Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

HUBKUNST15 - Van Sinte Hilsondis

Een legende (boek), 1934

Hoofdtekst

Van Sinte Hilsondis
Dit is de wondere legende van Sinte Hilsondis, Gravinne van Strijen en Teisterbant, die in liefde en trouwe vereend, lange jaren leefde met Sint Ansfried, een vroom en dapper hertog van het heilige Roomsche Rijk, en die door Gods gratie gesteld werd tot stichteres en eerste abdis van het vorstelijk vrouwenklooster van Thorn, waar hare dochter Sinte Benedicta heure opvolgster was.
Als een vlam in den nacht, zoo rijst het lichtend exempel van haar deugdrijk leven boven de woelende branding der donker-woeste, ijzeren tiende eeuw, tijd van somber geweld, van bitteren strijd en felle veeten, van barbaarsche Denentochten en grimmigen broederoorlog.
Sinte Hilsondis was eene dochter uit het aloude, roemrijke Huis van Strijen en huwde in 956 met Ansfried, graaf van Hoei en Teisterbant, die meer dan eenmaal zijn machtige zwaard ten dienste stelde van Otto, zijn wettigen keizerlijken Heer. Doch door godsvrucht bewogen, kwamen ze na jaren van eensgezinde trouw, overeen, een kloosterleven te beginnen. Hilsondis en hare dochter traden in de door haar begiftigde abdij van Thorn, bij Maaseyck, en Ansfried werd al spoedig uit de eenzaamheid geroepen om als Bisschop een sieraad der Utrechtse kerk te worden. In simpele woorden verhaalt de Hollandsche Kronijk het vrome wonderfeit uit het leven van St. Hilsondis, die eens Gravin van Strijen in West- Brabant was. En Haar ter gedachtenis, die in Gilze, Baarle, Zundert en Sprundel tal van goederen beheerde, en die in den dageraad der kerstening van het Brabantsche land als een der lieflijkste figuren verschijnt, moge de gesierde legende hier volgen.

De nacht houdt z'n zwarten mantel van wijde donkerheid en droomende stilte gespreid over de slapende gouwen van Strijen en Teisterbant.
De sterren glimmen als fonk'lende juweelen op een fond van mat fluweel. Na den hittebrand van den verganen nazomerdag wademt de moederlijke aarde zoele geuren, en tusschen de reeds dorrende wegestruiken drijven nevelige dampen, als waarden er ijle, spokige wezens door den nacht. De breede Maasstroom, geboren diep in het hart van Brabant, stuwt z'n grijze golven langzaam naar den breeden zeemond, waar de wateren zich storten in den Oceaan, zooals een ziel in de eeuwigheid verzinkt. Stoer als een bolwerk, hecht en sterk, bralt de burcht van Hertog Ansfried omhoog aan den oever der Maas; hij blokt er, zwart en kantig, als een gigantisch reuzengedrocht uit verre, sombere oertijden.
Maar aan zijn voet klotst en vreet het water verraderlijk met telkens nieuwen aandrang, zooals de laster knagen blijft aan de reinste deugdzaamheid...
Hertog Ansfried zit op den gebeeldhouwden zetel in 't laaggebalkte burchtvertrek en staart peinzend in de wisselende vlammen van het spokkerend houtvuur. Nare, donkere gedachten doorwoelen zijn brein.
Zooeven is een zijner huisdienaren hem komen berichten, dat in den laten avond vrouwe Hilsondis, de genadige Gravin, in alle stilte den burcht verlaten heeft, zonder een enkele harer juffers mede te nemen. Niemand weet waarheen ze zich begeeft in 't duister van den nacht; niemand durft het haar te vragen. Maar reeds tal van nachten achtereen verdwijnt ze ongemerkt uit de slotpoort, om eerst tegen den morgen terug te keeren.
Ansfried peinst na over de boodschap van dezen dienaar. Hij stond zooeven bij hem in de burchtzaal, en de grillige vlam van 't haardvuur speelde op z'n verwarden haardos en in z'n onrustige, zoekende oogen. Z'n gelaat had harde, stroeve trekken, met 'n verbeten grijns gegrift om z'n genepen mond.
Hij had gesproken met bedachtzame, voorzichtige woorden, als vreesde hij de uitwerking te missen... Maar de vuige verdachtmaking angelde giftig in z'n geheimzinnigen toon.
De Hertog voert een hevigen tweestrijd in z'n gemoed. Mag hij aan de trouw twijfelen zijner echtgenoote en hare gangen volgen, als ze op zoo geheimzinnige wijze bij 't naderen van den avond henengaat in 't woud aan den Maaszoom? Wat mag toch het doel zijn van dezen avondlijken tocht en waarom heeft ze nooit gesproken waarheen ze ging? ... Hertog Ansfried is opgestaan uit zijn zetel; z'n besluit is genomen.

De nacht spant om hem een koepel van stilte, als hij, geheel alleen, den burcht verlaat en het smalle boschpad neemt, dat hem zoo welbekend is. Het leidt langs kronkelende wegen naar de oude boschkapel, die voor honderd jaren door de vrome bewoners van het land daar gebouwd werd, Maria ter eere. En dikwijls als de kleurige jachtstoet uittrok, door 't woud, werd hier een korte rust gehouden en zag de Moeder Gods de jagers en hun Hertog voor heur beeltenis, die, omgeurd van veldbloemen, daar prijkte. Verdiept in nare gedachten, schrijdt Ansfried voort en bevindt zich als hij zich bewust wordt, waar hij gekomen is, voor de deur van een eenzame kapel. Tot zijn verwondering ziet hij licht glanzen door de smalgeruite ramen. In stilte opent hij de deur. Rond het beeld brandt een braambosch van twinkelende vlamlichtjes, en Maria-met-haar-kind schijnt te glimlachen naar een witte gestalte, die voor Haar ligt neergeknield...
Met een schok van ontroering ontwaart Ansfried plots dat die vage onwezenlijke gestalte zijn Vrouw Hilsondis is, die hier in den nacht haar gebeden stort...

En met huiver van ontzag ziet hij hoe 't hoofd van Hilsondis omringt is met een hemelsch licht van schitterende stralen, als omzweefde haar reeds de heiligenschijn...
De oude kronijk verhaalt dan: 'door dit gezicht wierd de Graaf dus bewogen, dat hij zijnen dienaar meende om 't leven te brengen, maar de Gravin belette zulks, zeggende dat een die zoodanig voor de eer van zijnen meester waakte, veel meer lof dan straff waardig was'.
Sedert dien tijd wierd Ansfried met zulk een eerbied en achting voor zijne gemalin Hilsondis ingenomen, dat hij tegelijk met haar 't voornemen nam om de wereld te verlaten, en hen 't eenemaal tot de oefening van Godsvrucht af te zonderen'.

Beschrijving

Hilsondis, gravin van Strijen en Teisterbant was getrouwd met Ansfried, graaf van Hoei en Teisterbant. Zij besloten beiden hun leven verder in een klooster door te brengen. Ansfried kreeg op een dag bericht dat zijn vrouw vaak 's nachts stiekem het klooster verliet. Niemand wist waar zij naar toe ging. Ansfried besloot te gaan onderzoeken wat Hilsondis uitspookte, 's nachts in haar eentje. Onderweg naar het klooster kwam hij langs een verlaten kapel, waar licht uit de ramen scheen. Toen hij binnenkwam trof hij zijn vrouw aan, knielende voor een beeld van Maria. Het hoofd van Hilsondis was omringt met een hemels licht. Iedere nacht kwam zij naar de kapel om Maria te eren.

Bron

Hub. Kunst. Brabantsche sagen: aan de boeren van Brabant, die nog de sagen van hun land bewaren. Turnhout, 1934. p. 90-95

Commentaar

1934

Naam Overig in Tekst

Sinte Hilsondis    Sinte Hilsondis   

Teisterbant    Teisterbant   

Sint Ansfried    Sint Ansfried   

Heilige Roomse Rijk    Heilige Roomse Rijk   

God    God   

Sinte Benedicta    Sinte Benedicta   

Denen    Denen   

Deens    Deens   

Otto    Otto   

Maaseyck    Maaseyck   

Maria    Maria   

Naam Locatie in Tekst

Brabant    Brabant   

Strijen    Strijen   

Thorn    Thorn   

Hoei    Hoei   

Maaseik    Maaseik   

Utrecht    Utrecht   

Gilze    Gilze   

Baarle    Baarle   

Zundert    Zundert   

Sprundel    Sprundel   

Maas    Maas   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20