Hoofdtekst
Mattheus Tengnagel raeckte met een van sijn mackers, die soo kael als hij self was, in de kroeg. Men was er vrolijck, maer eyndelijck moest er gelt zijn. R. 'Ey, maet, betael ens voor tweën.' R. 'Doet ghij het eens, ik heb waeragtig geen kleyn gelt etc.' Op het lest moest er het hooge woort ten wederzijden uyt, dat sij allebeyde beroyt waeren. R. 'Wat doet gij dan in de kroeg?' R. 'Omdat ik dorst had.' R. 'Hoe duyvel derf je dorst krijgen als gij geen gelt en hebt.'
Beschrijving
Twee makkers gingen naar de kroeg. Toen er betaald moest worden bleek dat ze geen van beide geld hadden. De ene makker werd boos op de ander, omdat deze zonder geld naar de kroeg kwam, alleen omdat hij dorst had. Hoe durft iemand dorst te krijgen als hij geen geld heeft?!
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Mattheus Tengnage   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
