Hoofdtekst
HET SPOOK IN DE PAN.
Iemand uit Maastricht was op zekeren dag op bezoek geweest bij een familielid in de omstreken van Gulpen of Wijlré. Om zich den weg te verkorten, had hij op den terugweg een smal paadje genomen door een groot bosch en was daarin verdwaald. Het werd al donker en donkerder en hij vond maar geen uitweg. Na héél lang te hebben geloopen -en op het punt zich maar onder een boom, neer te leggen, om toch wat te slapen- zag hij in de verte een klein lichtje branden. Hij ging er op af en kwam aan een groot vervallen huis, een soort hofstee.
Top-top-top klopte hij, maar niemand deed open. Tot de deur bij zijn derde kloppen van zelf openging. Hij vond dat wel vreemd maar hij was niet bang. Hij had in nacht en ontij door bosch en velden gezworven en twaalf jaar gediend als soldaat, zoowel in vrede als in oorlogstijd. Hij ging dus naar binnen. Het was er lekker warm, want er brandde een vuur in den haard. Op de tafel zag hij een pot met meel, een kruik met olie en een pan staan. Dat was hem welkom, want hij had grooten honger na dat ronddwalen. "Hé!" verzuchtte hij, ,daar kun je een lekkeren pannekoek van bakken." Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij mengde wat meel en wat olie tot deeg, deed die in de pan en zette die op bet vuur. Terwijl hij zoo naar zijn baksel keek hoorde hij robbedobbedop iets uit den schoorsteen vallen en rolde er een menschenbeen in zijn beslag. "Krijg ik nu ook al vleesch er bij?" vroeg hij zich af.
Daar hij bemerkte, dat het een menschenbeen was, legde hij het naast den haard. ,,Neen, menschenvleesch lust ik niet, ik ben nog geen kanibaal", meende hij. ,,Het ziet er overigens ook erg taai en mager uit."
Hij probeerde van zijn beslag nog iets ordelijks terecht te brengen. Nauwelijks stond het weer op het vuur of robbedobbedop daar kwam opnieuw een been naar beneden getuimeld en viel plof in zijn pan.
,,Ja, als het zoo doorgaat, heb ik op het laatst niet meer in mijn pan", gromde hij.
Hij verloor echter den goeden moed niet en legde dat tweede been bij bet eerste en begon aan een tweeden koek. Van zijn eersten was niets meer over. Even stond die tweede op het vuur of daar valt eerst één arm en toen nog een arm er in. De man werd zoo stil aan nijdig, sloeg de botten van kwaadheid tegen elkaar en begon aan het beslag voor een derden koek. Weer op het vuur er mee, maar plof daar valt hem ditmaal een hééle romp er in en eindelijk nog een hoofd. "Nu moet het ook gedaan zijnt" schreeuwde de man en smeet hoofd en romp bij de andere lichaamsdeelen. Hij begon weer te bakken; het gerobbedop bleek nu gedaan. Nadat hij drie koeken gebakken had, liet hij ze wat koud worden en begon te eten. Toen hij den derden bijna op had, zag hij, dat de dorre lichaamsdeelen zich samenvoegden en een héél oude en magere gedaante vormden.
,,Je bent eigenlijk wat laat, oude man", meende de gewezen soldaat, ,,maar wat ik over heb, zullen wij nog samen deelen." De gedaante liet hem echter geer tijd om nog verder te praten. Zij wees met een vinger naar den muur en commandeerde. ,Doe die deur open!" Nu zag de man een deur, die hij nog niet gezien had. Hij was evenwel brutaal en dreigde het spook met de koekepan. ,,Als je niet te lui bent, doe ze dan zelf open!" snauwde hij het spook aan. Het spook wenkte hem nu te volgen en opende de zonderlinge deur. Daar zag hij een trap, die naar de diepte leidde."Daal nu de trappen af", beval het spook. "Ga jij maar voor, dan zal ik wel zien wat ik doe!"
Het spook daalde de trappen af en de man greep het lichtje, dat hij uit de verte had zien branden en volgde het spook. Midden in den kelder lag een grooten blauwen steen met een ijzeren ring er aan. Nu raakte het spook even met een hand die van den man aan; deze meende, dat de zijne verschroeide.
"Blijf van me af" riep hij, ,,of ik vertel je eens wat anders." "Til dien steen op" gebood de geest.
"Voor zoo'n tien als jij nog niet. Til hem naar zelf, je bent er niets te goed voor".
Toen schoof de gedaante den steen weg en nu zag men, in een hol onder den vloer drie groote aarden potten vol goudgeld staan. "Draag die nu naar boven" beval het spook al weer.
,,Dat kun je begrijpen", lachte de oud-soldaat, ,,doe dat maar gauw zelf, eer ik het doe, kun je daar nog lang staan te commandeeren." De geest bracht nu de potten boven bij den haard. Hier wees hij het gebruik van den schat aan: ,,De eerste pot is voor de kerk, omdat ik geen goed gebruik heb gemaakt van dat geld. De tweede is voor de armen, want die heb ik verdrukt, om het goud op te kunnen stapelen en de derde is voor u, als mijn dank, dat gij mij verlossen zult, door het geld te bezorgen, zooals ik dat nog in mijn laatste oogen blikken wilde doen."
Tot teeken, dat hij nu verlost was, raakte hij met de band nog even die van den oudsoldaat aan. Deze voelde, dat ze nu koud was. Daarna verdween het spook. De man volbracht de aanwijzingen van het spook en leefde van de part hem toegewezen nog menig genoegelijk jaar.
Iemand uit Maastricht was op zekeren dag op bezoek geweest bij een familielid in de omstreken van Gulpen of Wijlré. Om zich den weg te verkorten, had hij op den terugweg een smal paadje genomen door een groot bosch en was daarin verdwaald. Het werd al donker en donkerder en hij vond maar geen uitweg. Na héél lang te hebben geloopen -en op het punt zich maar onder een boom, neer te leggen, om toch wat te slapen- zag hij in de verte een klein lichtje branden. Hij ging er op af en kwam aan een groot vervallen huis, een soort hofstee.
Top-top-top klopte hij, maar niemand deed open. Tot de deur bij zijn derde kloppen van zelf openging. Hij vond dat wel vreemd maar hij was niet bang. Hij had in nacht en ontij door bosch en velden gezworven en twaalf jaar gediend als soldaat, zoowel in vrede als in oorlogstijd. Hij ging dus naar binnen. Het was er lekker warm, want er brandde een vuur in den haard. Op de tafel zag hij een pot met meel, een kruik met olie en een pan staan. Dat was hem welkom, want hij had grooten honger na dat ronddwalen. "Hé!" verzuchtte hij, ,daar kun je een lekkeren pannekoek van bakken." Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij mengde wat meel en wat olie tot deeg, deed die in de pan en zette die op bet vuur. Terwijl hij zoo naar zijn baksel keek hoorde hij robbedobbedop iets uit den schoorsteen vallen en rolde er een menschenbeen in zijn beslag. "Krijg ik nu ook al vleesch er bij?" vroeg hij zich af.
Daar hij bemerkte, dat het een menschenbeen was, legde hij het naast den haard. ,,Neen, menschenvleesch lust ik niet, ik ben nog geen kanibaal", meende hij. ,,Het ziet er overigens ook erg taai en mager uit."
Hij probeerde van zijn beslag nog iets ordelijks terecht te brengen. Nauwelijks stond het weer op het vuur of robbedobbedop daar kwam opnieuw een been naar beneden getuimeld en viel plof in zijn pan.
,,Ja, als het zoo doorgaat, heb ik op het laatst niet meer in mijn pan", gromde hij.
Hij verloor echter den goeden moed niet en legde dat tweede been bij bet eerste en begon aan een tweeden koek. Van zijn eersten was niets meer over. Even stond die tweede op het vuur of daar valt eerst één arm en toen nog een arm er in. De man werd zoo stil aan nijdig, sloeg de botten van kwaadheid tegen elkaar en begon aan het beslag voor een derden koek. Weer op het vuur er mee, maar plof daar valt hem ditmaal een hééle romp er in en eindelijk nog een hoofd. "Nu moet het ook gedaan zijnt" schreeuwde de man en smeet hoofd en romp bij de andere lichaamsdeelen. Hij begon weer te bakken; het gerobbedop bleek nu gedaan. Nadat hij drie koeken gebakken had, liet hij ze wat koud worden en begon te eten. Toen hij den derden bijna op had, zag hij, dat de dorre lichaamsdeelen zich samenvoegden en een héél oude en magere gedaante vormden.
,,Je bent eigenlijk wat laat, oude man", meende de gewezen soldaat, ,,maar wat ik over heb, zullen wij nog samen deelen." De gedaante liet hem echter geer tijd om nog verder te praten. Zij wees met een vinger naar den muur en commandeerde. ,Doe die deur open!" Nu zag de man een deur, die hij nog niet gezien had. Hij was evenwel brutaal en dreigde het spook met de koekepan. ,,Als je niet te lui bent, doe ze dan zelf open!" snauwde hij het spook aan. Het spook wenkte hem nu te volgen en opende de zonderlinge deur. Daar zag hij een trap, die naar de diepte leidde."Daal nu de trappen af", beval het spook. "Ga jij maar voor, dan zal ik wel zien wat ik doe!"
Het spook daalde de trappen af en de man greep het lichtje, dat hij uit de verte had zien branden en volgde het spook. Midden in den kelder lag een grooten blauwen steen met een ijzeren ring er aan. Nu raakte het spook even met een hand die van den man aan; deze meende, dat de zijne verschroeide.
"Blijf van me af" riep hij, ,,of ik vertel je eens wat anders." "Til dien steen op" gebood de geest.
"Voor zoo'n tien als jij nog niet. Til hem naar zelf, je bent er niets te goed voor".
Toen schoof de gedaante den steen weg en nu zag men, in een hol onder den vloer drie groote aarden potten vol goudgeld staan. "Draag die nu naar boven" beval het spook al weer.
,,Dat kun je begrijpen", lachte de oud-soldaat, ,,doe dat maar gauw zelf, eer ik het doe, kun je daar nog lang staan te commandeeren." De geest bracht nu de potten boven bij den haard. Hier wees hij het gebruik van den schat aan: ,,De eerste pot is voor de kerk, omdat ik geen goed gebruik heb gemaakt van dat geld. De tweede is voor de armen, want die heb ik verdrukt, om het goud op te kunnen stapelen en de derde is voor u, als mijn dank, dat gij mij verlossen zult, door het geld te bezorgen, zooals ik dat nog in mijn laatste oogen blikken wilde doen."
Tot teeken, dat hij nu verlost was, raakte hij met de band nog even die van den oudsoldaat aan. Deze voelde, dat ze nu koud was. Daarna verdween het spook. De man volbracht de aanwijzingen van het spook en leefde van de part hem toegewezen nog menig genoegelijk jaar.
Onderwerp
SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   
Beschrijving
Een dappere oud-soldaat uit Maastricht overnacht na verdwaald te zijn in een vervallen hofstee.
Als hij pannenkoeken bakt en er vallen steeds lichaamsdelen uit de schoorsteen in de pan, moppert hij alleen maar omdat het zijn eten verpest. De lichaamsdelen komen samen en vormen zich tot een oude man. Een spook, dat de soldaat steeds bevelen geeft: dat hij naar de kelder moet en een steen optillen etc. De man weigert dit brutaal en laat het spook alles zelf doen. In de hofstee blijken drie potten goud verborgen te zijn. Van de geest moet de soldaat een pot schenken aan de kerk, een aan de armen en een mag hij zelf houden, als dank voor het verlossen van het spook, dat in zijn leven slecht was geweest en armen uitbuitte.
Als hij pannenkoeken bakt en er vallen steeds lichaamsdelen uit de schoorsteen in de pan, moppert hij alleen maar omdat het zijn eten verpest. De lichaamsdelen komen samen en vormen zich tot een oude man. Een spook, dat de soldaat steeds bevelen geeft: dat hij naar de kelder moet en een steen optillen etc. De man weigert dit brutaal en laat het spook alles zelf doen. In de hofstee blijken drie potten goud verborgen te zijn. Van de geest moet de soldaat een pot schenken aan de kerk, een aan de armen en een mag hij zelf houden, als dank voor het verlossen van het spook, dat in zijn leven slecht was geweest en armen uitbuitte.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Commentaar
1925
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van schatten'.
Der verborgene Schatz
Naam Locatie in Tekst
Maastricht   
Gulpen   
Wijlre   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
