Hoofdtekst
Den dag, dat Hans Hannekemaaier in Amsterdam aankwam, was het volle zomer, en toen Hans de vele mooie dames en heeren zag, wreef hij zich de oogen uit. Want bet leek hem wel een droom, al die rijtuigen en al die jachten, en de vrouwen in zijde en satijn, en de mannen in fluweel en kant, met hun vuistdikke, gouden kettingen op den buik, en hij hoorde de beurzen van het geld rinkelen. Zelfs de armste, verloopenste kerel leek nog rijk tegen Hans, zoodat hij zeer treurig werd. Zou hij bier wel ooit een herberg kunnen vinden, waar men hem wilde opnemen?
Alleen voor hem, die met rijksdaalders tooveren kon, stonden de hotels, die eruit zagen als gouden paleizen met zilveren deuren, open. Voor de waarden, die op de breede stoepen tegen hun gasten bogen, vreesde Hans het meest. Ze zagen er allemaal zoo dik en vetgemest als kapoenen uit. Hun neuzen waren zoo rood, en hun oogen waren weggezonken achter de opgezette wangen, zooals men ditbij lekkerbekken veel ziet. Ze vormden de levende reclames voor hun zaak, zooals ze daar op hun stoepen stonden te buigen, terwiji hun hoofden zich niet over hun buiken heen konden neigen. Voor menschen als Hans Hannekemaaier hadden ze niet den minsten glimlach over. "Iek weet, wat iek doe", dat Hans, "wenn 't abend iest, ka iek naar boiten en viend daar we! een hooiberk, waar iek rusten kan, en dan kom iek niemer ien deze stad teruk." Hij keek de winkels eens in, hij liep langs straten en markten, en daar hoorde hij van alle kanten: "Hollandsche wafelen! Poffertjes! Tulband! Kijk de boter druipt eraf!" Of wel: ,,Oblieën. Versche oblieën! Warme saucijzebroodjes. Belieft uw edeiheid paling?" Hij zag in de goudsmidswinkels, daar lagen diamanten en paarlen, smaragden en amethysten, turkooizen en topazen, opalen en robijnen, en daar kwam een flikkering en flonkering uit, dat de schijn van bet zoinerzonnelicht er vaal bij leek. Gouden kettingen en bekers en armbanden en halssnoeren waren op een hoop gesmeten, als katvisch op de vischmarkt. En de dames en heeren traden den winkel binnen, en ze kwamen er wer uit, terwiji de goud¬smid eerbiedig neeg, en hij al weder nieuwe klanten doorliet. Heel Amsterdam leek wel goud en zilver en kostbaar kantwerk, en voor een pooveren Hannekemaaier, stinkend van armoede, bleef er geen plaatsje over. Arme, arme kerel! Hij wandelde de Kalverstraat nog eens door want daar wilde hij later in zijn Heimat over vertellen toen hij plots door de menigte op een stoep werd geduwd. Een zilveren koets, getrokken door vier Arabische hengsten met gouden tuig en gouden bellen en met diamanten ingezette leidsels, reed de bewonderende menschen statig voorbij. Hans dacht aan de sprookjes, die hem petemoei had verteld. Daarin zaten feeën of koninginnen in karossen, en iedereen was gelukkig, die haar zag ja zelfs reeds, als men over haar hoorde spreken. Hij wuifde met de anderen mede. Eensklaps hield het rijtuig met een ruk stil. Op straat tripte een jonge dame in een rijcostuum van terra cotta laken, waarboven een nil groene kanten jabot uitbolde, die nauw aan den hals sloot, niet zóó nauw echter, of er was nog plaats voor een collier van schitterende paarlen. Haar bruine rechterhandschoen omknelde een klein stokje met zilveren knop; de ceintuur om haar middel was rood en van voren met een kostbaren gesp gesloten. Haar krullen, eveneens terra cotta van kleur, zwierdansten schijnbaar zonder contrôle doch wel terdege was iedere ligging op effect berekend over het terra cotta costuum en de nil-groene jabot. De rok was door baleinen zóó stijf gehouden — niet voor niets had zich in Amsterdam een maatschappij ten walvischvangst gevormd dat er van haar schoenen en kousen geen tipje te ontdekken viel.
Ja, ja, de zeshonderdduizend gulden kapitaal, die als basis van de maatschappij waren gebruikt, zag men ten allen kant rente afwerpen. Coquet gluurde een lange split der gele rok onder het terra cotta uit. Tot Hans verbazing liep de rijke en kostbare dame recht op hem toe. De bergére met hoogen bol trilde op haar krullen, zóó opgewonden kwam ze in zijn richting. Tenzelfden tijd, oef! trachtte naar buiten te stappen een walvisch van een man, dik geperst in een fel rood pak en de dikke beenen gekneid in spierwitte kousen. Zijn bruine hoed en zijn wandelstok vielen bij zijn pogingen op straat; met moeite gelukte 't hem het evenwicht van zijn langen pijp, uit welks kop een behaaglijk rookwolkje dampte, te bewaren. Zijn buik puilde pas uit het rijtuig, toen zijn terra cotta vrouw reeds den armen Hans omhelsde deze meende, dat nlu het sprookje zijner petemoei werkelijkheid werd, en hij door een goede fee was uitverkoren. Wel kwam het rijkelijk laat, maar beter wat spa dan heelemaal niet. Het volk keek verwonderd toe, hoe de deftige mevrouw den armen, smerigen Hannekemaaier op beide wangen kuste, en hem daarna draaide, als ware hij een tol! "Ho! ho!" riep de man in de karos, "daar moet ik ook bij zijn! Wacht nog even . ." Zijn buik ontwrong zich nu heelemaal aan de rijtuigdeur, en zijn voeten stonden nog op de tred. Het volk liet hem ruimte, of liever, het maakte plaats voor zijn buik, eerbiedig: want wie zulk een buik kan doen gedijen, heeft al zijn dagen niets gekend dan een lui en lekker leventje. Zijn wangen waren gelijk die van een spelenden trompetter, hooge bedden van zacht, rozevleesch,zijn handen wel doorwassen van vet. Als men hem zoo beschouwde, begreep men,. dat al zijn ribben met smeuiIge talk begroeid lagen. Hij waggelde naderbij, en klopte Hans op zijn mageren schouder en keek hem vriendschappelijk aan. "Ken je me niet ?" riep de rijke dame, op zijn Hollandsch, waarin slechts even een vlaagje Haarlemmerdijker accent rimpelde. En nog eens ontroerd: ,Ken je me nou werkelijk niet, Hans?"
,,Iek oe kennen. Jek heb oe nog niemer kezien, sjoone dame!"
,,Hans! Hans! Ken je je eigen zuster niet weer? Ken je Bertha niet weer?"
,,Bertha!" schreeuwde de Hannekemaaier, duizelig van verwondering. ,Met wie ik die schwaine heb kehoed? Wie iek baina een van die ooken heb oitkekrabt, in die daken, dat iek zoo'n klaine jongen ben keweest! Wie oit dat dorp is kekaan, oend oens met die kantze familie, elb zonen en draitseen dochter allaine kelaten heeft! Nain! dat kan niet waar zain." "Zij is het", knikte de dikke mijnheer, "en niet alleen is ze jouw zuster, nee! ze is ook mijn vrouw."
Toen sprong Hans van verbazing de lucht in, want dat zijn goede zuster Bertha, met wie hij de varkens gehoed had, en die op een goeden dag uit het Munstersch dorp verdwenen was, thans daar stond naast haar lieven man, en dat zij dezen nu hoedde, gaf hem meer nadenkendheid over 's werelds loop, dan ooit wijsgeeren het in hun dikke boeken hebben geschreven. Eindelijk stiet hem de echtgenoot met de pijp aan, en op hetzelfde oogenblik kietelde hem reeds de aangename geur van den toeback zijn neus en verhemelte.
"Zeg Hans, we kunnen hier op straat niet blijven. Wil je, tijdens je verblijf hier te Amsterdam, onze gast zijn? Stap in de koets, dan volgen je zuster en ik."
Het duurde langen tijd —dit was geheel en al de schuld van Hans' zwager — vóórzij drieën plaats hadden genomen, maar toen ging de zweep er ook over, en de karos, getrokken door de Arabische paarden de twee achterste liepen, of ze de voorste moesten inhalen rolde over de keien der Kalverstraat, zwenkte den Heiligenweg in en de Leidsche Straat, en daarna de Heerengracht op tot aan de bocht. In het mooiste huis woonde Bertha's echtgenoot!
De paifrenier sprong van den bok, en opende het portier. Hans stapte naar buiten, en reeds had een onzichtbare hand de huisdeur ontgrendeld. Alles leek in dat huis wel onzichtbaar, onvoelbaar te gaan. Hans wist precies, waarheen hij te loopen had, en een deur vloog vanzelf open. Hij kwam in een kamer ... een kamer, zooals ze zelfs niet in sprookjes beschreven wordt. Een kristallen kroon, waarin het licht zijn gloeiendste kleuren deed sprenkelen, hing tegen de zoldering. A1Ie kaarsen waren aan, en ze speelden het spel van fellen glans en diepen schaduw door het vertrek, heen langs de schilderijen met hun zwaar¬vergulde Iijsten, heen langs het goudleeren behang, heen langs de warm getinte, Perzische tapijten, en overal, waar het spel werd gespeeld, gelekeñ de dingen geheimzinnig van leven. Hans durfde ten Iaatste de voeten niet meer te verzetten, vreezend, dat het sprookje, waarin hij zelf een gunstige rol vervulde, zou worden gestoord. Nog erger werd het, toen zijn zwager hem naar den tuin meenam. Daar had mijnheer rotsen doen aanleggen, en zij tweeën liepen door kunstrnatige grotten naar kunst¬matige vijvers, welker oevers door groote schelpen werden gevormd. Kon uit het water nu ook geen meermin op¬duiken, wenkend met haar blank schemerige armen? Zou tegen gindsche grot niet een fee in blank gewaad leunen, die Hans toestond, drie wenschen uit te spreken? Des avonds bracht men hem naar bed, en hij kwam tusschen de heerlijkst riekende lakens te liggen, zoodat hij eerst besloot, om niet te gaan slapen.. . hij wilde van de fijne geuren genieten! Toch was de goede warmte onder de dekens sterker dan zijn wil. Hij werd dommelig, droo¬merig, en eindelijk drong de bedwelming hem in den geest. Hij ronkte, snorkte, gochelde, gromde zóó, dat de nacht¬wacht buiten even aarzelde, vóór hij riep: "twee heit de klok". Den volgenden morgen on twaakte hij, hij sprong op, bekeek de mooie kamer en zijn Hannekemaaiers plunje, die over den stoel hing, en hij zei zachtjes tegen zichzelf:
worden vergeleken en wat is er vooruit van uw kansen op de tombola te zeggen? Zeker heeft men stuivers en dubbeltjes tombola' s, en de dubbeltj es tombola biedt meer mogelijkheid op prijswinning. Vooruit echter valt er niets van te zeggen.
Daar stond me die arme Hans Hannekemaaier voor de keus, of hij zijn vroegere vrienden moest verloochenen, ja dan neen. En het moet tot zijn eer worden gezegd, hij besloot tot bet Iaatste. Hij boog zich over 't bed en sprak:
,"Daar ies aine vloo, en daar ies aine vloo, en daar ies aine vloo en daar spriengen twee diertjes tezamen, liebe zuster. Jai kent ze doch ook, niet waar? Oit den taid, dat wi tezamen die schwaine hebben kehoet. Ik heb ze dikwails bai joe kevangen, liebe, liebe zuster!"
De echtgenoot boog zich op dat oogenblik zoo diep voorover als hij kon, en keek. En wel mocht hij kijken! Want de meest vermaarde springers, die meer campagnes hadden medegemaakt dan Frederik de Groote, en aan nicer gevaren waren ontsnapt dan Robinson Crusoe, door¬kruisten het bed. Nauwkeurig als landmeters bij het kadaster rnikten zij afstand, en bepaalden zij richting. Al, wat men gewoon is te vervolgen, loopt of buitelt zig zag: zie den straatjongen, zie den haas, zie de vloo. Doch hier waren acrobaten, die er geen been in zagen, om telkens vele malen hun afstand in zuivere parabolen door 't bed te vliegen, zonder zich om grijpende duim en wijsvinger te bekommeren. En dat kriebelde en kronkelde met kleine pootjes en beweeglijke zuignapjes dooreen, dat iemand de griezelegrauwe over den rug liep!
"Weet je wat?" zeide Bertha, "dan moetje maar eerst eens in bad en de dekens en lakens zullen we verbranden." Beide voorstellen geleken Hans allerdwaast toe. Hij in bad! Dat kostelijke beddegoed, waarvoor meer geld was uitgegeven dan hij ooit tezamen had gezien, tot het vuur veroordeeld! Er viel niets aan te veranderen! Een groote waschtobbe werd er voor hem neergezet, en hij begon te schuren en te schaven, tot hij een nieuw mensch was geworden, wit als sneeuw. Daarna kon hij aan de tafel plaats nemen. Hans leerde in die dagen, dat rijke menschen velerlei zorgen hebben. Hj moest van alles leeren, waar hij in vroegeren tijd geen vermoeden van had. Het drinken van thee, zonder te morsen, was reeds een groote kunst. Dan zouden noch zijn zuster, noch zijn zwager het eten met de vingers aanraken, noch zich in de palmen van hun handen spuwen, wanneer ze eens iets zwaars hadden op te beuren. Dan de buigingen en de glimlachjes en de afgemikte woordjes, zoo ze een vriend op straat ontmoeten. Dat vriendelijk zijn in mekaar's tegenwoordigheid, en dat kwaad¬spreken, als men elkander niet beluisteren kon! Dit hoorde natuurlijk tot de goede manieren, maar men begrijpt, dat Hans Hannekemaaiër er niet zoo heel gauw achter kwam. In zn wereld zeide men zijn kameraden precies, wat men meende, en daarna bakkeleide men erop los. Vervolgens werd men weer goede vrienden. Als iemand in de maat¬schappij van zijn zuster en zwager iets meer beteekende dan een ander... hu! de booze tongen. 't Leek dan waarachtig wel, of men met een misdadiger te doen had, en 't hoorde tot de goede manieren in koor mede te veroor¬deelen. Dat moest Hans allemaal begrijpen, en het duurt lang, voor men daar als onbeschaafd mensch achter is. Men kwarn overeen, dat men Hans niet eerder in gezelschap zou introduceeren, vóór hij zich goed wist te gedragen. Hans was hier ook al tevreden mee. Men had in die dagen nog geen Wetboek van mevrouw Etiquette en daarom was het onderricht niet theoretisch, doch uitsluitend¬practisch. Hier zat de fout. Hans luisterde geduldig toe. Hij leerde vlijtig als een kind, dat bang is voor kiappen van den meester. Hij verzuimde geen les. Hij vernam, dat je visch met een stukje brood moet eten. Hij hoorde voor 't eerst, dat je een dame moet laten voorgaan, doch de trap eerder dan zij dient te bestijgen.
Zijn zwager wees hem erop, dat je op straat niet in gezelschap van een dame mocht rooken, doch wel rookte hij stilletjes in zijn rijtuig. Ook mochtje over verschillende dingen, als likdoorns en vlooien niet tezamen praten. 't Liefst converseerde men over het weer, en daarna over een of ander schandaal. Hans leerde wel aan!
Eindelijk besloot men, dat Hans aan een diner mocht deelnemen. Bertha zou een oogje in het zeil houden, en daarom kwam hij vlak bij haar zitten. 't Ging allemaal even goed. Bij het drinken van de soep slurpte hij niet. Den visch at hij keurig, keurig meteen stukje brood, zonder te smakken. De gansche maaltijd ging voorbij, en geen enkel ongeluk was geschied. Toen kwam er een stuk vleesch: de slager had mevrouw bedrogen! Het zat vol zenen en botten. Mevrouw wierp een veldheersblik over de tafel, dirigeerde de troepen van haar personeel met waarschuwende oogen, zóó, dat Hans. want hj behoorde toch tot de familie, het allersiechtste part kreeg. Hij beklaagde zich niet: hij had mindere qualiteit gegeten. Alleen wierp hij de botten bevallig achter zich op het mooie tapijt, tot groote verwondering van het gezelschap. Hij had in dit huis nooit vleesch met botten gegeten."Hans!" fluisterde mevrouw, "leg je beenen op het bord." ,"Ook koet", bromde Hans, en met één zwaai wierp hij
zijn zware rijlaarzen vóór zich op tafel, zoodat zijn beenen tegen het bord aanrustten. Hij verbaasde zich niet. Goede manieren waren nu eenmaal vreemd.
Daar hij aldus de familie belachelijk had gemaakt, moest Hans spoedig vertrekken, en opnieuw begon hij zijn zwerversbestaan weder ... en spoedig vergezelden de kleine springertjes, zijn vrienden, hem opnieuw, zonder boos te zijn, dat hij ze in beter dagen van zijn lichaam had gehouden!
Beschrijving
de volgende dag proberen ze een echte heer van hem te maken. Men besloot hem niet eerder bij andere gasten te introduceren voordat hij onderricht had gehad. Hij wordt in bad gestopt en hij moest alles leren wat rijke mensen behoren te weten. Eindelijk besloot men dat Hans aan een diner mocht deelnemen. Als er een stuk vlees met botten wordt geserveerd gooit hans alle botten op de grond. Als zijn zus vervolgens vraagt of hans zijn 'benen' op zijn bord wil leggen, begrijpt Hans dit verkeerd en legt zijn benen op tafel. Nu Hans hiermee zijn familie belachelijk had gemaakt moest hij hun huis weer verlaten.
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Hans Hannekemaaier   
Hannekemaaier   
Heimat   
Frederik de Grote   
Robinson crusoe   
Naam Locatie in Tekst
Amsterdam   
Kalverstraat   
Munster   
heiligenweg   
Leidsestraat   
Herengracht   
Hollands   
