Hoofdtekst
Een exempel.
Daer was een christen mensch, den welcken een jaer een huys huerden, en daer in sijnde, had hij een crucifix genagelt in sijn kamer. Doen dat jaer om was, soe vergat hij dat cruys aenden muer mede te dragen, en daer quamp eenen joden die dat huys huerden. Doen gebeurdent dat hij enen anderen joden genoot hadde, en den gast om siende, sach dat crucifix. Doen wert hij toornich. Den weert swoer dat hij vant cruys niet en wist. Den joden ginck wech en seydet aen allen de joden. Doen quamen sij al int huys enjoegen den weert ten huysen wt, en namen dat belt en marteliden dat als christus gemartelit wert. Sij bondent aende calom en setten hem een doorne croon op sijn hooft. Sij verbonden hem sijn oogen en sloegen hem in sijnen heiligen hals en aen sijn heilige wangen. Ten lesten namen sij een speir en staken in sijn hert. Doen liep daer water en bloet wt, soo veel datter een vat vol wert, dat sij daer onder hadden geset. Doen waren de joden verwondert, en bestreken hun siecken daer mede, de welcke al genasen. Doen gingen sij bijden busscop, en vertelden hem watter geschiet was. Dit geschieden drij hondert jaren naer de geboerte ons heeren, en allen de joden bekeerden hun en werden al gedoopt. En den busschop dede timmeren een kercke daer dat heilige bloet in bewaert wert.
Daer was een christen mensch, den welcken een jaer een huys huerden, en daer in sijnde, had hij een crucifix genagelt in sijn kamer. Doen dat jaer om was, soe vergat hij dat cruys aenden muer mede te dragen, en daer quamp eenen joden die dat huys huerden. Doen gebeurdent dat hij enen anderen joden genoot hadde, en den gast om siende, sach dat crucifix. Doen wert hij toornich. Den weert swoer dat hij vant cruys niet en wist. Den joden ginck wech en seydet aen allen de joden. Doen quamen sij al int huys enjoegen den weert ten huysen wt, en namen dat belt en marteliden dat als christus gemartelit wert. Sij bondent aende calom en setten hem een doorne croon op sijn hooft. Sij verbonden hem sijn oogen en sloegen hem in sijnen heiligen hals en aen sijn heilige wangen. Ten lesten namen sij een speir en staken in sijn hert. Doen liep daer water en bloet wt, soo veel datter een vat vol wert, dat sij daer onder hadden geset. Doen waren de joden verwondert, en bestreken hun siecken daer mede, de welcke al genasen. Doen gingen sij bijden busscop, en vertelden hem watter geschiet was. Dit geschieden drij hondert jaren naer de geboerte ons heeren, en allen de joden bekeerden hun en werden al gedoopt. En den busschop dede timmeren een kercke daer dat heilige bloet in bewaert wert.
Onderwerp
TM 5005 - Bekering   
Beschrijving
Een christen had een kruis aan de muur hangen in een huis dat hij voor een jaar huurde. Toen het jaar om was, vergat hij het kruis mee te nemen. De jood die daarna in het huis kwam, werd toornig om het kruis, hoewel de waard zei dat hij van het kruis niets wist. De jood waarschuwde andere joden. Samen joegen ze de waard weg en mishandelden het kruis, precies zoals Jezus mishandeld was, met doornenkroon en speer. Er stroomde vervolgens bloed uit het kruis, wel een vat vol. De joden, verbaasd, gingen ermee naar een bisschop. Met het bloed gingen zij hun zieken bestrijken, die spontaan genazen.
Dit gebeurde driehonderd jaar na de geboorte van onze Heer. De joden lieten zich dopen en de bisschop liet een kerk bouwen, waarin het heilige bloed bewaard kon worden.
Dit gebeurde driehonderd jaar na de geboorte van onze Heer. De joden lieten zich dopen en de bisschop liet een kerk bouwen, waarin het heilige bloed bewaard kon worden.
Bron
De Vooys, C.G.N., Middelnederlandse stichtelijke exempelen, Zwolle, 1953 pagina 118
Commentaar
Bekering
Naam Overig in Tekst
Christus   
Jezus   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
