Hoofdtekst
Een soldaet, doe koning Gustavus Adolphus de slach voor Lutzen soude slaen, verstack sich in een hol daerontrent. De coning hem bijgeval siende, seyde: 'Kaerel, wat maeck je daer? Heruyt, heruyt, het is nu tijt om den vijant slach te leveren.' 'Herr, secht he, ik bin den fiend so fiend, ik mag hem nit sehen.' 'Was possen sind das', sey de coning, 'immer fort.' R. 'Wen et dan, Herr, nit anders wesen kan', seyde hij, 'so gäftet mi minen kerl herut, ick wil mi in de gödickeyt wol mit em verdragen.'
Beschrijving
Een soldaat die tijdens de slag bij Lutzen voor koning Gustavus Adolphus moest vechten, had zich in een hol verstopt. De koning had hem echter gezien en beval hem eruit te komen. De soldaat zei dat hij de vijand zo vijandig is, dat hij hem niet kan aanzien. Ook al stuurt de koning hem ten strijde, hij blijft naar uitvluchten zoeken.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Karel   
Gustavus Adolphus   
Naam Locatie in Tekst
Lutzen   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
