Hoofdtekst
Waarom de beer vleesch eet.
Langen tijd geleden waren er geen betere vrienden op de wereld dan de beer en de mensch. Zij werkten tezaam, en deelden precies, wat zij getwee hadden
voortgebracht, ook daar de arbeid van den een niet meer was dan van den ander. En misschien zouden zij nog gezworen kameraden zijn, indien de mensch niet zoo sluw was geweest. Slimheid levert soms heel wat anders op
dan men verwacht.
Op een goeden dag hadden zij koren gezaaid. de mensch keek eens heel tevreden om zich heen en zei:
"Lieve vriend bruin! hoe moeten we dat nu eerlijk verdeelen? Dat is veel te moeilijk. Weet je wat, neem jij de onderste helft, dan krijg ik de bovenste. wat zeg je daarvan?"
"Mij goed!" bromde beer. “Dan kunnen we ook geen ruzie krijgen!"
Maar toen men in den nazomer het koren oogstte, wat viel het den beer tegen. De mensch kreeg de zware aren, en de beer mocht aan de halmen knabbelen, den heelen winter. En hij kreeg een vreeselijke honger, maar de
mensch riep hem toe: "wees toch tevreden, je hebt er zelf in toegestemd, en alles is in twee parten gegaan!"
"Beter oppassen in 't voorjaar!" dacht Bruin. Toen nu de liefelijke lente aan de deur van den boozen winter klopte, en vroeg, om binnengelaten te worden, zei de mensch, die dat zag.
"wWt zal er dit jaar gebeuren met de deeling!"
"Nu, dat is eerlijk", antwoordde zijn vriend, " jij hebt 't vorige jaar 't boven- en ik 't onderdeel gekregen. Nu wil ik ditmaal 't bovenste part hebben, dan krijg jij
't onderste!"
"Goed", glimlachte de mensch. De beer lette er niet op, dat er deze keer geen koren, doch rapen werden gezaaid. Hij zei alleen na een poosje, zich verkneuterend om de heerlijkheid, die hem wachtte:
" 't Komt mooi op!" Maar wat een leelijk gezicht zette hij, toen het op verdeelen aankwam, want dit keer bestond de bovenste helft uit waardeloos loof en de onderste uit lekkere knollen.
'Ik zeg maar: 't ga je bijzonder!" bromde de beer, en hij spoedde zich naar de wouden. "Met jou slecht mensch wil ik nooit meer iets te maken hebben."
Sindsdien kauwt Bruintje geen planten meer — je weet niet, welk deel je moet kiezen — maar hij is begonnen met vleesch te eten.
Langen tijd geleden waren er geen betere vrienden op de wereld dan de beer en de mensch. Zij werkten tezaam, en deelden precies, wat zij getwee hadden
voortgebracht, ook daar de arbeid van den een niet meer was dan van den ander. En misschien zouden zij nog gezworen kameraden zijn, indien de mensch niet zoo sluw was geweest. Slimheid levert soms heel wat anders op
dan men verwacht.
Op een goeden dag hadden zij koren gezaaid. de mensch keek eens heel tevreden om zich heen en zei:
"Lieve vriend bruin! hoe moeten we dat nu eerlijk verdeelen? Dat is veel te moeilijk. Weet je wat, neem jij de onderste helft, dan krijg ik de bovenste. wat zeg je daarvan?"
"Mij goed!" bromde beer. “Dan kunnen we ook geen ruzie krijgen!"
Maar toen men in den nazomer het koren oogstte, wat viel het den beer tegen. De mensch kreeg de zware aren, en de beer mocht aan de halmen knabbelen, den heelen winter. En hij kreeg een vreeselijke honger, maar de
mensch riep hem toe: "wees toch tevreden, je hebt er zelf in toegestemd, en alles is in twee parten gegaan!"
"Beter oppassen in 't voorjaar!" dacht Bruin. Toen nu de liefelijke lente aan de deur van den boozen winter klopte, en vroeg, om binnengelaten te worden, zei de mensch, die dat zag.
"wWt zal er dit jaar gebeuren met de deeling!"
"Nu, dat is eerlijk", antwoordde zijn vriend, " jij hebt 't vorige jaar 't boven- en ik 't onderdeel gekregen. Nu wil ik ditmaal 't bovenste part hebben, dan krijg jij
't onderste!"
"Goed", glimlachte de mensch. De beer lette er niet op, dat er deze keer geen koren, doch rapen werden gezaaid. Hij zei alleen na een poosje, zich verkneuterend om de heerlijkheid, die hem wachtte:
" 't Komt mooi op!" Maar wat een leelijk gezicht zette hij, toen het op verdeelen aankwam, want dit keer bestond de bovenste helft uit waardeloos loof en de onderste uit lekkere knollen.
'Ik zeg maar: 't ga je bijzonder!" bromde de beer, en hij spoedde zich naar de wouden. "Met jou slecht mensch wil ik nooit meer iets te maken hebben."
Sindsdien kauwt Bruintje geen planten meer — je weet niet, welk deel je moet kiezen — maar hij is begonnen met vleesch te eten.
Beschrijving
Hoe de beer door de sluwheid van de mens van planteneter vleeseter werd.
Bron
J. Cohen. Nederlandsche Sagen en Legenden II. Zutphen, 1919. p. 309-310
Commentaar
1919
Naam Locatie in Tekst
Bruin   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
