Hoofdtekst
De heilige eik
Hoe oud mag hij wel zijn, de heilige eik van Vrachelen? Wie heeft hem geplant en verzorgd, of is hij niet geplant, maar opgewassen van een achteloos weggeworpen eikel tot den machtigen boom, die hij eens geweest moet zijn. Symbool van de onverwoestbare kiem- en groeikracht der natuur. Zijn hout is nog ijzerhard, zijn bultige taaie schors, diep doorgroefd en doorkerfd, lijkt een grauwgroen pantser, dat de slagen van den tijd doorstaan heeft, en nog altijd weerstaat. Doch in het lange tijdvak, van jaren, misschien eeuwen, dat hij daar staat aan den driesprong van Vrachelen, is hij niet ongedeerd ontkomen aan de stormen der tijden. Hij is geschonden, verminkt voor immer. Zijn kruin is half gebroken door het titanisch geweld van den wind. Een gedeelte der afgebroken takken-armen zijn naar den hemel gestrekt, als in wanhoopsgebaar verstard. En 't schijnt ook, dat het schroeiend bliksemvuur sidderend langs zijn knoestige schonken voer. Maar hij leeft nog, en blijft leven, vastgeklonken in den moedergrond; hij domineert de omgeving, hij vormt daar te midden der hoeven van 't gehucht een onmisbaar element in het rustieke aspect. Hij beschut de nabije woning, hij houdt de wacht, en wat er ook om hem mocht veranderen, hij zelf bleef onveranderd. Alleen de gang der wisselende seizoenen bracht ook wisseling in zijn glorietijd. Een boom, die waard was door Streuvels geschilderd te worden, die het beeld dier Vlaamsche schaaiaards, dier eenzame boomreuzen, zoo fleurig neerborstelde in z'n gesmijdig proza. Hoe moet een gevoelig beschouwer hem blijde begroet hebben, als zijn even groene twijgen reeds de zoete belofte inhielden van de komst der luwe lente; hoe moet zijn vol-bebladerde kruin in den brandenden gloed van den zomer doorzoemd en doorzongen zijn; hoe heeft hij in den laten herfst gesidderd en gebogen voor 't bruisend gerucht der winden, wanneer in lugubere nachten het stormros door het luchtruim rende; hoe leek hij versteend in doodskilte in den winter, wanneer in 't witte sneeuwlandschap, de kraaien wiekten met trage vleugelslag. Hoe lang hij er gestaan heeft aan den weg van Vrachelen is niet te gissen. Bij de heugenis van geslachten heeft hij er eeuwen reeds gestaan. Maar zijn oorsprong verliest zich in den nevel der vergane tijden. Hij is oud, hij is eerwaardig, hij is de 'heilige' eik.
Waar zijn de mannen die hij allen als kind zag spelen aan zijn voet? Het kan niet anders, de sage omzweeft hem met haar kleurig droomenwaas; hij kent geheimen van een lang geleden wereld.
Hoor, wat ze vertelt, de sage van deze 'heiligen' eik.
Het was lang, lang geleden in die tijden van weldadige rust, van hechte geloofseenheid. Ons jachtige leven is niet bij machte, zich zelfs de innige, eenvoudige tevredenheid der toenmalige bewoners ook maar voor te stellen. In de eenzaamheid van deze contrije van Vrachelen, had de boom de aandacht getrokken van een vermoeiden pelgrim, die langs de zandige wegen peinzend voortging. Hij zag het machtig bladergewelf, beschutting voor zon en regen; hij zag de diepe ruste rondom, de rust, die hij rusteloos zocht; zijn besluit was genomen, de pelgrim besloot zijn verdere dagen als een vroom kluizenaar op deze plek door te brengen. En de verbaasde dorpers zagen de volgende dagen een bleek en ernstig uitziend man, die bij den eik een kluisje bouwde van riet en takken, en ze vonden hem vaak zittend onder den boom, lezend in een lijvige foliant, terwijl de lange witte baard hem op de knieën hing...
Hij moet er niet zoo lang meer geleefd hebben, maar na zijn dood of misschien zijn vertrek, bleef de eik toch steeds de 'heilige' eik.
Zoo zullen vele Oosterhoutenaren terugdenken aan hun kinderjaren, toen zij, gehurkt aan de voeten van grootvader met grage blikken van de lippen van den ouden man het wonderlijk verhaal lazen, van den armen, doch braven schoenlapper, die een groot deel van zijn leven den 'heiligen' eik bewoonde, en er zijn stiel uitoefende. Van vader op kind worden, deze vertelsels overgeleverd en ongetwijfeld zal ook de tegenwoordige generatie der Oosterhoutsche jeugd de 'geheimen' van den ouden eik kennen. De volksvertelsels hebben zoo'n taai leven. Zou misschien ooit gepredikt zijn, of de Mis opgedragen onder dezen 'heiligen' eik, door een rondreizend priester, in de tijden der geloofsvervolging, toen de kerken gesloten bleven voor de bewoners van Vrachelen, zooals voor de bewoners van heel Brabant? Of heeft daar ter plaatse een veldkruis of hagelkruis gestaan onder den 'heiligen' eik, in den tijd, toen langs schier alle wegen van Brabant ene kruis den voorbijganger vermaande? Het valt moeilijk meer uit te maken. De boom bewaart het geheim, begrijpend en zwijgend. En toch, hij schijnt te treuren in onzen modernen tijd over de dagen, die langs hem vergleden zijn. Hij voelt zich toch ook vergangelijk.
Waar zijn de dagen nog, dat hij alleen slechts hoorde het hotsebotsend geschok van den boerenwagen in de karresporen, of in den najaarstijd het vroolijk geklepper der vrachtauto's, die den grond doen trillen, hij hoort het enerveerend calxongeluid der motoren: hij hoort onder de strooien daken het dreunend gerucht der dorsmachines.
De oude 'heilige' eik, die zoo veel geslachten gaan en komen zag, zal hij 't huidige geslacht overleven?
Hoe oud mag hij wel zijn, de heilige eik van Vrachelen? Wie heeft hem geplant en verzorgd, of is hij niet geplant, maar opgewassen van een achteloos weggeworpen eikel tot den machtigen boom, die hij eens geweest moet zijn. Symbool van de onverwoestbare kiem- en groeikracht der natuur. Zijn hout is nog ijzerhard, zijn bultige taaie schors, diep doorgroefd en doorkerfd, lijkt een grauwgroen pantser, dat de slagen van den tijd doorstaan heeft, en nog altijd weerstaat. Doch in het lange tijdvak, van jaren, misschien eeuwen, dat hij daar staat aan den driesprong van Vrachelen, is hij niet ongedeerd ontkomen aan de stormen der tijden. Hij is geschonden, verminkt voor immer. Zijn kruin is half gebroken door het titanisch geweld van den wind. Een gedeelte der afgebroken takken-armen zijn naar den hemel gestrekt, als in wanhoopsgebaar verstard. En 't schijnt ook, dat het schroeiend bliksemvuur sidderend langs zijn knoestige schonken voer. Maar hij leeft nog, en blijft leven, vastgeklonken in den moedergrond; hij domineert de omgeving, hij vormt daar te midden der hoeven van 't gehucht een onmisbaar element in het rustieke aspect. Hij beschut de nabije woning, hij houdt de wacht, en wat er ook om hem mocht veranderen, hij zelf bleef onveranderd. Alleen de gang der wisselende seizoenen bracht ook wisseling in zijn glorietijd. Een boom, die waard was door Streuvels geschilderd te worden, die het beeld dier Vlaamsche schaaiaards, dier eenzame boomreuzen, zoo fleurig neerborstelde in z'n gesmijdig proza. Hoe moet een gevoelig beschouwer hem blijde begroet hebben, als zijn even groene twijgen reeds de zoete belofte inhielden van de komst der luwe lente; hoe moet zijn vol-bebladerde kruin in den brandenden gloed van den zomer doorzoemd en doorzongen zijn; hoe heeft hij in den laten herfst gesidderd en gebogen voor 't bruisend gerucht der winden, wanneer in lugubere nachten het stormros door het luchtruim rende; hoe leek hij versteend in doodskilte in den winter, wanneer in 't witte sneeuwlandschap, de kraaien wiekten met trage vleugelslag. Hoe lang hij er gestaan heeft aan den weg van Vrachelen is niet te gissen. Bij de heugenis van geslachten heeft hij er eeuwen reeds gestaan. Maar zijn oorsprong verliest zich in den nevel der vergane tijden. Hij is oud, hij is eerwaardig, hij is de 'heilige' eik.
Waar zijn de mannen die hij allen als kind zag spelen aan zijn voet? Het kan niet anders, de sage omzweeft hem met haar kleurig droomenwaas; hij kent geheimen van een lang geleden wereld.
Hoor, wat ze vertelt, de sage van deze 'heiligen' eik.
Het was lang, lang geleden in die tijden van weldadige rust, van hechte geloofseenheid. Ons jachtige leven is niet bij machte, zich zelfs de innige, eenvoudige tevredenheid der toenmalige bewoners ook maar voor te stellen. In de eenzaamheid van deze contrije van Vrachelen, had de boom de aandacht getrokken van een vermoeiden pelgrim, die langs de zandige wegen peinzend voortging. Hij zag het machtig bladergewelf, beschutting voor zon en regen; hij zag de diepe ruste rondom, de rust, die hij rusteloos zocht; zijn besluit was genomen, de pelgrim besloot zijn verdere dagen als een vroom kluizenaar op deze plek door te brengen. En de verbaasde dorpers zagen de volgende dagen een bleek en ernstig uitziend man, die bij den eik een kluisje bouwde van riet en takken, en ze vonden hem vaak zittend onder den boom, lezend in een lijvige foliant, terwijl de lange witte baard hem op de knieën hing...
Hij moet er niet zoo lang meer geleefd hebben, maar na zijn dood of misschien zijn vertrek, bleef de eik toch steeds de 'heilige' eik.
Zoo zullen vele Oosterhoutenaren terugdenken aan hun kinderjaren, toen zij, gehurkt aan de voeten van grootvader met grage blikken van de lippen van den ouden man het wonderlijk verhaal lazen, van den armen, doch braven schoenlapper, die een groot deel van zijn leven den 'heiligen' eik bewoonde, en er zijn stiel uitoefende. Van vader op kind worden, deze vertelsels overgeleverd en ongetwijfeld zal ook de tegenwoordige generatie der Oosterhoutsche jeugd de 'geheimen' van den ouden eik kennen. De volksvertelsels hebben zoo'n taai leven. Zou misschien ooit gepredikt zijn, of de Mis opgedragen onder dezen 'heiligen' eik, door een rondreizend priester, in de tijden der geloofsvervolging, toen de kerken gesloten bleven voor de bewoners van Vrachelen, zooals voor de bewoners van heel Brabant? Of heeft daar ter plaatse een veldkruis of hagelkruis gestaan onder den 'heiligen' eik, in den tijd, toen langs schier alle wegen van Brabant ene kruis den voorbijganger vermaande? Het valt moeilijk meer uit te maken. De boom bewaart het geheim, begrijpend en zwijgend. En toch, hij schijnt te treuren in onzen modernen tijd over de dagen, die langs hem vergleden zijn. Hij voelt zich toch ook vergangelijk.
Waar zijn de dagen nog, dat hij alleen slechts hoorde het hotsebotsend geschok van den boerenwagen in de karresporen, of in den najaarstijd het vroolijk geklepper der vrachtauto's, die den grond doen trillen, hij hoort het enerveerend calxongeluid der motoren: hij hoort onder de strooien daken het dreunend gerucht der dorsmachines.
De oude 'heilige' eik, die zoo veel geslachten gaan en komen zag, zal hij 't huidige geslacht overleven?
Beschrijving
Onder een eik in Vrachelen woonde een kluizenaar. Sindsdien wordt de boom de 'heilige' eik genoemd. Er woonde ook een schoenlapper in de boom.
Bron
Hub. Kunst. Brabantsche sagen: aan de boeren van Brabant, die nog de sagen van hun land bewaren. Turnhout, 1934. p. 63-67
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
Vrachelen   
Streuvels   
Vlaams   
Naam Locatie in Tekst
Brabant   
Oosterhout   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
