Hoofdtekst
Een man bij het dootbedde van sijn seer boose vrou comende, seyde: 'Liefste, 't schijnt dat u tijt nu gecomen is en ick ben noch vrij jongh en souw lichtelijck weer gaen trouwen. Is er iemant die gij geern hadt dat ick troude? 'k Bidt u, openbaert het mij doch, opdat het met u wil geschiede.' De vrouw bulderde schrickelijck en seyde: 'Durft gij alrede om trouwen dencken eer dat ick doot ben? Wat roert het mij wien dat gij trouwt, gij mocht des duyvels moeder trouwen.' 'Daer sal ick mij wel voor wachten', seyde de man, 'want dan soude ick bloetschande begaen, doordien ick soolang des duyvels dochter gehadt hebbe.'
Beschrijving
Een man vroeg zijn boze vrouw aan haar doodsbed met wie zij wilde dat hij zou trouwen na haar dood, aangezien hij nog vrij jong was. De vrouw ging vreselijk tekeer en vroeg hem hoe hij aan trouwen kon denken als zij er niet meer was. Het kon haar niet schelen met wie hij trouwde, hij zou met de moeder van de duivel moeten trouwen. De man antwoordde hierop: 'Daar zal ik maar even mee wachten, want dan zou ik bloedschande plegen, omdat ik zolang met de dochter van de duivel getrouwd ben geweest.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20