
van den tijd, en hij was den duivel vergeten. Dit had Satan
wel gezien. Nog meer vrienden dan vroeger reden des
avonds aan, en in de stad kon men dikwijls niet slapen,
zóó schreeuwden de dronken ridders.
Weder werden de dagen geheimzinnig aaneengesloten,
zoodat ze op wolken geleken, die, elkander volgende,
onmerkbaar één geheel gaan vormen. Ze waren óók zoo
nevelig als wolken op een lichte zomerdag. Wanneer een
der menschen zou getracht hebben,om zich te herinneren:
“Wat is er toen gebeurd?” dan zou hij het niet
hebben geweten. Maar men gaf er zich geen rekenschap
van. Men liet alles maar glijden. Het leven was voor allen
een gladde vloer. Op den noodlottigen dag kwamen allen bijeen, die ooit
in het slot waren geweest.
Zij, die lang geleden den baron hadden bezocht, werden aangezet
als paarden door een knallende zweep, om naar het kasteel te gaan.
Dit kon een blij ontmoeten worden genoemd! Dienaren brachten
bekers vol met schuimend bier, en vele gasten ledigden
ze in één teug, om daarna adem te halen en te lachen.
Nooit had men zooveel lawaai in het slot gehoord. Nooit
had men zóó in vreugde genoten, een vreugde even diep-
brandend bijna als geluk. Hier kon men zich tot ver-
getelheid bedwelmen.Toch stond de baron tegen midderbacht ineens op.
Hij liep uit de zaal en schreeuwde tegen zijner knechten:
“Zadel mijn paart en zag den poortwachter, dat hij de brug neerdoet.
Ik ga rijden!”
Van alle kanten hoorde hij: “ik ga rijden! ik ga rijden!
ik ga rijden — “ Echo riep echo op, weder-echo nog eens
echo. Van de muren, uit de lucht, van de zolder, vloer en
gewelven spotte de stemmen:
“Ik ga rijden! ik ga rijden! ik ga rijden!” Hij wankelde
naar den stal. Een der paarden stond gereed.
“Waarom heb je een zwart paard gezadeld?” zoo vroeg
hij. De knecht hield de fakkel in de hand en hief ze op,
plotseling. De baron deinsde achteruit.
“Ik ken je niet”, zoo schreeuwde hij.
“Ik ga rijden — ik ga rijden — ik ga rijden!” antwoordde
de knecht. “Wie ben je?” Hij greep de man bij den arm.
“Ik heb je eerder ontmoet. Zeg me wanneer. Dadelijk.
Ik beveel het!”
“Ik ga rijden,
Ik ga rijden
Holadrio!
Ik ga rijden
Ik ga rijden
Holadrio!”
“Ik ken je”, steunde de baron. “Ik weet, waar ik je
ontmoet heb…”
“Ik kom mijn schuld inlossen!” zeide de knecht. Het
was de Duivel.Toen zonk het slot met allen, die erin schreeuwden,
naar satande diepte, zóó diep, dat het grondwater met geweld steeg,
en en gracht vormde dichtbij de waterpoort.
Indien ge in Gorinchem naar de duivelsgracht vraagt,
zal men ze u in een ommezientje wijzen, dan weet ge
tevens, hoe satan zijn prooi weet te grijpen.
Het is lang geleden, zoo lang, dat niemand meer weet
wanneer. Er woonde toen in de stad Gorinchem
een baron, statig van wezen, die een vrouw had
en drie jongens. Zij leefden gelukkig en hun gedachten
waren een voorbeeld voor hen, die het goede willen.
De oudste der knapen was nog geen man na zijn moeder’s
dood. Want zij stierf jong, haar ziel den Heere gewijd.
Wie na een week den baron ontmoette, verschrikte
hevig. Immers, hij geleek op een vreemde van zichzelven.
Waar vroeger de rimpelen van lach hadden gelegen, deze
kleine, ja bijkans onmerkbare lijntjes had de zorg gevolgd,
ze dieper uitgegraven en breeder uiteengespalkt. De lippen
waren vol geweest, diep-rood. Thans weken ze terug, en
ze geleken twee mat-witte, levenloze lijnen.
De baron dacht er niet over na, dat hij een ander mensch
was geworden. Hij scheen het zich niet meer te herinneren,
dat zijn naam eens milde had geklonken, gelijk een kerk-
klok des Zondags, en in zeer korten tijd verzamelden zich
slechte vrienden om hem, overvloediger dan ooit zijn brave
vrienden: immers die heeft een ieder mensch weinig, doch
kwade gezellen kan men na iedere booze daad krijgen,
dat zijn goede vrienden vaarwel zeiden. Hij bemerkte
het droevig geluid, dat hun stemmen brak voor ze uitge-
klonken waren, niet.
Ja, hij was wellicht blijde, dat zij van hem weken, want
hij schaamde zich hunner, gelijk men zich om der wille
van een dwaze daad uit zijn jeugd kan schamen. Vroeger
was des avonds, wanneer de wachter de brug had neer-
gelaten, het slot rustig. De vensters bleven duister als de
nacht, die ze omsloot. Thans rosten er midden in en nacht
ruiters naar het kasteel, zij schreeuwde met schorre
stemmen, en hun dronken gebral klonk tot in den morgen.
De gloed van flambouwen flakkerde rossig heen en weer,
waaiend als door den wind bewogen. Des daags bleef
het dikwerf stil, in en buiten het kasteel, als men niet ten
roof uit-reed.
De knapen, die de moeder had opgevoed, werden in
deze vriendenkring al wel spoedig volwassen! Men leerde
hun het leven kennen, zooals hondsvotten dat verstaan.
Ook zij herinnerden zich binnen korten tijd al niet meer,
dat er eens andere woorden dan nu in het huis waren
gesproken. Ze bedronken zich als de overigen. Ze bepraatten
de liefde met gemeene spot. Ze deden hun vader schateren,
want laagheid lacht om laagheid. Ze werden ruwe trawanten,
die deden, wat hun in de zin kwam: in Gorinchem was
niemand meer veilig en het hielp niet, of men de gouden
dukaten verstopte.
Jaren werden in jaren gewonden, en de voorbije tijd
scheen éen geleek, zonder de minste onderbreking. Als
de baron over zijn dagen peinsde, leek het hem, of hij
voortdurend had gebrast. Het geld kwam makkelijk binnen.
Hij behoefde zijn hand slechts in de schatkist heen en weer
te woelen, om het begeerte te krijgen. Voor de vulling
der kist zorgde zijn rentmeester, die den pachters den
laatsten duit uit hun beurzen perste, zonder op hun gewee-
klaag te letten. Ook vond de baron het niet slecht, om
achter struikgewas op reizigers te loeren en hun paarden
tegen te houden. Menig rijkaard werd uitgeschud, en zoo
schamel op den eenzame weg achtergelaten als een
bedelende zwerver. Daarover klaagde men in de stad
Gorinchem ook veel, zeggend:
”Wat moet er met ons op den duur gebeuren? Alle
handel zal uit Gorinchem verdwijnen, omdat men het niet
meer waagt in onze stad te komen. De boer zal niet meer
zaaien, want vóór het maaien geschied is, heeft de rent-
meester hem reeds zijn schouders gekromd. De koopman
zal zijn winkel sluiten: dringen de zonen van der baron
niet bij hem binnen, om zijn voorraden te plunderen, zijn
kasten leeg te halen, en zijn dochters te verleiden? Wat
hebben de menschen aan hun leven? God heeft de velden
vruchtbaar gemaakt, en zendt de zon en den regen. Maar
wat geeft ons dit, zoolang de baron leeft?”
Daarom werkten de menschen minder, en ook kwamen
er geen marskramers meer voorbij het kasteel, omdat het
niet vroolijk stemt, wanneer men van alles wordt beroofd.
Aldus maakten de edellieden anderen armer, zichzelf niet
rijker, gelijk het door alle eeuwen heen is geweest met
vorsten en baronnen, die vernieling over de landen voeren.
Hun daden zijn niet in kronieken beschreven, maar ze
moeten vreeselijk geweest zijn, want er wordt op den
huidigen dag nog over gesproken evenals over de volgende
dingen, die allen zijn geschied:
Op een dag begaf zich de baron naar zijn schatkist, en
hij woelde met beide handen op den bodem. Geen klein
geldstukje echter bleef aan zijn vingers kleven, en hij zag
verwonderd toe. Hij nam de kist vast, keerde ze om, en
schudde. Nog niet een duit rolde op den grond. Daarover
was de edelman zeer toornig en hij riep zijn rentmeester,
wien hij toeschreeuwde:
“Wie heeft het geld gestolen? Wie heeft het geld gestolen?”
“er valt geen geld te stelen uit een leege kist”, zeide
de rentmeester.
Toen begon de baron godslasterlijk te vloeken, en hij
riep zijn zonen.
“Jullie denken, dat de gelagen eeuwig kunnen duren”,
zeide hij, “ en dat wij het goud voor het opdiepen hebben als
water uit een put. Kijk hier deze kist een aan! Schud maar
goed! Ons lachen is gedaan!” Een zijner zonen naderde.
“Misschien komt er hier binnen korten tijd een koopman
voorbij, die we kunnen berooven!” Een ander zeide:
“Of we probeeren, om bij Jood of Christen in de stad
nog wat te halen!”
“Daar is niets meer te grissen”, riep de derde grimmig.
“Uit het ei is de dooier al geslurpt. Wij hebben de burgers
van Gorinchem geslagen, tot ze begonnen te kwaken, en
ze hadden ons nog wel netjes gewezen, waar hun goud lag.
Maar er is nu niet meer over.”
“En onze oogst dan?”
“Die is al verkocht en geleverd, je kunt net zoo goed
van de ratten geld halen.” Allen zwegen. Eindelijk stond
de oude baron op en riep toornig:
“Moet ik hier mijn heele leven verrotten? dan doen
de levende menschen, als ze geen geld hebben. Daar heb
ik een vermaledijden haat tegen. We dienen een middel te
vinden, om geld te krijgen, al zou de duivel het me moeten
verschaffen.”
Over deze woorden ontzetten zich de drie anderen zich
even, hoe slecht van hart ze ook waren. Zij wenschten
niet, met Heintje kennis te maken, want ze wisten wel:
die Satan vertrouwt, hij verliest alles, zonder ooit winst
te maken. Des duivels goed is klatergoud. Ze zeiden dit
niet tot den baron. Ze gingen stoeiend uit de zaal en
lieten hem alleen, op de wijze der jeugd lichtzinnig, en de
gedachten van ernst en zorg weglachende.
De baron zat eenzaam in de zaal, de leege schatkist
stond naast hem. Het berouwde hem niet, dat hij ’s Duivels
naam had gezegd. Hij streek de handen langs het voor-
hoofd. Hij bedacht niet waarom, doch hij had drink-
gelagen noodig.
Wat moest hij zonder drank en rumoer beginnen? Hij
wilde vergeten. De stilte wekt de oude stemmen en de
oude gestalten weder op, totdat men van angst schreeuwt,
daar men niet weet, wat werkelijkheid en onwerkelijkheid
is. Hij gevoelde zich bang voor de rust des avonds.
Sj! een zacht-schrijdende mannegestalte gleed de zaal
binnen en ging tegenover hem zitten.
Hij droeg hoornen als een bok, en inplaats van beenen
had hij poten, inplaats van tenen hoeven……
Terwijl hij den baron aanstaarde, met oogen glinsterend
als een hongerig man, die een lekkere spijs bekijkt, bleef
hij heel stil, de pooten over elkaar geslagen, zoodat de
mensch, wanneer hij zou opzien, niet naar zijn naam en
doel behoefde te vragen. Het was hier niet noodig, zijn
stem te doen vleien. Het kwam alles uit, zooals hij het
had bevroed.
De baron hief het hoofd op, schrok even, en vroeg
Satan naar zijn verlangen. De duivel deed heel verbaasd.
“Ge hebt me toch geroepen? Daarom ben ik gekomen.
Ik ben een goed vriend van de menschen. Alleen kennen
ze me niet, en ze vertellen veel kwaads over me, hoewel
ik altijd bereid ben, een ieder, die het me vraagt, naar
mijn beste geweten te helpen!”
“Tegen welke belooning?” vroeg de baron sober.
Hij had het wel eens vernomen, dat de Duivel niets
voor niets begint, en hij wist wel, wat er volgen moest.
Satan zette zijn bokkepooten steviger op den grond,
om te verstaan te geven, dat zijn voorwaarden konden
worden aangenomen of niet, maar dar ze eigenlijk onbe-
sproken konden blijven.
“Ik weet wel, wat er aan scheelt”, zeide de Satan mede-
lijdend. Als die zich medelijdend voordoet, kan men weten,
waaraan men toe is. “Ik heb u langen tijd in het oog
gehouden en bij mezelf besloten, dat we nog wel eens
tezamen een zaakje zouden opknappen. ’t Komt eerder
dan ik heb gedacht. Arme man, kost het je zooveel moeite,
om op de been te blijven? de oude geschiedenis! Ja, ja…
Dat komt ervan, als men goed wil leven, en den duivel
niet dadelijk aanroept. Mijn voorwaarden zijn gemakkelijk,
heer baron. Zeven jaren zult gij in overdaad zwelgen,
geen zorg zal uw deel zijn. Na deze zeven jaren…..”
“Na deze zeven jaren?!”
“Ik vraag niet veel”, zeide de duivel. De spottende
klank was uit zijn stem verdwenen. “Niet meer dan uw
ziel, heer baron!”
“Niet meer dan mijn ziel? Doch ge moet weten, hoe
duivelsch uw ook is, dat ze mij eens dierbaar was…
en een ander ook, wier naam ik niet wil uitspreken. Het
is een kostbaar goed….een menschenziel….” Satan
haalde zijn schouder op.
“Ge zegt, dat uw ziel eens kostbaar is geweest? Ja eens,
heer barobn Let op dat woord: Een, eens had ge een
vrouw, en eens waren hier ’avonds geen drinkgelagen,
waarin menschen vloeken. Eens waren uw zoons reine
jongelingen. Eens had ge liever uw handen verbrand, dan
u toe te eigenen, wat u niet behoort. Eens….” de duivel
schudde het hoofd. “Dat woord hoor ik vaker: “Eens!”
“Eens was ik braaf”, krijt de jongeling, als hij in ’s Duivels
klauwen ligt. Ik houd van het woord. Het beteekent, dat
velen, die vroeger God hebben gezocht, thans door mij
bekoord zijn. De ziel, die eens goed was, heft voor mij
een dubbele bekoring. Zullen we met elkaar afspreken…
dat de schatkist, die bij u staat, steeds met geld gevuld
houd…zeven jaar lang….zal ik het ten derden male
voor u zeggen? Zeven lange jaren, waarin ge niets behoeft
te doen dan uit de kist te putten….e na de zeven jaar
is het slot van mij…..met alles, wat erin is…..”
De baron glimlachte, zou hij den duivel niet voor den
gek kunnen houden? Die scheen hem te zeker van zijn
zaak. De duivel zag ongetwijfeld den glimlach, en hij moest
zichzelf bekennen, dat menschelijke sluwheid hem dikwijls
zijn gewin had ontgrepen, doch hij had zijn zaak wel over-
dacht, en hij stoorde zich niet aan zijn spot, ja, hij haalde
zijn schouders op.
Dezen man hield hij aan zich gebonden door de touwen
van drank en geld. De Duivel gevoelde, dat er van ont-
snappen geen sprake kon zijn.
“Goed”, zoo zeide de her baron spottend, “over zeven
jaar behoort dit kasteel met alles, wat erin is!”
Iedereen kan wel begrijpen, waarom de edelman dit zoo
zeide. Dien dag over zeven jaar zou hij het slot verlaten
met allen, die erin leefden. Zijn geld en goederen zou hij
op wagens laden….verder mocht ervan komen, wat wilde.
Daarom teekende hij het schadelijkste en schandelijkste van
alle overeenkomsten met zijn bloed, en de duivel verdween.
Nog altijd stond de schatkist naast den baron. Hij bukte
zich, en gelijk in vroeger dagen woelde zijn handen in
het goud. Hij kreet van vreugde. Zijn zonen traden binnen,
en waren verwonderd, dat er nu weder zooveel geld in
huis was. Ze vroegen echter niet, hoe de vader het had
gekregen. Waarom zouden ze dit vragen? Zóóveel inge-
rechtigheid hadden ze zelf bedreven, dat ze zich niet nieuws-
gierig toonden. Nu kwamen zeven jaren van woesten overvloed, want
de duivel houdt zijn belofte, aangezien hij er steeds op
uit is, om zielen te vangen. Zoo hij zijn woord niet hield,
zou hij zijn goeden naam verliezen. Zeven jaren lang joelde
het feest in het kasteel; de baron kende gen heugenis
van den tijd, en hij was den duivel vergeten. Dit had Satan
wel gezien. Nog meer vrienden dan vroeger reden des
avonds aan, en in de stad kon men dikwijls niet slapen,
zóó schreeuwden de dronken ridders.
Weder werden de dagen geheimzinnig aaneengesloten,
zoodat ze op wolken geleken, die, elkander volgende,
onmerkbaar één geheel gaan vormen. Ze waren óók zoo
nevelig als wolken op een lichte zomerdag. Wanneer een
der menschen zou getracht hebben,om zich te herinneren:
“Wat is er toen gebeurd?” dan zou hij het niet
hebben geweten. Maar men gaf er zich geen rekenschap
van. Men liet alles maar glijden. Het leven was voor allen
een gladde vloer. Op den noodlottigen dag kwamen allen bijeen, die ooit
in het slot waren geweest.
Zij, die lang geleden den baron hadden bezocht, werden aangezet
als paarden door een knallende zweep, om naar het kasteel te gaan.
Dit kon een blij ontmoeten worden genoemd! Dienaren brachten
bekers vol met schuimend bier, en vele gasten ledigden
ze in één teug, om daarna adem te halen en te lachen.
Nooit had men zooveel lawaai in het slot gehoord. Nooit
had men zóó in vreugde genoten, een vreugde even diep-
brandend bijna als geluk. Hier kon men zich tot ver-
getelheid bedwelmen.Toch stond de baron tegen midderbacht ineens op.
Hij liep uit de zaal en schreeuwde tegen zijner knechten:
“Zadel mijn paart en zag den poortwachter, dat hij de brug neerdoet.
Ik ga rijden!”
Van alle kanten hoorde hij: “ik ga rijden! ik ga rijden!
ik ga rijden — “ Echo riep echo op, weder-echo nog eens
echo. Van de muren, uit de lucht, van de zolder, vloer en
gewelven spotte de stemmen:
“Ik ga rijden! ik ga rijden! ik ga rijden!” Hij wankelde
naar den stal. Een der paarden stond gereed.
“Waarom heb je een zwart paard gezadeld?” zoo vroeg
hij. De knecht hield de fakkel in de hand en hief ze op,
plotseling. De baron deinsde achteruit.
“Ik ken je niet”, zoo schreeuwde hij.
“Ik ga rijden — ik ga rijden — ik ga rijden!” antwoordde
de knecht. “Wie ben je?” Hij greep de man bij den arm.
“Ik heb je eerder ontmoet. Zeg me wanneer. Dadelijk.
Ik beveel het!”
“Ik ga rijden,
Ik ga rijden
Holadrio!
Ik ga rijden
Ik ga rijden
Holadrio!”
“Ik ken je”, steunde de baron. “Ik weet, waar ik je
ontmoet heb…”
“Ik kom mijn schuld inlossen!” zeide de knecht. Het
was de Duivel.Toen zonk het slot met allen, die erin schreeuwden,
naar satande diepte, zóó diep, dat het grondwater met geweld steeg,
en en gracht vormde dichtbij de waterpoort.
Indien ge in Gorinchem naar de duivelsgracht vraagt,
zal men ze u in een ommezientje wijzen, dan weet ge
tevens, hoe satan zijn prooi weet te grijpen.
Onderwerp
SINSAG 0945 - Andere Begegnungen mit dem Teufel.   
Beschrijving
In Gorinchem woonde eens een baron met drie zonen en zijn vrouw. het was een vroom gezin. op een dag stierf de vrouw. Vanaf dat moment ging het met de man sterk berg afwaarts. Hij kreeg de verkeerde vrienden, dronk veel en gaf veel geld uit. Al snel waren zijn zoons even slecht. Doordat hij zoveel geld uitgaf werd hij steeds slechter voor zijn werklieden en beroofde hij elke lang rijdende ruiter. Al
snel werkten de mensen minder, en kwamen er geen marskramers meer bij het kasteel. Op een dag bemerkte de baron dat de schatkist leeg was. dan krijgt hij bezoek van de Duivel, die beloofd hem zeven jaar een gevulde schatkist. daar tegenover staat dat over zeven jaar het slot van de baron met alles erin van de duivel zal zijn. De man stemt toe. Hij denkt dat hij de duivel wel te slim af kan zijn. Maar na zeven jaar is hij zijn deal vergeten. Op de noodlottige dag komen alle slechte vrienden, zijn zonen en vele anderen bijeen voor een groot drinkgelag. tegen middernacht staat de baron ineens op. Hij wil gaan rijden. Maar de duivel laat zijn buit niet gaan, en toen zonk het slot met iedereen erin in de aarde. Het zonk zo diep, dat het grondwater met geweld steeg en zo ontstond de Duivelsgracht.
snel werkten de mensen minder, en kwamen er geen marskramers meer bij het kasteel. Op een dag bemerkte de baron dat de schatkist leeg was. dan krijgt hij bezoek van de Duivel, die beloofd hem zeven jaar een gevulde schatkist. daar tegenover staat dat over zeven jaar het slot van de baron met alles erin van de duivel zal zijn. De man stemt toe. Hij denkt dat hij de duivel wel te slim af kan zijn. Maar na zeven jaar is hij zijn deal vergeten. Op de noodlottige dag komen alle slechte vrienden, zijn zonen en vele anderen bijeen voor een groot drinkgelag. tegen middernacht staat de baron ineens op. Hij wil gaan rijden. Maar de duivel laat zijn buit niet gaan, en toen zonk het slot met iedereen erin in de aarde. Het zonk zo diep, dat het grondwater met geweld steeg en zo ontstond de Duivelsgracht.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 207
Commentaar
1919
Andere Begegnungen mit dem Teufel.
Naam Overig in Tekst
Jood   
Christen   
Heintjes   
Satan   
waterpoort   
Naam Locatie in Tekst
Gorinchem   
Duivelsgracht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
