Hoofdtekst
Eens was er een Dokkumer in den middag aan 't wandelen, zijn hondje aan een ketting, en zijn gedachten zoo vredelievend als een slaperige duif, toen hij eensklaps langs de straat ziende, terugschrok, of daar een brilsiang lag, die zich op hem wilde werpen. ,,Wee! wee! duizendmaal wee!' riep hij, ,,mannen, weerbaar en niet weerbaar, komt uit uw woningen met musket en speer, met dolk en sabel en bijl en slagersmes, met zeis en met hooivork, daar zie ik voor mijn oogen een vreeselijk monster, dat wel voorbestemd schijnt onze stad, de draagster der wijsheid te verslinden. Wat mart gij! Straks kruipt en slingert het zich in uw woningen, en klauwt het uw kinderen, teneinde zich eerst aan het malsche vleesch te goed te doen; daarna zijn onmiddellijk de maagden en de jongelingen aan de beurt; nauwelijks zijn deze in zijn monsterlijke maag verteerd, of reeds spieden zijn oogen naar den buit der gehuwde paren,jonge en oude, om ten slotte over te gaan tot al, wat nog ongerept is gebleven." Toen treuzelden de Dokkumers niet meer. Ze stormden buiten hun huizen, en gingen naast hun jammerenden stadgenoot staan. Het vreeselijk beeld van het ondier, dat zich, o schrik! niet bewoog, deed hen terugleven in hun allerbenauwdsten droom, en hun handen werden koud van den angst. Het was niet de grootte van het dier, welke de bewoners van het rustige stadje zoozeer verschrikte. Ware het forschgebouwd geweest, geen mes en bijl hadden geaarzeld, om hun doodelijke parabool door de lucht te beschrijven. Niemand heeft ooit getwijfeld aan den Dokkumschen moed! Maar dat het zoo onaantastbaar in zijn kleinheid was, en zoo vleeschkleurig, en zoo hard basterig en zoo rafelig, en zoo onverschillig in zijn houding, als klonk er geen rumoer, deed de vingers aarzelen. Men durfde niet te naderen binnen den tooverachtigen kring, dien de menschen zelf hadden gevormd. Keek het monster, of leefde het in zichzelf, bespiegelend? ,,Zoo kunnen wij niet bestaan", mompelde een Dokkumer. ,,Het beste is, dat de Raad beslist, wat we met bet ondier moet aanvangen. Wie onzer durft het op te rapen, en het naar het stadhuis te dragen, om het de vroedschap te toonen?" Een smid trad naar voren, en hij ontblootte zijn armen, die hij eerst gestrekt hield, om ze daarna langzaam te krommen de grimmige vuisten gebald tot de knokel van zijn duim tgen zijn schouder rustte. Een paar straatjongens knepen hem in de spieren van den bovenarm, en ze riepen " au". De meisjes bezagen den Dokkumschen Hercules met welgevallen, en de mannen met vertrouwen. Toen boog zich de smid, en in een katachtigen sprong hield hij 't kleine, vreeswekkende, ondierlijke dier tusschen zijn vingers. Nauw had hij het beet, of hij rende naar de Zijl, tot het raadhuis. Met het gebaar van Jan Willem Friso: "wie mij liefheeft, volge mij", noodigde hij de menigte, zich bij hem te gezellen, en eensklaps drong de gansche massa volks, de smid voorop, de raadzaal binnen, zoodat de Dokkumsche edelachtbaren aan een plotselingen opstand dachten. ,,Wat is dat, goede menschen?" stotterde de burgemeester, en hij zette zijn bril op, hetgeen hij altijd deed bij een bijzonder gevaar. Had hij dit maar niet gedaan! Want daardoor zag hij onmiddellijk 't monster, dat de smid in zijn van kracht bevende handen hield. De burgemeester zonk in zijn stoel terug, en dit voorbeeld werd door alle raadsleden gevolgd. "Wat heb je daar, smid?" huiverde eindelijk de burgemeester. ,Als de tijd van de draken niet voorbij was, zou ik meenen, dat dit er een genoemd mag worden, aithans het jong van een basilicus. Wie zal zeggen, of het geen voorteeken is van naderend gevaar voor onze goede en vroede stad?! Waar hebt ge dit gevonden?"
,,Op straat!"
,,Op straat, en in welke straat?"
,,In de Hoogstraat, burgemeester!"
,,Wel, wel, in de Hoogstraat! En wie kan verklaren, hoe 't in de Hoogstraat komt? Is het uit de lucht gedaald of uit den grond gekropen?"
,,'t Lijkt wel een engerling!"
,,Is dit 't seizoen voor engerlingen en heb je ooit een engerling gezien met een hoornachtige huid en een gesnorden kop. 't Lijkt me bijna een grenadier in 't klein! Hoe we hem aan banden moeten houden, zullen wij dienen te beslissen!"
Weder vergaderde de Dokkumsche Raad, en ademloos luisterden allen naar de debatten. Het werd avond, en men deed de kaarsen ontlichten. De vrouw van het oudste raadslid liet weten, dat de andijvie reeds was aangebrand, maar het Dokkumsch heil was dezen dierbaarder dan het stillen van zijn honger. De nacht schoof zijn diepen schaduw langs den vaag rossigen glans, bewogen wuivende, der kaarsen. Nog waren aller hoofden, te zwaar van gedachten, gebogen. In een bord op de groene tafel lag onbeweeglijk 't teeder roze, booze beest, doch een ieder was overtuigd, dat het luisterde, een grimmelach verborgen in zijn peillooze ziel. Toen met een hamerslag viel het algemeen goedgekeurde besluit der vroedschap.
Men zou bet ondier aan een vuistdikken ketting in het Diep binden, waar bet wel bewaard tot vermaak van kinderen en vrouwen vrijelijk kon rondzwemmen, en men deed aldus. Door de zwaarte des ijzers echter zonk het, en indien het Diep niet zoo belder geweest ware, zou niemand het roze beestje, dat veler gemoederen in beweging had gebracht, meer hebben gezien. Het zwom niet, het bleef als het was. De Dokkumers echter liepen luchtig over de Zijl, keken in de winkels van de Hoogstraat, en de Korfmakersstraat, en waren trotsch op bun stad; des Zondags bewandelden ze den Stroobosscheweg zóó onbezorgd, als hadde ernooit een verfoeielijk monster bestaan... Allen waren blijde met hun burgemeester. Eens kwam er een vreemdeling in het oude stadje, die alle bezienswaardigheden met kennersblik bezag, de Bonifaciusput, bet Raadhuis, en eindelijk toonde men hem den zwaren ketting in bet Diep. De vreemdeling boog zich voorover,en zonder afgrijzen bekeek hij 't rose monster, dat men met list had bedwongen.
,,Wat is dat?" vroeg hij.
,,Dat is 't ondier, dat de smid heeft gevangen en dat de vroedschap dezer stede aan een kettingheeftgelegd."
,,Een ondier?! Maar menschen .... 't is een garnaal!"
Toen vertelde hij de samengestroomde Dokkumers mitsgaders den burgemeester uit, dat een garnaal een ganschelijk onschuldig, kreeftachtig beestje is, en dat "zoo dom als een garnaal" beteekent olie olie oliedom. Zoodra hij 't plaatsje had verlaten, vertelde hIj de historie aan alle Friezen, die sinds Dien spreken van de "Dokkumer garnalen."
Onderwerp
TM 2602 - Spotnaam voor naburig dorp (stad) of hun inwoners   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Bonifacousput   
Zijl   
Jan Willem Friso   
Naam Locatie in Tekst
Dokkum   
Hoogestraat   
Diep   
Hoogstraat   
Korfmakersstraat   
Stroobosschweg   
