Hoofdtekst
De verzonken schat
Het moet gebeurd zijn in grijze, grijze tijden in het Noordbrabantsche Kempenland. In een ver verleden, toen het rumoer verstilde op de dorpen, toen de Kempen nog geheel-en-al het land was van hei en bosschen, toen de onmetelijke, bruine heide als een oneindigheid heenstrekte naar den bosch einderm waar sombere ruischende mastbosschen als een donkeren was de wereld afsloten, - toen moet het gebeurd zijn in de contreie van Zundert, het eeuwenoude Kempendorp.
Daar lag op de heide een schat in den grond verborgen. Het was een kostbare, rijke schat. Hoe was hij daar toch gekomen? Dat bleef in een duister geheim gehuld. Niemand wist het met zekerheid. Was het den schat van een schuwen, eenzelvigen gierigaard, van een rijken schrapenden vrek, die er vroeger gewoond had, wiens handen vereelt waren door harden arbeid, zijn leven lang, en die zijn lichaam stram en stijf gezwoegd had, alleen om het simpel genoegen het geld op te stapelen, zijn hebzucht te streelen in den schitterglans van het goud, en in kindsch plezier met bevende vingers te graaien in de opgehoopte goud- en zilverstukken? Was de schat hier verborgen en had hij zelfs wantrouwig en in felle hebzucht gezwegen tot z'n laatsten snik?
Men wist het niet.
Of was deze schat in den grond gestopt door dieven, die hem geroofd hadden, en hem niet gebruikten, in bange vrees voor ontdekking en verrraad?
Men wist het niet.
Of was er misschien een verhaal van bloed en verschrikking verbonden aan dezen verborgen schat? Was hij in de heide begraven, om hem later terug te halen, in die verre 'unheimliche' tijden, toen aftrekkende en vluchtende legertroepen de alleenstaande boerenhoeven plunderden en in brand staken, na de bewoners verjaagd te hebben?
Men wist het niet.
Maar één ding was zeker; de schat was er, hij lag ergens begraven, diep onder 't warrige heidekruid. Dat wisten ze allen, de heidebewoners; de grijsaards vertelden het in de lange winteravonden bij het flakkerend haardvuur aan hun kinderen en kleinkinderen. Het was een overlevering van geslacht op geslacht. De schat lag daar, een groote rijkdom, nog onaangestast...
Toen werd er bij twee boeren, die naast elkaar in een erbarmelijke hut op de heide woonden, een felle begeerte wakker. Ze hadden elkaar vaak gesproken over den verborgen, kostbaren schat; in beider gemoed was de geldzucht ontwaakt, en de heete begeerte in éénmaal, zonder moeite, rijkdom te verwerven, schroeide door hun verbeelding als een felle vlam. Als hun ossen moeizaam den ploeg trokken door den dorren akkergrond, als ze in 't schemeruur uitrustten van den dagelijkschen arbeid, speelde de gedachte aan den begraven schat hun door 't hoofd. Ze besloten ten laatste hem te zoeken, zij tweeën. Niemand zou dan ooit eenige aanspraak kunnen maken. In 't diepste geheim werd het plan overlegd. De schat lag ergens op de heide: hij zou voor den dag komen. Ze zochten in alle stilte, vele nachten achtereen. Met schop en spade doorwoelden ze den grond, waar ze de plaats vermoedden. Doch de schat werd niet gevonden.
Het was in een geheimzinnigen nacht in een stormig najaar, als de heide zich bereidt om den winterschen dood in te gaan. 'n Roode, legendaire maan stond laag aan den wolkloozen hemel, de mastbosschen aan den rand der zwijgende heide, waren met blauwige waden behangen. Ze stonden dreigend zwart, of ze een duister geheim in zich droegen. Het dorre heidekruid ritselde, alsof duizenden tongetjes fezelden van onzichtbare nachtelfen, die dansten in 't maanlicht, alsof koddige kaboutertjes op gesneden rietpijpjes een vreemde muziek speelden. Het was 'unheimisch' op de Kempische hei...
Een eenzame wandelaar, die zich wat verlaat had, en op dit ongewone uur hier dwaalde, zou de donkere, gebogen gestalte der beide boeren hebben zien opdoemen in het tooverachtig maanlicht. Ze spitten in den taaien heidegrond, ze groeven weer een diepen kuil. Het blank der spade glom zilverachtig in den maanschijn, als ze met telkens driftiger zwaaien de schoppen aarde opzij wierpen. Stilzwijgend, somber wroetten ze voort. Telkens gejaagder. Hier moest de schat liggen. In beider gemoed gloeide de hebzucht als een verterende, brandende koorts; voor hun oogen blonk den hellen glans van 't begraven goud. De kuil werd steeds dieper, dieper, een menschenlengte diep. Plots stiet een der gebukte gravers een zachten kreet van verrassing uit... Hij had met z'n spade een zwaar, hard voorwerp aangeraakt; plost stuitte het scherp der spade krassend op een steenen of ijzeren ding. Hier was de schat! Alsof satan hen najoeg, zoo haastig groeven ze verder. Het was een groote, breede ijzeren kist; die daar lag bedolven.
Ze schraafden het roodige zand van deksel en wanden. Daar lag de schat op den bodem van den kuil. Ze dansten in zotte vreugde rondom den rand.
Ha! Goud zouden ze hebben, goud en zilver om met bevende vingers in te graaien, om hun heeten gelddorst te verzadigen en hun blikken te streelen met den glans van onmetelijke schatten. De roode maan verlichtte als een fakkel de heide; het was een somber tooneel, die zwoegende mannen, die in in gejaagde onrust trachtten de kist uit den kuil te heffen. Doch het ging moeilijk; de kist was zwaar als lood en diep was de kuil. Maar ze hadden touwen meegebracht; ze schoven die onder de kist, gingen elk aan een kant van de kuil staan. Nu trokken ze uit alle macht. Ze plantten de voeten in het losse zand, bogen het lijf en trokken, trokken... Zwaar, zwaar woog de last; 't zweet kraalde op hun voorhoofd. Maar de schat achterlaten, dat nooit...
Ze vorderden, haalden de touwen telkens meer in. Nog eenige oogenblikken, en de rijke buit zou in hun bezit zijn. Maar de Duivel, die listige aartsschurk, was aan 't werk geweest. Hij had ze laten begaan, tot hiertoe. Nu wachtte hij zijn tijd af. Rustte er dan geen zegen op dien schat, kleefde er bloed aan die bijeengeschraapte goud- en zilverstukken; was die rijkdom oneerlijk verkregen goed van een woekeraar, die er eeuwen geleden gestorven was?
Men wist het niet...
Maar Satan beloerde zijn kans. Hij had de vlam der geldzucht in 't gemoed der beide heideboeren aangewakkerd tot een laaienden gloed. Hun oogen schitterden, een grimmige lach ontblootte hun tanden. Nu geen armoe meer, geen sloven, geen zwoegen nu rijkdom en weelde, de schat was hun...
De Satan voer in de mannen; een godslasterlijke, wreede vloek klonk uit hun monden en schrijnde akelig in de nachtstilte. De hei lag donker als een hellespelonk.
Toen dreunde plotseling een krakende, geweldige slag; 't was of men schaterlachen hoorde van helsche geesten; de touwen braken, knapten als draden en donderend plofte de schat in de diepte, terug in den grond, zonk tot een onpeilbare diepte weg in de heide. De mannen waren, bleek lijk dooden, weggevlucht...
De schat bleef liggen in de Kempische heide, als een blijvende herinnering en waarschuwing voor de eenvoudige heidebewoners. Dat de glans van het goud hen nimmer verlokken moge, daar arbeid en tevredenheid meer zegen bezorgt, dan in jachtige begeerte te delven naar onbereikbaren rijkdom.
Zoo luidt een Brabantsche sage van den verzonken schat.
Het moet gebeurd zijn in grijze, grijze tijden in het Noordbrabantsche Kempenland. In een ver verleden, toen het rumoer verstilde op de dorpen, toen de Kempen nog geheel-en-al het land was van hei en bosschen, toen de onmetelijke, bruine heide als een oneindigheid heenstrekte naar den bosch einderm waar sombere ruischende mastbosschen als een donkeren was de wereld afsloten, - toen moet het gebeurd zijn in de contreie van Zundert, het eeuwenoude Kempendorp.
Daar lag op de heide een schat in den grond verborgen. Het was een kostbare, rijke schat. Hoe was hij daar toch gekomen? Dat bleef in een duister geheim gehuld. Niemand wist het met zekerheid. Was het den schat van een schuwen, eenzelvigen gierigaard, van een rijken schrapenden vrek, die er vroeger gewoond had, wiens handen vereelt waren door harden arbeid, zijn leven lang, en die zijn lichaam stram en stijf gezwoegd had, alleen om het simpel genoegen het geld op te stapelen, zijn hebzucht te streelen in den schitterglans van het goud, en in kindsch plezier met bevende vingers te graaien in de opgehoopte goud- en zilverstukken? Was de schat hier verborgen en had hij zelfs wantrouwig en in felle hebzucht gezwegen tot z'n laatsten snik?
Men wist het niet.
Of was deze schat in den grond gestopt door dieven, die hem geroofd hadden, en hem niet gebruikten, in bange vrees voor ontdekking en verrraad?
Men wist het niet.
Of was er misschien een verhaal van bloed en verschrikking verbonden aan dezen verborgen schat? Was hij in de heide begraven, om hem later terug te halen, in die verre 'unheimliche' tijden, toen aftrekkende en vluchtende legertroepen de alleenstaande boerenhoeven plunderden en in brand staken, na de bewoners verjaagd te hebben?
Men wist het niet.
Maar één ding was zeker; de schat was er, hij lag ergens begraven, diep onder 't warrige heidekruid. Dat wisten ze allen, de heidebewoners; de grijsaards vertelden het in de lange winteravonden bij het flakkerend haardvuur aan hun kinderen en kleinkinderen. Het was een overlevering van geslacht op geslacht. De schat lag daar, een groote rijkdom, nog onaangestast...
Toen werd er bij twee boeren, die naast elkaar in een erbarmelijke hut op de heide woonden, een felle begeerte wakker. Ze hadden elkaar vaak gesproken over den verborgen, kostbaren schat; in beider gemoed was de geldzucht ontwaakt, en de heete begeerte in éénmaal, zonder moeite, rijkdom te verwerven, schroeide door hun verbeelding als een felle vlam. Als hun ossen moeizaam den ploeg trokken door den dorren akkergrond, als ze in 't schemeruur uitrustten van den dagelijkschen arbeid, speelde de gedachte aan den begraven schat hun door 't hoofd. Ze besloten ten laatste hem te zoeken, zij tweeën. Niemand zou dan ooit eenige aanspraak kunnen maken. In 't diepste geheim werd het plan overlegd. De schat lag ergens op de heide: hij zou voor den dag komen. Ze zochten in alle stilte, vele nachten achtereen. Met schop en spade doorwoelden ze den grond, waar ze de plaats vermoedden. Doch de schat werd niet gevonden.
Het was in een geheimzinnigen nacht in een stormig najaar, als de heide zich bereidt om den winterschen dood in te gaan. 'n Roode, legendaire maan stond laag aan den wolkloozen hemel, de mastbosschen aan den rand der zwijgende heide, waren met blauwige waden behangen. Ze stonden dreigend zwart, of ze een duister geheim in zich droegen. Het dorre heidekruid ritselde, alsof duizenden tongetjes fezelden van onzichtbare nachtelfen, die dansten in 't maanlicht, alsof koddige kaboutertjes op gesneden rietpijpjes een vreemde muziek speelden. Het was 'unheimisch' op de Kempische hei...
Een eenzame wandelaar, die zich wat verlaat had, en op dit ongewone uur hier dwaalde, zou de donkere, gebogen gestalte der beide boeren hebben zien opdoemen in het tooverachtig maanlicht. Ze spitten in den taaien heidegrond, ze groeven weer een diepen kuil. Het blank der spade glom zilverachtig in den maanschijn, als ze met telkens driftiger zwaaien de schoppen aarde opzij wierpen. Stilzwijgend, somber wroetten ze voort. Telkens gejaagder. Hier moest de schat liggen. In beider gemoed gloeide de hebzucht als een verterende, brandende koorts; voor hun oogen blonk den hellen glans van 't begraven goud. De kuil werd steeds dieper, dieper, een menschenlengte diep. Plots stiet een der gebukte gravers een zachten kreet van verrassing uit... Hij had met z'n spade een zwaar, hard voorwerp aangeraakt; plost stuitte het scherp der spade krassend op een steenen of ijzeren ding. Hier was de schat! Alsof satan hen najoeg, zoo haastig groeven ze verder. Het was een groote, breede ijzeren kist; die daar lag bedolven.
Ze schraafden het roodige zand van deksel en wanden. Daar lag de schat op den bodem van den kuil. Ze dansten in zotte vreugde rondom den rand.
Ha! Goud zouden ze hebben, goud en zilver om met bevende vingers in te graaien, om hun heeten gelddorst te verzadigen en hun blikken te streelen met den glans van onmetelijke schatten. De roode maan verlichtte als een fakkel de heide; het was een somber tooneel, die zwoegende mannen, die in in gejaagde onrust trachtten de kist uit den kuil te heffen. Doch het ging moeilijk; de kist was zwaar als lood en diep was de kuil. Maar ze hadden touwen meegebracht; ze schoven die onder de kist, gingen elk aan een kant van de kuil staan. Nu trokken ze uit alle macht. Ze plantten de voeten in het losse zand, bogen het lijf en trokken, trokken... Zwaar, zwaar woog de last; 't zweet kraalde op hun voorhoofd. Maar de schat achterlaten, dat nooit...
Ze vorderden, haalden de touwen telkens meer in. Nog eenige oogenblikken, en de rijke buit zou in hun bezit zijn. Maar de Duivel, die listige aartsschurk, was aan 't werk geweest. Hij had ze laten begaan, tot hiertoe. Nu wachtte hij zijn tijd af. Rustte er dan geen zegen op dien schat, kleefde er bloed aan die bijeengeschraapte goud- en zilverstukken; was die rijkdom oneerlijk verkregen goed van een woekeraar, die er eeuwen geleden gestorven was?
Men wist het niet...
Maar Satan beloerde zijn kans. Hij had de vlam der geldzucht in 't gemoed der beide heideboeren aangewakkerd tot een laaienden gloed. Hun oogen schitterden, een grimmige lach ontblootte hun tanden. Nu geen armoe meer, geen sloven, geen zwoegen nu rijkdom en weelde, de schat was hun...
De Satan voer in de mannen; een godslasterlijke, wreede vloek klonk uit hun monden en schrijnde akelig in de nachtstilte. De hei lag donker als een hellespelonk.
Toen dreunde plotseling een krakende, geweldige slag; 't was of men schaterlachen hoorde van helsche geesten; de touwen braken, knapten als draden en donderend plofte de schat in de diepte, terug in den grond, zonk tot een onpeilbare diepte weg in de heide. De mannen waren, bleek lijk dooden, weggevlucht...
De schat bleef liggen in de Kempische heide, als een blijvende herinnering en waarschuwing voor de eenvoudige heidebewoners. Dat de glans van het goud hen nimmer verlokken moge, daar arbeid en tevredenheid meer zegen bezorgt, dan in jachtige begeerte te delven naar onbereikbaren rijkdom.
Zoo luidt een Brabantsche sage van den verzonken schat.
Onderwerp
SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   
Beschrijving
Men zei dat er op de Kempische heide een schat begraven lag. Twee arme boeren gingen 's nachts schatgraven. Op een nacht stuitten ze op een kist. De duivel was in hen gevaren, ze waren blind van hebzucht. Moeizaam probeerden de boeren de kist uit de diepe kuil te trekken. Satan liet plots de touwen knappen, er was een naar schaterlach van geesten te horen, en de kist zonk dieper in de heide dan ooit tevoren. De mannen vluchtten weg. De schat is blijven liggen als waarschuwing voor de omwonenden: wees niet hebzuchtig!
Bron
Hub. Kunst. Brabantsche sagen: aan de boeren van Brabant, die nog de sagen van hun land bewaren. Turnhout, 1934. p. 96-102
Commentaar
1934
Der verborgene Schatz.
Naam Overig in Tekst
Noordbrabantsche   
Kempische   
Duivel   
Satan   
Naam Locatie in Tekst
Noord-Brabant   
Kempenland   
Kempen   
Zundert   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
