Hoofdtekst
God’s weer, goed weer.
Een keurig mannetje, hoewel hij niet getrouwd was.
Nooit brandde hem ’t eten aan. Als hij in een winkel
van Venloo kocht, behoefde hij heelemaal niet
dadelijk te betalen, want men kende hem al. Men begreep
wel, dat hij soliede was.
Ge weet het, dat ge, als je zoo’n keurig mannetje
ontmoet, dadelijk over het weer begint te praten. Ge zegt:
“Mooi weer”, “Slecht weer”, “Groeizaam weer”, “ Bij
dit weer schiet ’t gewas ook niet op”, “Hondeweer”, “Als
’t weer maar zoo blijft”, “ ’t Weer zal veranderen, denk
ik!” “Bij dit weer zie je het groeien!” “Vorig jaar was
’t weer heel anders”, “ ’t Weer ziet uit naar regen!”
Zóó’n mannetje was het, dat iedereen met hem over ’t weer
praatte. Voor sommige menschen is dit een noodlot. Ze
koesteren zich op een bank in het zonnetje, ze knippen
zoo’n beetje met de oogen, en dan zet zich plotseling
iemand naast hem, die zegt:
“In dit weertje kun je ’t ook wel uithouden!” Van den
vroegen ochtend tot den laten avond praat iedereen met
hen over ’t weer. Men moet er zich over verwonderen,
dat zij er zich nooit zenuwachtig bij voelen.
Het keurig mannetje had op al deze uitroepen één
stee-vast antwoord.
“God’s weer — goed weer!” Het was een vroom mannetje,
en iedereen in en bij Venloo wist, dat hij dit altijd zeide.
Eindelijk ging hij sterven, en het zonnetje scheen hem
in de kamer. Het licht kleurde zijn grijze baardje op ver-
schillende plaatsen blond, zoodat hij er na zijn dood
veel jonger uitzag dan vroeger. Hij was ook eigenlijk zijn
gansche leven jong geweest — en dat het zonlicht hem
deze belooning schonk, kan zeker rechtvaardig worden
genoemd. Hij moest begraven worden. Wat een weer!
Wat een weer! De hagel ketste met hamerslagen op den grond.
Het was bijna onmogelijk de lijkkist te houden, die heen
en weer zwelkte als een roer-looze schuit bij storm. De
dragers zetten ze even neer, rustten, keken elkaar aan
en zeiden:
“Wat een noodweer!” Toen met zijn gewoone, keurige
stem zei de doode in de kist:
“God’s weer — goed weer!” Men wilde wegloopen
van angst. Gelukkig bedacht men, welk een net man
’t kereltje altijd was geweest. Na zijn dood zou hij niemand
een poets bakken. Men opende de kist. Het keurig mannetje lag er gerust
in zijn laatste slaapje, de bakkebaardjes naar den aard
opgekamd, en zóó fatsoenlijk, dat men niet bang behoefde te wezen.
Een keurig mannetje, hoewel hij niet getrouwd was.
Nooit brandde hem ’t eten aan. Als hij in een winkel
van Venloo kocht, behoefde hij heelemaal niet
dadelijk te betalen, want men kende hem al. Men begreep
wel, dat hij soliede was.
Ge weet het, dat ge, als je zoo’n keurig mannetje
ontmoet, dadelijk over het weer begint te praten. Ge zegt:
“Mooi weer”, “Slecht weer”, “Groeizaam weer”, “ Bij
dit weer schiet ’t gewas ook niet op”, “Hondeweer”, “Als
’t weer maar zoo blijft”, “ ’t Weer zal veranderen, denk
ik!” “Bij dit weer zie je het groeien!” “Vorig jaar was
’t weer heel anders”, “ ’t Weer ziet uit naar regen!”
Zóó’n mannetje was het, dat iedereen met hem over ’t weer
praatte. Voor sommige menschen is dit een noodlot. Ze
koesteren zich op een bank in het zonnetje, ze knippen
zoo’n beetje met de oogen, en dan zet zich plotseling
iemand naast hem, die zegt:
“In dit weertje kun je ’t ook wel uithouden!” Van den
vroegen ochtend tot den laten avond praat iedereen met
hen over ’t weer. Men moet er zich over verwonderen,
dat zij er zich nooit zenuwachtig bij voelen.
Het keurig mannetje had op al deze uitroepen één
stee-vast antwoord.
“God’s weer — goed weer!” Het was een vroom mannetje,
en iedereen in en bij Venloo wist, dat hij dit altijd zeide.
Eindelijk ging hij sterven, en het zonnetje scheen hem
in de kamer. Het licht kleurde zijn grijze baardje op ver-
schillende plaatsen blond, zoodat hij er na zijn dood
veel jonger uitzag dan vroeger. Hij was ook eigenlijk zijn
gansche leven jong geweest — en dat het zonlicht hem
deze belooning schonk, kan zeker rechtvaardig worden
genoemd. Hij moest begraven worden. Wat een weer!
Wat een weer! De hagel ketste met hamerslagen op den grond.
Het was bijna onmogelijk de lijkkist te houden, die heen
en weer zwelkte als een roer-looze schuit bij storm. De
dragers zetten ze even neer, rustten, keken elkaar aan
en zeiden:
“Wat een noodweer!” Toen met zijn gewoone, keurige
stem zei de doode in de kist:
“God’s weer — goed weer!” Men wilde wegloopen
van angst. Gelukkig bedacht men, welk een net man
’t kereltje altijd was geweest. Na zijn dood zou hij niemand
een poets bakken. Men opende de kist. Het keurig mannetje lag er gerust
in zijn laatste slaapje, de bakkebaardjes naar den aard
opgekamd, en zóó fatsoenlijk, dat men niet bang behoefde te wezen.
Beschrijving
Het antwoord van een vrome, keurige man waarmee altijd over het weer wordt gesproken is altijd dat het God's weer - goed weer is. Bij zijn begrafenis zeggen de dragers dat het noodweer is, waarna uit de kist klinkt God's weer - goed weer. De opkomende angst wordt gesust door te bedenken hoe keurig de man altijd is geweest.
Bron
J.Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p 232
Commentaar
1919
Naam Overig in Tekst
God   
Naam Locatie in Tekst
Venlo   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
