Hoofdtekst
Bron: Cohen, Ned. Sagen en Legenden, II, blz. 95-98.
In een donkeren kelder, onder een brouwerij, woonde de basiliscus van Utrecht. Hij was uit een hanenei gekropen en het zonnelicht vreezend, dat op meer en vaart heldere spiegels, zelfs zonder rimpeling, neerlegt, had hij 's nachts onder een brouwerij redding gezocht. Twee felle vlammen waren zijn oogen. Een man ging naar beneden, in opdracht van den bierbrouwer: misschien had hij 't schuimend vocht te schenken, frisch uit het vat, misschien ook viel er iets te verplaatsen of te vertimmeren. Men verwonderde zich, dat hij niet weerkeerde, en men schertste, meenend, dat hij zich in zijn eentje te goed had gedaan. Ongetwijfeld was de zoete slaap zijn ziel en geest binnengedrongen en waren zijn gedachten ver van de zorg van dezer wereld. Ten leste werd de patroon ongeduldig: hij riep en vloekte, dat de kerel boven moest komen, en met kreet en luide stem in den kelder. Toen er geen antwoord kwam, meende men, dat hij meer Danziger of Maastrichtsch of Leuvensch bier had gedronken, dan voor een zwakken slaap paste, en wat woorden niet konden bereiken, zou wellicht een flinke trap of oorvijg kunnen brengen. Een stevige kornuit ging naar beneden, en hij zag dat den man dood teneder lag. Hij wilde roepen, maar zijn blik gleed af en hij staarde in de doode oogen van den basiliscus. "Nu moet ook ik sterven," dacht hij, want een vlam sloeg om zijn hart. Met de handen greep hij naar de plek zijner pijn en de basiliscus bleef hem aanzien, den grooten hagedissenkop vooruit en de scherpe stekels op zijn lichaam stonden loodrecht opgericht. De man voelde, dat de vlam in zijn lijf verder sloop, op de wijze van het vuur, met een spit einde eerst lekkende, voor hij zich verbreedde. De jonge man, die naar beneden was gezonden, viel ook teneder en de twee vuren in den kop van het monster staarden de duisternis tegemoet. Hoevelen de basiliscus gedood heeft in Utrecht, is niet bekend. Er is geen kroniek van, gelijk voor Dokkum en Oldeboorne, *) doch wel afschuwwekkender moet zijn leven geweest zijn, daar men er nog vele eeuwen over heeft gesproken. Hij was niet te dooden, als draken of waterslangen, die dapper ridder met zijn zwaard kan verslaan, nadat ze veel menschen ten verderve hadden gevoerd.
't Is een vreeselijker ondier dan alle andere. Onbeweeglijk ligt hij in den duisteren kelder, en hij heeft den kop slechts te wenden naar zijn vijand, om dezen te doen wankelen en te verteeren. En wanneer er ook eens een mensch gevonden werd, maar dit is bijkans onmogelijk, die niet sterft door de vlam om zijn hart, dan is een prik der rechte stekels voldoende om hem te dooden. Hoe de stad Utrecht van den basiliscus te bevrijden? Iemand, meer knaap dan man, bood zich aan, om met hem te kampen. men bezag hem vol deernis, want het is wel wreed, als een jongeling moet sterven. Maar hij kwam vroolijk, en hij liet zich een blinddoek voor het gelaat binden, opdat hij de vreeselijke oogen niet zou zien. Men vroeg hem naar zijn wapen. Was 't speer of boog, of een slinger, gelijk de knape David slingerde, om Goliath te verslaan? Hij wees op zijn borst, waarop een plank rustte en niets anders. "Weet ge dan niet?", zoo vroeg men hem, "dat de basiliscus stekels heeft? Hij is een groote hagedis, dien ge niet hooren kunt, zoo hij nadert, en zien kunt ge hem ook niet, met uw blinddoek voor het gelaat." hij lachte slechts. Men aarzelde. Zou men hem doen dalen tot voor het vreeselijk monster? Weder lachte hij en met de jongen, lichten tred liep hij naar beneden. De basiliscus hoorde zijn schreden en hief den kop. Zijn oogen waren vlammen, doch de knaap stierf niet, neen, hij liep zorgeloos, en tastte slechts even. Nog feller vlamden de oogen van den draak, en de jongeling lachte maar. Langzaam kroop de hagedis naderbij. Zoo de vijand niet stierf door het vuur, zou hij sterven door het vergift. Was er een mensch die den basiliscus kon ontgaan? Toen wendde de knaap de plank, die op zijn borst rustte, en hij hield den voorkant naar de richting der duisternis, welke voor zijn blinddoek was. De basiliscus snelde op hem toe, en plotseling zag hij zijn monsterlijke, doodende oogen, daar het een spiegel was, die den jongeling met zich had meegedragen, glas der zuiverheid en der waarheid, dat hij voor het ondier plaatste. De vlam, die allen hadden gevoeld, sloeg 't eigen lichaam van den basiliscus binnen, en hij werd verteerd tot asch en tot niets.
*) Een basiliscus doodde in het jaar 513 te Dokkum achttien menschen. Een gelijk aantal viel ten offer aan den basiliscus uit den put in Oldeboorne, die acht eeuwen later ontdekt werd.
Onderwerp
SINSAG 1341 - Basilisk tötet Menschen durch seinen Blick (stirbt beim Sehen des eigenen Bildes im Spiegel).   
Beschrijving
Bron
Naam Overig in Tekst
Maastrichtsch   
Leuvensch   
Oldeboorne   
David   
Goliath   
Danziger   
Naam Locatie in Tekst
Utrecht   
Dokkum   
Oldeboorn   
Plaats van Handelen
Utrecht   
