Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

JCOHEN41 - De stad Vijveren

Een sage (boek), 1919

Hoofdtekst

De stad Vijveren.

Waar nu het Thoorderven is uitgestrekt, lag eens
een groote stad gebouwd, Vijveren genaamd.
De bewoners waren zeer trotsch, en meenden,
dat er geen plaats ter wereld aan de hunne gelijk was.
Zij deden hun stoepen maken van louter marmer, opdat
iedere vreemdeling zou zeggen:
“Vijveren, Vijveren, ge zijt de mooiste onder uw zus-
teren.” En als ze in hu vaderland terugkeerden:
“Daar ligt bij de Maas een zeer groote stad, waarvan
alle burgers rijk zijn. Hun torens stijgen tot aan de wolken,
ja zelfs de nederigste woning daar, is hier een paleis!”
Eens kwam er een arm man in de stad, en die dacht
bij zichzelf:
“Waar zoovele rijkaards wonen, kan mij iets van den
overvloed worden gegeven!”
Hij ging huis aan huis en vroeg de aalmoes. Hij wees
op zijn kleederen, vol gaten en scheuren, op enkele
plekken uitgerafeld tot den laatsten draad. Hij toonde
zijn schoenen, die hij iederen pas klotsten, daar de
zolen los waren en nog slechts even aan het leer hielden,
zoo men althans van leer kon spreken. Hij stroopte de mouwen
van zijn jas op, en liet zijn armen kijken, die meer op lange
latten van hout geleken, dan of ze van vleesch waren gevormd.
Hij zag van den een nar den ander, barmhartigheid
zoekend als een muschje in den winter de kruimelen brood,
welke de menschen langs de heggen leggen. Doch ze
wenden zich van hem af.
En waarom wendden ze zich van hem af? Niet uit
gierigheid, want gierigheid kenden ze niet. De rijke
vreemdeling was welkom in hun huizen. Kostbare spijzen als pauwe-
tongen werden hem op gouden schalen voorgediend, en
hoe meer hij at, hoe blijder zij zich voelden. Ze lieten
zachte muziek spelen tijdens de maaltijd, en ze vroegen
er niet naar, of ze een of twee of drie beurzen tot den
rand gevuld, nar de muzikanten hadden geworpen.
Meen ook niet, dat ze geen medelijden met de armen
konden gevoelen, de inwoners van Vijveren.
Zoo er een bedelaar tot hen gekomen ware, eenvoudig
van kleederen, en niet stinkend in zijn ellende, ze hadden
hem gaarne gegeven en gevoed. Ze konden echter ver-
geleken worden met honden, die grommen, als ze een
zwerver zien, in lompen gehuld. Den stank der armoe kon-
den zij niet verdragen, wegens hun hoovaardigheid.
Ze meenden, dat ze zooveel beter waren dan de anderen.
In hun stad mocht niets vertoeven, dat onaangenaam was
voor reuk en gezicht. Ze waren verontwaardigd over de lucht
der armoede.

Daarom verjoeg men den man uit de stad, en hij doolde
op het veld, vloekend Vijveren met zijn menschen en
stoepen van marmer. Doch zij, die in paleizen wonen,
voelen zich zeker.
De hoovaardij heerschte in de huizen als een besmet-
telijke ziekte. De een wilde, dat zijn naam vaker werd
genoemd dan die van een ander, en om dit te bereiken,
bedacht men vele listen.
Eens bezocht een machtig vorst de stad. Tegen hem
deed men wel heel anders dan tegen den bedelaar. Iedereen
drong op, o hem te begroeten. De muziek en de dans
eindigden in Vijveren niet. Een ieder hoopte, dat de vorst
even naar hem, naar hem alleen zou zien, opdat hij later
kon zeggen:
“Hebt ge niet opgemerkt, dat de vorst geen oogen
had voor de overigen?” Zóó hoovaardig was ieder hunner.
Gezamenlijk echter voelden ze angst, dat de koning hun
stad niet mooi zou vinden. Ze kon zeker de heerlijkste
der wereld worden genoemd. Sommigen vroegen het de
lakeien en dienaren, die den stoet vergezelden.
“Heb ge niet gehoord, wat de vorst van onze stad
heeft gezegd?” Ze haalden hun schouders op, maar eindelijk
werden sommige zoo sluw, om te vertellen, dat de koning
Vijveren zeer had geprezen. Hij was — zoo verhaalde
men — overal ter wereld geweest, hij had Baalbec gezien
en Damascus, Athene en Rome, Lissabon en Parijs. Ver-
scheidene malen zou hij tot zijn hofhouding hebben gezegd:
“Zoo waar ik leef, met Vijferen kan niets wedijveren,
wat mij oogen ooit aanschouwden!”
Zoodra de burgers dit hoorden, werden ze zoo dronken
als hadden ze bekers brandewijn en Bourgonje achter
elkaar, achter elkaar geledigd, en de hoovaardij steeg hen
naar ’t hoofd. Ze lieten niet na, om de lakeien en de knechten
te tracteeren, zoodat deze laatste bij zichzelf peinsden:
“hoe meer we die snuiters wijsmaken, dat hun stad door
geen enkele wordt overtroffen, hoe meer Amersfoortsch
en Zwolsch bier wij door onze keelgaten kunnen jagen.”
O, wat waren die lakeien en knechten slim. Van den vroegen
ochtend tot den laten avond prezen zij de stad, de stoepen,
de huizen, de kamers, de mannen, de vrouwen in Vijveren,
ja, de lucht en de wolken, die er boven waren, de zon en
de maan, die in de straten scheen, de schaduwen in de
tuinen, het bier, dat men er brouwde, den wijn, dien men
er schonk. Ze prezen het bestuur en de opgewektheid van
een ieder. Ze prezen, prezen, prezen zich het verhemelte
droog, en wachtten dan op het geld voor een doelmatige
besproeiing.


Kortom, ze verzadigden de holle geesten en
zielen met vleierij, gelijk de buiken van altijd-hongerige
menschen met welriekend gebraad verzadigd worden.
En toen zij heengingen, piekerden zij er niet over, in welken
toestand zij de burgers achterlieten, neen, ze knipoogden
eens en lachten tegen elkaar:
“Prettige dagen gehad! Morgen weer wat nieuws!”
De ijdelheid der Vijvernaren was nog veel grooter
geworden. Zij bespotten den vreemdeling, die zijn eigen
stad prees. “Hahahaha! ge wilt met ons dollen! Ge denkt
misschien, dat we niet weten, hoe onze stad andere
de baas is? Keizers en koningen komen het liefst bij ons!”
Aldus pratten ze, doch er waren er velen, die hen
waarschuwden:
“wees voorzichtig. Hoogvaardij voert ten val!” Maar
zij antwoordden lachend:
“Ons kan niemand ten val brengen, God noch Duivel!”
“Heb over deze woorden berouw. Ze zullen u ten
verderve voeren……”
“Ten verderve…..de stad Vijveren. Daar zijn we
zelf ook nog bij. God noch Duivel!”
Ze zagen de prachtige huizen, ze liepen trotsch in hun
mooie kleeren, en ze roken aan hun welriekende handen.
Ze spotten met elkander over ’t noodlot gelijk over een grap-
pige geschiedenis, die nooit gebeuren kan. Aan alle kanten
stond ze te lachen, de handen op de welgevulde buiken.
Een nacht, dat alle sterren aan den hemel stonden, een
lichten nacht, waarin men meent, dat alles in vrede zal
leven, vezonk de stad Vijveren in de diepte, wegens de
hoogvaardigheid der menschen. Niets bleef ervan over,
noch van de huizen met hun marmeren stoepen, noch van
al de deftige menschen.
Zij, die deze plek bezochten, wreven zich de oogen uit
en vroegen verwonderd:
“Is dit het gebied van het roemrijke Vijveren?”
Ze lag verzonken zonder dat ooit een geluid naar boven
drong, wat zoo dikwijls met vervloekte steden geschiedt.
De burgers van Thorn, van Kessenich, van Ittervoort en
Sranprooi wisten tenslotte alleen nog maar van de stad
Vijveren, die den bedelaar had gehoond en den vorst had
ontvangen. Ze werden bang om de stilte van het ven. Ze
durfden niet te spreken en niet te zwijgen, als zij erlangs
gingen. Ze wezen hun kinderen de verlatenheid, en
dezen spraken er weder met hunne kinderen over, tot
in dit geslacht.
Eens, lange jaren na de vernietiging, was een varken
op dezen grond aan het wroeten. Wat woelde het boven?
Een der kerkklokken van de rijke stad.
De lieden van Thorn hoorden dit het eerst. Ze reden
naar de plaats, waar de klok nederlag.
Ze sprongen op den grond, en trachtten de klok te bewegen.
Maar ze was voor hen te zwaar.
De burgers van Kessenich lieten geen geruimen tijd
op zich wachten. Zij ook spanden sterke paarden voor
hun wagen, en de stoerste knapen deden ze gaan, zeggend:
“Breng ons de klok mede!” Hoe echter de jongens
ook torsten en trokken, voor hen bleef ze even onvermurwbaar
als voor de Thorners. Deze zeiden:
“Zie! ginder komen de Ittervoorters reeds aan. Hun
zal het misschien beter gaan!”
Waar zij niet in slaagden, dat konden de Ittervoorters
ook niet bereiken. Ze duwden en sjorden, zette de schouders
onder het zware gietwerk, riepen: “huup! huup!”
zonder dat ze iets konden verwrikken. Ze begonnen daarom
te lachen, toen de Stamprooiers naderden. Wat Thorn,
Kessenich, Ittervoort mislukte, kon Stamprooi niet
gelukken. De mannen van Stamprooi liepen doodbedaard
naar de klok toe, die in hun handen werd, wat speelgoed is voor
een kind. Ze tilden ze in een ommezientje op, ze laadden
ze op de kar.
Ze zetten hun paard niet aan. Rustig reen ze naar Stamprooi,
gevolgd door hun verbaasde buren.
Nauwelijks waren ze de grens van hun dorp genaderd,
of de klok, welke op hun wagen lag, begon te luiden, en
daaruit is te zien, dat ze hun toebehoorde. Ze riep met
luide stem tot alle dorpelingen:
“Hier — ben — ik — thuis — Hier — ben — ik —
thuis—!”

Onderwerp

SINSAG 1145 - Die untergegangene Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner.    SINSAG 1145 - Die untergegangene Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner.   

Beschrijving

Bewoners van een stad zijn zo trots op hun rijkdom dat ze geen armoede kunnen verdragen, en gaan zover dat ze menen dat God noch Duivel de stad ten val kan brengen. Op een nacht verzinkt de stad in de diepte. De klokken die later worden gevonden liggen muurvast. Het lukt alleen de mannen van Stamprooi om de klokken mee te nemen.

Bron

J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 227-231

Commentaar

1919
Die untergegangene Stadt; versinkt wegen des Übermutes der Bewohner.

Naam Overig in Tekst

Thoordenven    Thoordenven   

Vijveren    Vijveren   

Baälbec    Baälbec   

God    God   

Duivel    Duivel   

Naam Locatie in Tekst

Maas    Maas   

Damascus    Damascus   

Athene    Athene   

Rome    Rome   

Lissabon    Lissabon   

Parijs    Parijs   

Amersfoort    Amersfoort   

Zwolle    Zwolle   

Thorn    Thorn   

Kessenich    Kessenich   

Ittervoort    Ittervoort   

Stamprooi    Stamprooi   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20