Hoofdtekst
Door heg en struik
Een jonkman uit Gulpen had verkering met een meisje uit de omstreken. Dat meisje had de naam een heks te zijn. Zijn moeder waarschuwde hem voor haar. Maar hij kon het meisje moeilijk laten.
Om zich toch eens te overtuigen ging hij weer eens een dag naar zijn meisje, stelde zich aan als een beschonkene en liep waggelend over de weg naar haar huis. Daar lalde hij allerlei onzin en dronkemanspraat uit, ging aan de haard zitten, liet stilaan het hoofd over de borst zinken en begon te snorken.
Nadat zijn meisje en haar moeder zich door te roepen en lawaai te maken ervan hadden overtuigd dat hij vast sliep, namen zij uit de schoorsteen een pot met zalf en smeerden zich daarmee in.
'Wij zullen wel terug zijn, eer hij wakker wordt!' meende de dochter. Nadat zij zich hadden ingesmeerd, riepen zij: 'Over heg en struik, naar de pastoor zijn wijnkelder!' en dadelijk vlogen zij 't raam uit.
Na een poosje kwamen zij teruggevlogen, beladen met flessen wijn, gebraad en lekkernijen.
De jonkman was intussen werkelijk in slaap gevallen en toen hij 's morgens ontwaakte, zetten moeder en dochter hem een lekker maal voor. Daarna ging hij naar huis.
Hij wist nu genoeg, maar zweeg en kwam nog als gewoonlijk bij zijn meisje thuis.
Een paar weken later herhaalde hij de komedie die hij had gespeeld en viel schijnbaar weer in slaap bij de haard. Ook ditmaal smeerden moeder en dochter zich weer in met de zalf en vlogen weer uit.
Toen zij weg waren, nam de jonkman ook de pot en zalfde zich ook. In plaats van te zeggen: 'Over heg en struik!' (hij had het niet goed afgeluisterd) zei hij: 'Door heg en struik, naar pastoors wijnkelder!' Dadelijk voelde hij zich vliegen, het raam uit, maar toen ging het inderdaad door heg en struik. Dat bezorgde hem bloedende schrammen in het gelaat en scheurde hem de kleren in flarden. Zo kwam hij in de wijnkelder van de pastoor aan. Hij kon het goede woord maar niet vinden en nu ging het hem op de terugreis weer evenzo.
Toen moeder en dochter later terugkeerden van haar tocht, vonden zij hem bebloed in de keuken liggen. Zij vroegen hem wat er was gebeurd.
'Och, God,' klaagde hij. 'Ik heb mij ingesmeerd!'
'Dan heb je het verkeerd gedaan!' verried zich de dochter.
'Goedenacht,' zeide de jonkman. Hij was nu overtuigd genoeg dat hij met een heks te doen had en hij kwam niet weer.
Gedurende de veertien dagen die zijn genezing vorderde, durfde hij zich niet te laten zien, zo was hij toegetakeld.
Een jonkman uit Gulpen had verkering met een meisje uit de omstreken. Dat meisje had de naam een heks te zijn. Zijn moeder waarschuwde hem voor haar. Maar hij kon het meisje moeilijk laten.
Om zich toch eens te overtuigen ging hij weer eens een dag naar zijn meisje, stelde zich aan als een beschonkene en liep waggelend over de weg naar haar huis. Daar lalde hij allerlei onzin en dronkemanspraat uit, ging aan de haard zitten, liet stilaan het hoofd over de borst zinken en begon te snorken.
Nadat zijn meisje en haar moeder zich door te roepen en lawaai te maken ervan hadden overtuigd dat hij vast sliep, namen zij uit de schoorsteen een pot met zalf en smeerden zich daarmee in.
'Wij zullen wel terug zijn, eer hij wakker wordt!' meende de dochter. Nadat zij zich hadden ingesmeerd, riepen zij: 'Over heg en struik, naar de pastoor zijn wijnkelder!' en dadelijk vlogen zij 't raam uit.
Na een poosje kwamen zij teruggevlogen, beladen met flessen wijn, gebraad en lekkernijen.
De jonkman was intussen werkelijk in slaap gevallen en toen hij 's morgens ontwaakte, zetten moeder en dochter hem een lekker maal voor. Daarna ging hij naar huis.
Hij wist nu genoeg, maar zweeg en kwam nog als gewoonlijk bij zijn meisje thuis.
Een paar weken later herhaalde hij de komedie die hij had gespeeld en viel schijnbaar weer in slaap bij de haard. Ook ditmaal smeerden moeder en dochter zich weer in met de zalf en vlogen weer uit.
Toen zij weg waren, nam de jonkman ook de pot en zalfde zich ook. In plaats van te zeggen: 'Over heg en struik!' (hij had het niet goed afgeluisterd) zei hij: 'Door heg en struik, naar pastoors wijnkelder!' Dadelijk voelde hij zich vliegen, het raam uit, maar toen ging het inderdaad door heg en struik. Dat bezorgde hem bloedende schrammen in het gelaat en scheurde hem de kleren in flarden. Zo kwam hij in de wijnkelder van de pastoor aan. Hij kon het goede woord maar niet vinden en nu ging het hem op de terugreis weer evenzo.
Toen moeder en dochter later terugkeerden van haar tocht, vonden zij hem bebloed in de keuken liggen. Zij vroegen hem wat er was gebeurd.
'Och, God,' klaagde hij. 'Ik heb mij ingesmeerd!'
'Dan heb je het verkeerd gedaan!' verried zich de dochter.
'Goedenacht,' zeide de jonkman. Hij was nu overtuigd genoeg dat hij met een heks te doen had en hij kwam niet weer.
Gedurende de veertien dagen die zijn genezing vorderde, durfde hij zich niet te laten zien, zo was hij toegetakeld.
Onderwerp
SINSAG 0511 - Über Weg und Steg   
Beschrijving
Een jongeman komt er achter dat zijn meisje een heks is. Hij probeert een kunst uit om ook te vliegen en lekkernijen uit de wijnkelder van de pastoor te stelen. Helaas zegt hij de spreuk verkeerd en raakt gewond.
Bron
Kemp, Pierre. Limburgs Sagenboek. Gebrs van Aelst. Maastricht, 1925.
Herdruk: ca. 1970
Herdruk: ca. 1970
Commentaar
1925 (Herdruk ca. 1970)
Dit verhaal is te vinden in het hoofdstuk 'Van heksen en maren'.
Über Weg und Steg
Naam Locatie in Tekst
Gulpen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
