Hoofdtekst
Jan Larson, de beelthouwer, was bij de vrouw van Sommelsdijck in 't werck van een fonteyn te maecken. Eens met haer over tafel sittende, smeerde hij de booter vrij wat dick op sijn brood. Sij, die wat aen de deune kant is, kon niet swijgen. 'Wel', seyde sij, 'monsieur Larson, meent ghij die booter tot dat brood alleen te eeten?' R. 'Neen, ick toch niet, mevrou, ick meen er noch kaes op te doen.'
Beschrijving
Jan Larson was bij de vrouw van Sommelsdijck aan het werk. De twee zaten te eten en hij smeerde zijn boterham nogal dik. Zij vroeg of hij van plan was dat helemaal in zijn eentje op te eten, en hij antwoordde dat hij van plan was er nog kaas op te doen.
Bron
Aernout van Overbeke, Anecdota sive historiae jocosae. Ed. R. Dekker, H. Roodenburg en H.J. van Rees. Amsterdam 1991
Commentaar
Derde kwart zeventiende eeuw
Naam Overig in Tekst
Jan Larson   
van Sommelsdijck   
Plaats van Handelen
Boskoop (Zuid-Holland)   
Kloekenummer in tekst
E206p   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
