Hoofdtekst
De IJmuider schipper
Er gebeuren soms wonderlijke dingen met de zeelieden.
De zee is tusschen hen en hun familie. De golven bruisen en de winden huilen maar de band die er is tusschen de zeeman en zijn familie kunnen ze niet verbreken. Hij is niet te zien, die band en ook niet te vatten maar hij is er niettemin.
Zeker bestaat hij. Wanneer hij er niet was hoe zou dat dan met die IJmuider schipper hebben kunnen gebeuren?
Zoo maar praatjes denkt u van de een of andere bijgeloovige zeeman?
Ja, maar het bewijs dan, het bewijs dat geleverd werd zoodra de schipper aan wal stapte?
Weet u hoe het ging?
Die IJmuider schipper, reeder was hij eigenlijk, het was nog in de oude tijd, had de heele dag hard gewerkt. Hij had de netten uitgegooid en weer ingehaald en de bun wemelde van allerlei soorten van visch.
Er rustte zegen op zijn werk, de vangst was goed.
Maar nu was hij moe en ging naar kooi.
Al spoedig sliep hij in. Dat moest ook wel. Na gedane arbeid is het goed rusten. Bovendien wiegde de zee zijn schuit zoo heerlijk op en neer, heen en weer en de wind zong een geheimzinnig lied in het want. Het water, voor aan de boeg en langs de boorden van de schuit, accompagneerde het lied van de wind. Het ruizelde en suizelde, gonsde en borrelde zoo echt uitnoodigend om nu maar eens naar kooi te gaan en eens plezierig te droomen.
Dat deed de schipper dan ook.
Hij speelde zijn laatste liedje op zijn harmonica, zei wel te rusten tegen de knecht die aan het roer stond en kroop in het vooronder.
En het duurde niet lang of hij was in diepe slaap.
En de droomen kwamen.
Heel plezierige in het eerst. Gewone ook. Maar van lieverlede veranderde zijn droom van wezen. Er kwam iets in van angst en beklemming.
Iets onbestemds, iets dat niet te vatten was maar dat niettemin toch bestond.
Gedaan was het met zijn genoegelijke droom van daarnet.
Het leek wel of hij zoo maar zich zelf in zijn kooi liggen zag. Zeker, hij zag zijn lijf, zijn hoofd, zijn handen, zijn voeten; zijn heele uiterlijke verschijning zag hij in de kooi liggen op de harde bultzak en onder de een beetje groezelige deken.
Dat was een vreemde geschiedenis nietwaar?
Niet alleen vreemd maar ook een beetje griezelig. Zoo maar uit jezelf te trekken en jezelf daar dan te zien liggen, net alsof je eigenlijk een ander bent maar tegelijkertijd jezelf.
Dat was al griezelig genoeg maar het bleef er niet bij. Hij zag niet alleen zijn eigen slapende ik maar ook kwam zijn moeder het vooronder nog binnen. Zoo duidelijk was de verschijning dat het leek of hij haar adem hoorde.
En wat deed ze?
Ze trad op zijn slapende ik toe, boog zich over het bed, lichtte het hoofd op en het kussen en onder dat kussen schoof ze, zachtjes en zoetjes, als om hem niet te wekken, een klein bijbeltje.
En toen verdween ze spoorloos.
Een droom denkt u wellicht. Een beklemmende droom, maar toch een droom zooals een andere. Zonder verdere beteekenis.
Ja, maar als nu de schipper na eenige tijd te IJmuiden aan wal stapt. En als hij dan ziet dat de menschen hem met een schuwe blik ontwijken. En als dan zijn vader op hem toekomt met een strak gelaat en hem met bedroefde stem vertelt dat moeder die en die nacht overleden is en dat ze, hier, kijk, dit bijbeltje hem toegedacht heeft, wat dan? En als het dan ook nog blijkt dat moeder stierf in dezelfde nacht dat de schipper zijn beklemmende droom had, wat zegt u er dan van?
Bijgeloof, goed, goed, maar er is iets wat de zeeman naar land trekt, naar huis, naar zijn familie, een geheimzinnige band die golven en wind niet kunnen verbreken.
Er gebeuren soms wonderlijke dingen met de zeelieden.
De zee is tusschen hen en hun familie. De golven bruisen en de winden huilen maar de band die er is tusschen de zeeman en zijn familie kunnen ze niet verbreken. Hij is niet te zien, die band en ook niet te vatten maar hij is er niettemin.
Zeker bestaat hij. Wanneer hij er niet was hoe zou dat dan met die IJmuider schipper hebben kunnen gebeuren?
Zoo maar praatjes denkt u van de een of andere bijgeloovige zeeman?
Ja, maar het bewijs dan, het bewijs dat geleverd werd zoodra de schipper aan wal stapte?
Weet u hoe het ging?
Die IJmuider schipper, reeder was hij eigenlijk, het was nog in de oude tijd, had de heele dag hard gewerkt. Hij had de netten uitgegooid en weer ingehaald en de bun wemelde van allerlei soorten van visch.
Er rustte zegen op zijn werk, de vangst was goed.
Maar nu was hij moe en ging naar kooi.
Al spoedig sliep hij in. Dat moest ook wel. Na gedane arbeid is het goed rusten. Bovendien wiegde de zee zijn schuit zoo heerlijk op en neer, heen en weer en de wind zong een geheimzinnig lied in het want. Het water, voor aan de boeg en langs de boorden van de schuit, accompagneerde het lied van de wind. Het ruizelde en suizelde, gonsde en borrelde zoo echt uitnoodigend om nu maar eens naar kooi te gaan en eens plezierig te droomen.
Dat deed de schipper dan ook.
Hij speelde zijn laatste liedje op zijn harmonica, zei wel te rusten tegen de knecht die aan het roer stond en kroop in het vooronder.
En het duurde niet lang of hij was in diepe slaap.
En de droomen kwamen.
Heel plezierige in het eerst. Gewone ook. Maar van lieverlede veranderde zijn droom van wezen. Er kwam iets in van angst en beklemming.
Iets onbestemds, iets dat niet te vatten was maar dat niettemin toch bestond.
Gedaan was het met zijn genoegelijke droom van daarnet.
Het leek wel of hij zoo maar zich zelf in zijn kooi liggen zag. Zeker, hij zag zijn lijf, zijn hoofd, zijn handen, zijn voeten; zijn heele uiterlijke verschijning zag hij in de kooi liggen op de harde bultzak en onder de een beetje groezelige deken.
Dat was een vreemde geschiedenis nietwaar?
Niet alleen vreemd maar ook een beetje griezelig. Zoo maar uit jezelf te trekken en jezelf daar dan te zien liggen, net alsof je eigenlijk een ander bent maar tegelijkertijd jezelf.
Dat was al griezelig genoeg maar het bleef er niet bij. Hij zag niet alleen zijn eigen slapende ik maar ook kwam zijn moeder het vooronder nog binnen. Zoo duidelijk was de verschijning dat het leek of hij haar adem hoorde.
En wat deed ze?
Ze trad op zijn slapende ik toe, boog zich over het bed, lichtte het hoofd op en het kussen en onder dat kussen schoof ze, zachtjes en zoetjes, als om hem niet te wekken, een klein bijbeltje.
En toen verdween ze spoorloos.
Een droom denkt u wellicht. Een beklemmende droom, maar toch een droom zooals een andere. Zonder verdere beteekenis.
Ja, maar als nu de schipper na eenige tijd te IJmuiden aan wal stapt. En als hij dan ziet dat de menschen hem met een schuwe blik ontwijken. En als dan zijn vader op hem toekomt met een strak gelaat en hem met bedroefde stem vertelt dat moeder die en die nacht overleden is en dat ze, hier, kijk, dit bijbeltje hem toegedacht heeft, wat dan? En als het dan ook nog blijkt dat moeder stierf in dezelfde nacht dat de schipper zijn beklemmende droom had, wat zegt u er dan van?
Bijgeloof, goed, goed, maar er is iets wat de zeeman naar land trekt, naar huis, naar zijn familie, een geheimzinnige band die golven en wind niet kunnen verbreken.
Beschrijving
Ook al is de zee tussen de zeelieden en hun familie, er bestaat een onverbrekelijke band tussen hen. Dat bewijst dit wonderlijke verhaal van de IJmuider schipper. De schipper ging op een nacht zijn kooi in en begon te dromen. Aanvankelijk prettig maar al gauw werd het steeds beklemmender. Hij treedt uit zijn lichaam en ziet zichzelf liggen. Dan ziet hij zijn moeder binnenkomen. Zij legt een bijbeltje onder zijn kussen. Wanneer de schipper na verloop van tijd aan wal stapt, ziet hij zijn vader. Deze vertelt hem dat moeder is overleden en dat ze een bijbeltje aan haar zoon heeft nagelaten. Ook blijkt dat zijn moeder is overleden in dezelfde nacht dat de schipper zijn beklemmende droom had.
Bron
Legenden langs de Noordzee/ S. Franke. - Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1934, p.132-134.
Commentaar
1934
Naam Overig in Tekst
IJmuider   
Naam Locatie in Tekst
IJmuiden   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
