Hoofdtekst
Er woonde in een zekere stad een goudsmid, die er een mooie methode op nahield, om zijn klanten te lokken. Wanneer iemand bij hem binnentrad, die hem iets van waarde aanbood, liet de juwelier den man in een prachtigekamer, deed hem kostbare Spijzen opdienen, en sprak daarna eerst over den prijs; gelijk een huisvrouw, die begint den biefstuk murw te kioppen, alvorens hem in de boter te bakken. Deze methode, die de gasten des goudmids duur te staan kwam, paste hij met succes sinds jaar en dag toe. Eens trad Hans Hannekemaaier bij hem den winkel in, en zijn magere hand strekte hij naar den goudsmid uit.
,,Wat keeft oe voor eenen kattekop van kold?" vroeg hij.
,,Een kattekop van goud?" zei de koopman sluw en hij watertandde als bij de gedachte aan een lekkere spijs... ,Dat kan ik zóó niet zeggen. Komt u binnen, mijnheer, dan kunnen we er later over praten." Nauwelijks was Hans in de kamer, of al wat schort en rok droeg in dat huis, ontstak het hout, legde de turf, rinkelde met de ketels, sneed vet en boter, haalde den visch, het kalfsvleesch, het gevogelte ult de provisiekamer, roerde de sausen, schilde de aardappelen, en in minder dan een ommezientje braadde en siste en ziedde en sput¬terde en dampte al het kostelijk eten. De rook drong door in de kamer, waar gast en gastheer tezamen zaten, en de laatste zag tot zijn genoegen, hoe de oogen van zijn slachtoffer waterden. ,,Komt het nu snel?" vroeg de arme Hans.
,,Dadelijk dadelijk wacht maar even. Een kattekop van goud, zei je?!"
,,Main maak doet van de hoep hoep hoep ien main laif en als 't niet snel komt, loop iek wek, van de pain, die mi de blaidsjap keeft. Meester! meester! laat zij voortmaken." ",En de oogen van den kattekop... zijn ze van diamanten?"
,,Iek roik main laifsjpaize: kebraden kalfsvlaisch. Laat zi tok de deuren sloiten! Op die waise moet iek adieu zekken. 0, mien koeie, beste man, 't duurt mi veel telang."
,,En de tanden zijn zeker van ivoor!"
,,0, mien koeie, beste man. Wat roik ik daar. Kebradene kans. Dat ies al zoovele jaren, dat ik keene kebradene kans keketen heb. Wat een vroigde! Wat een verdriet!"
De deur ging open, en statig droeg een jong, pittig dienstmeisje een terrine binnen, zoo opgetogen of ze er zelf iets van kreeg. De vrouw van den goudsmid dekte onderwijl de tafel, en daarna lepelde ze hem met eigen hand de soep in zijn bord. De goede Hans viel erop aan, en in enkele minuten had hij 't bord tot den bodem geledigd. Hij likte den rand nog met zijn tong af, zoodat het er als fonkelnieuw uit zag. ,,Nog meer?" vroeg mevrouw. Hij knikte slechts. Welk een vraag! Of hij ten tweeden male soep wilde hebben? Misschien zou hij bij den twaalfden rnaal zwijgen. 0, wat at me die arme Hans een soep. Daarna kwam een forel, gedompeld in de botersaus, als een steen in diep water: men zag van den visch niets dan misschien een stuk van den kop. Alleen de graat en een stukje staartvin bleven ervan over.
Vervolgens werd een stuk kalfsvleesch opgedragen, zoo teeder even bruin gebraden, dat het witte vlies erboven nog niet den weerschijn der kleur vertoonde, en toen de gastheer het sneed, leek bet Hans, of de melk daaruit vloeide, zóó wit was bet. Daarnaast stelde het aardige dienstmeisje een schotel vol van de sappigste, geurigste, kleinste doperwten, die hij ooit had gezien; en dáárnaast de droogste, kruimigste aardappelen, die op Zeeuwschen bodem zijn gegroeid en die door Nederlandsche kook¬kunst tot dezen volmaaksten vorm zijn geschapen. Al het eten was superlatief! De goudsmid had een goede huisvrouw uitgekozen! En de gans?! Een dichtstuk van een gans, omringd door een compote van vleezige abrikozen en perziken, kersen en frambozen, in eigen huis ingemaakt. Hans kloof het vleesch van de beentjes, waaruit hij het laatste merg zoog. Hart en rnaag slokte hij ineens naar binnen. Toen weder vroeg de goudsmid, onder den indruk van Hans' eetlust. "En de kattekop van goud?" Hans wuifdemet zijn hand, als wilde hij vliegen verjagen. "Daar zullen wi sjtraks over sjpreken!" "Zeg me eerst . . . over den kop is zeker een snoer van paarlen ?" "Ies daar nicks meer te eten?" "Ojawel... ojawel... breng de taart binnen, vrouw!" Heel de wereld was in deze taart verzameld. Oost Indië door zijn suiker, Friesland door zijn meel, Noord Holland door zijn boter, Gelderland door zijn eieren, Amerika door zijn vruchten. En deze taart was gebakken met de schuchterheid en de overgave eener eerste liefde, zulk een kunststuk!
Kristallen schalen met appel en perzik en druif en meloen schoof men voor Hans, die daaropvolgend zijn lippen mocht zetten aan een kopje Mokka koffie, sterk en geurig.
Ten laatste kreeg hij een glaasje likeur, waarover hij bijzonder lang deed. Zijn buik was gezwollen als een ballon, dien men met lucht heeft gevuld. Hij knipte welbehagelijk met zijn oogen. ,,En nu de kattekop? !" riep de goudsmid uit. "Die kattekop?" vroeg Hans verwonderd.
"Ja natuurlijk, de kattekop !"
"Iek heb keenen kattekop !"
"Maar wat heb je dan gezegd?"
"Iek heb alleen kevraagd: wat keeft oe voor eenen kattekop van kold", zei Hans, en hij zette zijn domste gezicht. "Wel bedankt voor dat eten, mainheer. lek zeg maar adieu".
Onderwerp
AT 1546 - The Lump of Gold   
ATU 1546 - The Lump of Gold.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Hannekemaaier   
poep   
Hans Hannekemaaier   
Zeeuws   
Nederlands   
Naam Locatie in Tekst
Oost-Indië   
Friesland   
Noord-Holland   
Gelderland   
Amerika   
