Hoofdtekst
Het bedorven brouwsel
Te Wijk-Maastricht woonde vele jaren geleden een brouwer in wiens brouwerij herhaaldelijk ongelukken gebeurden.
De brouwersknecht, die 's nachts voor het koken van het bier moest zorgen, kwam telkens in de ketel kokend bier terecht en dan was het bier bedorven. Niemand wist er de oorzaak van. Wel kwam er iedere keer wanneer er zulk een ongeluk gebeurde, 's nachts een zwarte kat in de brouwerij. Dan was het van 'miaw... miaw... miaw...'
De eigenaar der brouwerij werd door die ongevallen zeer mismoedig, want dat betekende iedere keer bedorven bier en dus veel schade, om nog niet eens te spreken van de ongelukkige knechts, die in de brouwketel verbrandden. Hij had al dikwijls besloten daar een einde aan te maken, en wilde te weten komen, hoe dat in zijn werk ging.
Geen van de knechts wilde 's nachts nog in dat brouwhuis verblijven, en waagde het af en toe eens een nieuweling, die niets van die geheimzinnige voorvallen wist, dan overkwam hem hetzelfde ongeluk. Op zekere dag kreeg de brouwer echter een knecht in dienst die voor geen klein geruchtje vervaard was. En toen hij dan ook zijn nood klaagde aan die man, antwoordde deze: 'ik wil het riskeren. Ik eraan, of datgene wat hier komt!'
De nieuwe knecht begaf zich 's nachts in het brouwhuis. Onderwijl dat het bier kookte - het kon even na middernacht zijn - zag hij een zwarte kat op zich afkomen en was het weer van 'miaw... miaw... miaw. . .', precies zoals de brouwer het hem had verteld van de andere knechts die doodgebleven waren.
Hij liet de kat stilletjes naderen, maar nauwelijks was zij onder zijn bereik, of hij greep een pan met gloeiend bier en wierp haar dat op de nek en op de linkerzijde. Geweldig miauwend van pijn sprong de kat met haar verbrand vel weg. Die nacht gebeurde verder niets meer.
's Morgens kwam de brouwer in de brouwerij en stond verbaasd de knecht levend te zien. Hij vroeg hem hoe het gegaan was.
'Och,' zei de knecht, 'tussen twaalf en een kwam hier een zwarte kat en was het van 'miaw... miaw... miaw...' maar ik schepte gauw een pan kokend bier en wierp haar dat op het lijf, zodat ze aan de linkerzijde erg verbrand is. Daarna liep ze weg.'
Mijnheer dacht even na, en mompelde dat zo iets hem zeer vreemd leek, maar toonde zich toch blij dat het brouwsel dit keer niet bedorven was.
Mevrouw kwam die morgen, tegen haar gewoonte van vrij vroeg op te staan, niet naar beneden. Mijnheer liet de meid vragen waarom mevrouw niet naar beneden kwam, maar het meisje kreeg van de laatste bescheid, dat ze aan mijnheer moest zeggen, dat zij niet erg wel was. Het meisje bracht de boodschap over aan mijnbeer en deze liet haar gaan.
Toen het meisje weg was, sloeg de brouwer zich plotseling met de vuist voor het voorhoofd en mompelde binnensmonds: 'Wacht eens'. Hoofdschuddend ging hij naar boven, trad de slaapkamer van zijn vrouw binnen en vroeg haar wat haar scheelde.
'Och,' kreunde zij. 'ik ben niet erg wel, laat me nog wat liggen.'
Maar meteen had haar man de dekens weggetrokken, en zag hij dat zij aan de linkerzijde en in de hals verbrand was, juist op die plaatsen, waar de knecht 's nachts de zwarte kat met een pan gloeiend bier had geworpen.
'Nu weet ik genoeg!' bulderde de brouwer. 'Nu weet ik wie mij telkens die ongelukken bezorgt en mij bijna ruïneert. Geen minuut blijf je me meer in huis!'
Mevrouw moest het huis verlaten; na die tijd zijn geen ongelukken meer in de brouwerij gebeurd.
Te Wijk-Maastricht woonde vele jaren geleden een brouwer in wiens brouwerij herhaaldelijk ongelukken gebeurden.
De brouwersknecht, die 's nachts voor het koken van het bier moest zorgen, kwam telkens in de ketel kokend bier terecht en dan was het bier bedorven. Niemand wist er de oorzaak van. Wel kwam er iedere keer wanneer er zulk een ongeluk gebeurde, 's nachts een zwarte kat in de brouwerij. Dan was het van 'miaw... miaw... miaw...'
De eigenaar der brouwerij werd door die ongevallen zeer mismoedig, want dat betekende iedere keer bedorven bier en dus veel schade, om nog niet eens te spreken van de ongelukkige knechts, die in de brouwketel verbrandden. Hij had al dikwijls besloten daar een einde aan te maken, en wilde te weten komen, hoe dat in zijn werk ging.
Geen van de knechts wilde 's nachts nog in dat brouwhuis verblijven, en waagde het af en toe eens een nieuweling, die niets van die geheimzinnige voorvallen wist, dan overkwam hem hetzelfde ongeluk. Op zekere dag kreeg de brouwer echter een knecht in dienst die voor geen klein geruchtje vervaard was. En toen hij dan ook zijn nood klaagde aan die man, antwoordde deze: 'ik wil het riskeren. Ik eraan, of datgene wat hier komt!'
De nieuwe knecht begaf zich 's nachts in het brouwhuis. Onderwijl dat het bier kookte - het kon even na middernacht zijn - zag hij een zwarte kat op zich afkomen en was het weer van 'miaw... miaw... miaw. . .', precies zoals de brouwer het hem had verteld van de andere knechts die doodgebleven waren.
Hij liet de kat stilletjes naderen, maar nauwelijks was zij onder zijn bereik, of hij greep een pan met gloeiend bier en wierp haar dat op de nek en op de linkerzijde. Geweldig miauwend van pijn sprong de kat met haar verbrand vel weg. Die nacht gebeurde verder niets meer.
's Morgens kwam de brouwer in de brouwerij en stond verbaasd de knecht levend te zien. Hij vroeg hem hoe het gegaan was.
'Och,' zei de knecht, 'tussen twaalf en een kwam hier een zwarte kat en was het van 'miaw... miaw... miaw...' maar ik schepte gauw een pan kokend bier en wierp haar dat op het lijf, zodat ze aan de linkerzijde erg verbrand is. Daarna liep ze weg.'
Mijnheer dacht even na, en mompelde dat zo iets hem zeer vreemd leek, maar toonde zich toch blij dat het brouwsel dit keer niet bedorven was.
Mevrouw kwam die morgen, tegen haar gewoonte van vrij vroeg op te staan, niet naar beneden. Mijnheer liet de meid vragen waarom mevrouw niet naar beneden kwam, maar het meisje kreeg van de laatste bescheid, dat ze aan mijnheer moest zeggen, dat zij niet erg wel was. Het meisje bracht de boodschap over aan mijnbeer en deze liet haar gaan.
Toen het meisje weg was, sloeg de brouwer zich plotseling met de vuist voor het voorhoofd en mompelde binnensmonds: 'Wacht eens'. Hoofdschuddend ging hij naar boven, trad de slaapkamer van zijn vrouw binnen en vroeg haar wat haar scheelde.
'Och,' kreunde zij. 'ik ben niet erg wel, laat me nog wat liggen.'
Maar meteen had haar man de dekens weggetrokken, en zag hij dat zij aan de linkerzijde en in de hals verbrand was, juist op die plaatsen, waar de knecht 's nachts de zwarte kat met een pan gloeiend bier had geworpen.
'Nu weet ik genoeg!' bulderde de brouwer. 'Nu weet ik wie mij telkens die ongelukken bezorgt en mij bijna ruïneert. Geen minuut blijf je me meer in huis!'
Mevrouw moest het huis verlaten; na die tijd zijn geen ongelukken meer in de brouwerij gebeurd.
Onderwerp
SINSAG 0640 - Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen.
  
Beschrijving
In een brouwerij gebeuren veel ongelukken. Elke nacht valt een knecht in de ketel kokend bier en is hij dood (en het bier bedorven). Geen enkele knecht wil daar nog nachtdienst draaien. Tot op een dag een knecht kokend bier gooit naar een zwarte kat die bij de ketel zit. De kat vlucht weg en er gebeurt die nacht geen ongeluk. De volgende dag treft de brouwer zijn vrouw aan met brandwonden op haar lichaam.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van heksen en maren'.
Hexentier verwundet: Frau zeigt am folgenden Tag Malzeichen
Naam Overig in Tekst
Wijk-Maastricht   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
